ECLI:NL:HR:2026:1391

ECLI:NL:HR:2026:1391

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 01-09-2026
Datum publicatie 28-08-2026
Zaaknummer 24/00555
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2026:477

Samenvatting

Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. voorhanden hebben van vals identiteitsbewijs, art. 231.2 Sr. Aanwezigheidsrecht. Verstekverlening in hoger beroep na betekening van dagvaarding op BRP-adres van verdachte (opvanglocatie voor vluchtelingen uit Oekraïne) aan huisgenoot a.b.i. art. 36e.1.b.1 jo. 36e.2.a Sv. Was hof gehouden behandeling van zaak aan te houden, nu dagvaarding in h.b. niet aan verdachte in persoon is uitgereikt en ondubbelzinnig had moeten worden vastgesteld dat verdachte daadwerkelijk weet heeft gehad van tz in h.b.? Opvatting dat rechter niet tot oordeel kan komen dat verdachte afstand heeft gedaan van aanwezigheidsrecht, in geval dat verdachte niet ttz. verschijnt en ook geen gemachtigde raadsman aanwezig is, terwijl betekening heeft plaatsgevonden door uitreiking aan degene die zich op betreffend adres bevindt en die zich bereid verklaart om stuk onverwijld aan geadresseerde te doen toekomen, is in het algemeen onjuist. Zoals in HR:2022:1469 is overwogen, volgt uit art. 8 en 9 Richtlijn (EU) 2016/343 niet dat verdachte daadwerkelijk weet moet hebben gehad van tz. van zaak in h.b. Het gaat erom dat verdachte daadwerkelijk in kennis is gesteld van die tz., dat wil zeggen: dat manier waarop informatie over tijdstip en plaats van tz. wordt verstrekt, het voor verdachte mogelijk maakt kennis te krijgen van die tz. Ook uit rechtspraak van EHRM volgt niet dat art. 6 EVRM een specifieke manier voorschrijft waarop verdachte in kennis wordt gesteld van tz. Die rechtspraak houdt ook niet in dat verdachte daadwerkelijk weet moet hebben gehad van tz. Bij beoordeling of manier van kennisgeving (mede in het licht van verplichtingen die voortvloeien uit Unierecht en EVRM) voldoende waarborgen biedt dat verdachte daadwerkelijk in kennis is gesteld van tz., komt betekenis toe aan zorgvuldigheid die overheidsinstanties in acht hebben genomen bij doen van kennisgeving, maar ook aan zorgvuldigheid die verdachte heeft betracht om aan hem gerichte informatie in ontvangst te nemen (vgl. HR:2024:842). Waar het gaat om inspanningen die van overheid mogen worden verlangd om verdachte die over BRP-adres beschikt, op de hoogte te stellen van datum van tz., volstaat (behoudens bijzondere omstandigheden) betekening aan BRP-adres, ook als verdachte niet zelf dagvaarding of oproeping in ontvangst neemt. Enkel gegeven dat BRP-adres een locatie betreft waar ook veel andere mensen (kunnen) verblijven, brengt niet met zich dat van zo’n bijzondere omstandigheid sprake is. Rechtspraak van HvJ EU en EHRM geeft (mede gelet op wat in CAG over (reikwijdte van) deze rechtspraak wordt opgemerkt) geen aanleiding tot andere opvatting (vgl. HR:2022:1469). Gelet op voorgaande heeft hof zonder schending van aanwezigheidsrecht kunnen beslissen om zaak buiten aanwezigheid van verdachte te behandelen. Hierbij is van belang dat namens verdachte h.b. is ingesteld, zodat verdachte zich ook via zijn raadsman op de hoogte had kunnen laten houden van plaats en tijdstip van tz. Ook is van belang dat verdachte o.g.v. art. 36g.1 Sv mogelijkheid had afschriftarrest (anders dan BRP-adres en adres van raadsman) op te geven, om zo ontvangst van informatie over plaats en tijdstip van tz. te waarborgen. Van stellen van prejudiciële vragen aan HvJ EU kan worden afgezien, omdat (gelet op wat hiervoor is overwogen) in schriftuur genoemde vragen kunnen worden beantwoord aan de hand van rechtspraak van HvJ EU of redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over manier waarop deze vragen over betrokken Unierechtelijke rechtsregel moet worden opgelost. Volgt verwerping.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/00555

Datum 1 september 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 13 februari 2024, nummer 23-003055-23, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat W.H. Jebbink bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt over de beslissing van het hof om verstek te verlenen tegen de niet-verschenen verdachte.

Procesverloop

De verdachte is op 15 november 2023 gedagvaard om op 16 november 2023 te verschijnen op de terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Amsterdam.

De politierechter heeft op de terechtzitting van 16 november 2023 de zaak op tegenspraak behandeld en aansluitend het vonnis uitgesproken. De politierechter heeft de verdachte voor – kort gezegd – het voorhanden hebben van een vals identiteitsbewijs veroordeeld tot een gevangenisstraf van zestig dagen, waarvan veertig dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. De akte instellen hoger beroep van 20 november 2023 vermeldt als adres van de verdachte: [a-straat 1] , [postcode] [plaats] .

Op 27 november 2023 heeft de advocaat Jebbink zich gesteld als opvolgend raadsman van de verdachte.

Bij de stukken bevinden zich:

- een Informatiestaat SKDB-persoon van 31 januari 2024, die de volgende informatie bevat: de verdachte heeft met ingang van 10 oktober 2023 als adres in de basisregistratie personen (hierna: BRP) [a-straat 1] , [postcode] [plaats] , als zijn laatst opgegeven woon- of verblijfplaats (datum registratie: 14 november 2023) is vermeld [a-straat 1] , [postcode] [plaats] en de verdachte is niet gedetineerd;

- een dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 13 februari 2024;

- een vertaling van deze dagvaarding in de Engelse taal;

- een akte van uitreiking die inhoudt dat genoemde dagvaarding op 23 januari 2024 is uitgereikt op het adres [a-straat 1] , [postcode] [plaats] aan “een ander op het vermelde adres, die belooft de brief onmiddellijk aan geadresseerde te geven”, waarbij deze persoon voor ontvangst van de dagvaarding heeft getekend;

- een aan de advocaat Jebbink geadresseerde kopie van de dagvaarding van de verdachte van 10 januari 2024.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 februari 2024 houdt in dat de verdachte en zijn raadsman niet zijn verschenen. Dit proces-verbaal houdt verder onder meer in:

“De advocaat-generaal legt een akte van betekening over en deelt mede dat de verdachte zich niet in detentie bevond op de dagen ten tijde van de dagvaarding en drie dagen voor de zitting.

De raadsheer stelt vast dat de dagvaarding op rechtsgeldige wijze is betekend.

Het hof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.

De raadsheer merkt op dat in deze zaak geen schriftuur houdende grieven is ingediend.

De advocaat-generaal voert het woord en vordert dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het ingestelde hoger beroep. De advocaat-generaal legt haar vordering aan het gerechtshof over.

De raadsheer verklaart het onderzoek gesloten en spreekt het arrest uit.”

Bij het bij verstek gewezen arrest van 13 februari 2024 heeft het hof het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Dit arrest houdt onder meer in:

“Door of namens de verdachte is geen schriftuur houdende grieven ingediend. Evenmin zijn mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Ook overigens is niet gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak. Om die reden wordt de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.”

Juridisch kader

De preambule van Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (PbEU 2016, L 65/1; hierna: Richtlijn (EU) 2016/343) houdt onder meer in:

“(35) Het recht van verdachten en beklaagden om bij de terechtzitting aanwezig te zijn, is niet absoluut. Onder bepaalde voorwaarden dienen verdachten en beklaagden de mogelijkheid te hebben om, uitdrukkelijk of stilzwijgend maar op ondubbelzinnige wijze, afstand te doen van dat recht.

(36) In bepaalde omstandigheden moet een beslissing over de schuld of onschuld van een verdachte of beklaagde kunnen worden gegeven, zelfs wanneer de betrokkene niet bij de terechtzitting aanwezig is. Dit kan het geval zijn wanneer de verdachte of beklaagde tijdig in kennis is gesteld van de terechtzitting en van de gevolgen van eventuele afwezigheid, en desondanks niet verschijnt. Het in kennis stellen van een verdachte of beklaagde van de terechtzitting moet worden begrepen als het in persoon dagvaarden van de betrokkene of het anderszins aan de betrokkene verstrekken van officiële informatie over het tijdstip en de plaats van de terechtzitting, op een wijze die het hem mogelijk maakt kennis te krijgen van de terechtzitting. Het in kennis stellen van de verdachte of de beklaagde van de gevolgen van afwezigheid moet met name worden begrepen als het informeren van de betrokkene dat een beslissing kan worden gegeven wanneer hij niet op de terechtzitting verschijnt.

(...)

(38) Bij de beoordeling of de wijze van kennisgeving voldoende waarborgt dat de betrokkene op de hoogte is van het proces, moet in voorkomend geval ook bijzondere aandacht worden besteed aan de zorgvuldigheid die de overheidsinstanties in acht hebben genomen bij de kennisgeving aan betrokkene en aan de zorgvuldigheid die betrokkene heeft betracht om aan hem gerichte informatie in ontvangst te nemen.”

Artikel 8 lid 1 tot en met 4 Richtlijn (EU) 2016/343 luidt:

“Recht op aanwezigheid bij proces

1. De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten en beklaagden het recht hebben om aanwezig te zijn bij hun terechtzitting.

2. De lidstaten kunnen voorzien in de mogelijkheid dat een proces, dat kan leiden tot een beslissing over schuld of onschuld van een verdachte of beklaagde, kan plaatsvinden in zijn afwezigheid, op voorwaarde dat:

a) de verdachte of beklaagde tijdig in kennis is gesteld van de terechtzitting en van de gevolgen van zijn afwezigheid; of

b) de verdachte of beklaagde, die van het proces in kennis is gesteld, wordt vertegenwoordigd door een gemachtigde advocaat die ofwel door de verdachte of de beklaagde dan wel door de staat werd aangesteld.

3. Een overeenkomstig lid 2 genomen beslissing kan jegens de verdachte of beklaagde ten uitvoer worden gelegd.

4. Wanneer lidstaten voorzien in de mogelijkheid om processen te houden in afwezigheid van verdachten of beklaagden, maar het niet mogelijk is te voldoen aan de in lid 2 van dit artikel gestelde voorwaarden, omdat een verdachte of beklaagde, ondanks redelijke inspanningen, niet kan worden gelokaliseerd, kunnen de lidstaten bepalen dat niettemin een beslissing kan worden genomen die ten uitvoer kan worden gelegd. In dat geval zorgen de lidstaten ervoor dat wanneer verdachten of beklaagden in kennis worden gesteld van de beslissing, in het bijzonder wanneer zij in hechtenis worden genomen, zij eveneens worden geïnformeerd over de mogelijkheid de beslissing aan te vechten en het recht op een nieuw proces of een andere voorziening in rechte, overeenkomstig artikel 9.”

Artikel 9 Richtlijn (EU) 2016/343 luidt:

“Recht op een nieuw proces

De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer verdachten of beklaagden niet aanwezig waren bij hun terechtzitting en niet is voldaan aan de in artikel 8, lid 2, gestelde voorwaarden, zij recht hebben op een nieuw proces, of een andere voorziening in rechte, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld, met inbegrip van de beoordeling van nieuw bewijsmateriaal, en dat kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing. In dit verband waarborgen de lidstaten dat die verdachten of beklaagden het recht hebben aanwezig te zijn, overeenkomstig nationaalrechtelijke procedures effectief deel te nemen, en hun recht op verdediging uit te oefenen.”

De volgende verdragsrechtelijke en wettelijke bepalingen zijn van belang.

- Artikel 6 lid 3, aanhef en onder a en b, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), in de Nederlandse vertaling:

“Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:

a. onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging;

b. te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging.”

- Artikel 36c lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv):

“De kennisgeving van gerechtelijke mededelingen behoeft alleen door betekening te geschieden in de bij de wet bepaalde gevallen. Dagvaardingen en aanzeggingen die aan het openbaar ministerie of de procureur-generaal bij de Hoge Raad zijn opgedragen, worden steeds betekend, tenzij de wet anders bepaalt.”

- Artikel 36e lid 1 en 2, aanhef en onder a, Sv:

“1. De uitreiking van de gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt:

a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon;

b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:

1°. aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,

2°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde.

2. Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b:

a. de geadresseerde niet wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan degene die zich op dat adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen.”

- Artikel 36g lid 1 Sv:

“In de volgende gevallen wordt een afschrift van de dagvaarding of oproeping van de verdachte om op de terechtzitting of nadere terechtzitting te verschijnen toegezonden aan het laatste door de verdachte opgegeven adres:

a. indien de verdachte bij zijn eerste verhoor in de desbetreffende strafzaak aan de verhorende ambtenaar een adres in Nederland heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden;

b. indien de verdachte bij het begin van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg een adres in Nederland heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden;

c. indien door of namens de verdachte bij het instellen van een gewoon rechtsmiddel in de betrokken zaak een adres in Nederland is opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden.”

- Artikel 48, tweede volzin, Sv:

“Van alle stukken die ingevolge dit wetboek ter kennis van de verdachte worden gebracht, ontvangt de raadsman (...) onverwijld afschrift.”

- Artikel 412 lid 2 Sv:

“De zaak wordt in hoger beroep ter terechtzitting aanhangig gemaakt door een oproeping of dagvaarding vanwege de advocaat-generaal aan de verdachte betekend, ten einde terecht te staan ter zake van een of meer van de feiten hem in eerste aanleg telastegelegd.”

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 18 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1469 onder meer overwogen:

“3.5.2 Op grond van artikel 8 lid 1 Richtlijn (EU) 2016/343 zorgen de lidstaten ervoor dat verdachten het recht hebben om aanwezig te zijn bij hun terechtzitting. Op grond van het tweede lid van die bepaling kunnen de lidstaten voorzien in de mogelijkheid dat een proces, dat kan leiden tot een beslissing over schuld of onschuld van een verdachte, kan plaatsvinden in zijn afwezigheid. Daarvoor geldt, voor zover voor de beoordeling van de klacht van belang, de voorwaarde dat de verdachte tijdig “in kennis is gesteld van de terechtzitting”. Het in kennis stellen van een verdachte van de terechtzitting in de zin van artikel 8 lid 2, onder a, Richtlijn (EU) 2016/343 moet worden begrepen als het in persoon dagvaarden van de verdachte of het anderszins aan de verdachte verstrekken van officiële informatie over het tijdstip en de plaats van de terechtzitting, op een wijze die het hem mogelijk maakt kennis te krijgen van de terechtzitting (preambule onder 36). Bij de beoordeling of de wijze van kennisgeving voldoende waarborgt dat de verdachte op de hoogte is van het proces, komt betekenis toe aan zowel de zorgvuldigheid die de overheidsinstanties in acht hebben genomen bij de kennisgeving aan de verdachte, als aan de zorgvuldigheid die de verdachte heeft betracht om aan hem gerichte informatie in ontvangst te nemen (preambule onder 38).

Bij de vraag of aan de voorwaarden van artikel 8 lid 2 Richtlijn (EU) 2016/343 is voldaan, kan de rechter zich baseren op de wijze waarop iemand volgens het nationale recht wordt opgeroepen voor de terechtzitting. Dergelijke regels van nationaal recht mogen echter niet afdoen aan de doelstelling van de richtlijn, namelijk het eerlijke verloop van de procedure waarborgen en de verdachte in staat stellen om bij zijn terechtzitting aanwezig te zijn. (Vgl. HvJ EU 19 mei 2022, zaak C-569/20, ECLI:EU:C:2022:401 (IR), overweging 43.)

Een overeenkomstig artikel 8 lid 2 Richtlijn (EU) 2016/343 genomen beslissing is volgens het derde lid van het artikel vatbaar voor tenuitvoerlegging. Artikel 8 lid 4 Richtlijn (EU) 2016/343 maakt echter mogelijk dat onder omstandigheden ook een behandeling bij verstek kan plaatsvinden als niet is voldaan aan de in het tweede lid van dat artikel gestelde voorwaarden. In zo’n geval schrijft artikel 9 Richtlijn (EU) 2016/343 voor dat de verdachte recht heeft op een nieuw proces, of een andere voorziening in rechte, dat kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing. Gewaarborgd moet zijn dat de verdachte het recht heeft bij dit nieuwe proces aanwezig te zijn, overeenkomstig nationaalrechtelijke procedures effectief deel kan nemen en het recht op verdediging kan uitoefenen.

Uit het voorgaande volgt dat Richtlijn (EU) 2016/343 niet beoogt te regelen op welke wijze de betekening van de dagvaarding plaatsvindt. Wel volgt uit deze Richtlijn dat het onderzoek naar de vraag of de verdachte tijdig in kennis is gesteld van de terechtzitting, ertoe dient om vast te stellen of de verdachte na een verstekbehandeling recht heeft op een nieuw proces als bedoeld in artikel 9 van die Richtlijn. (...)”

De klacht van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel richt zich niet tegen het oordeel van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep op een rechtsgeldige manier is betekend. Het cassatiemiddel voert aan dat het hof niet tot het verlenen van verstek tegen de niet-verschenen verdachte had mogen overgaan, omdat in dit geval – mede gelet op de manier van betekenen, te weten: door uitreiking aan degene die zich op het betreffende adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen – ondubbelzinnig had moeten worden vastgesteld dat de verdachte daadwerkelijk weet moet hebben gehad van de terechtzitting in hoger beroep. In de toelichting op het cassatiemiddel wordt daarbij vermeld dat het adres waarop de verdachte in de BRP was ingeschreven, betrekking heeft op “ [A] ’, een hotel dat deels gebruikt wordt als opvanglocatie voor vluchtelingen uit Oekraïne” en dat dan “een zeer grote groep personen potentieel (kwalificeert) als ‘degene die zich op dat adres bevindt’ in de zin van artikel 36e lid 2 onder a Sv”.

Beoordeling van de klacht

Het cassatiemiddel berust op de opvatting dat de rechter niet tot het oordeel kan komen dat de verdachte afstand heeft gedaan van het aanwezigheidsrecht, in het geval dat de verdachte niet op de terechtzitting verschijnt en er ook geen gemachtigd raadsman aanwezig is, terwijl de betekening heeft plaatsgevonden door uitreiking aan degene die zich op het betreffende adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen. Die opvatting is, om de navolgende redenen, in het algemeen onjuist.

Zoals in het onder 2.3.5 weergegeven arrest is overwogen, volgt uit artikel 8 en 9 Richtlijn (EU) 2016/343 niet dat een verdachte daadwerkelijk weet moet hebben gehad van de terechtzitting van de zaak in hoger beroep. Het gaat erom dat de verdachte daadwerkelijk in kennis is gesteld van die terechtzitting, dat wil zeggen: dat de manier waarop de informatie over het tijdstip en de plaats van de terechtzitting wordt verstrekt, het voor de verdachte mogelijk maakt kennis te krijgen van de terechtzitting.

Ook uit de rechtspraak van het Europees hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) volgt niet dat artikel 6 EVRM een specifieke manier voorschrijft waarop een verdachte in kennis wordt gesteld van de terechtzitting (vgl. EHRM 28 augustus 2018, nr. 12307/16 (Vyacheslav Korchagin/Rusland), overweging 65). Die rechtspraak houdt ook niet in dat een verdachte daadwerkelijk weet moet hebben gehad van de terechtzitting. Dat zo’n vereiste zou gelden, kan niet worden afgeleid uit de in de schriftuur aangehaalde uitspraak EHRM 12 juni 2018, nr. 47081/06 (M.T.B./Turkije). In die zaak beoordeelde het EHRM of de verzoeker “sufficiently aware of the criminal proceedings” was. Het EHRM was van oordeel dat dit niet het geval was nu het nationale gerecht niet had beoordeeld “whether the applicant had in fact been notified” (zie overweging 50 en 62; cursivering toegevoegd).

Bij de beoordeling of de manier van kennisgeving – mede in het licht van de verplichtingen die voortvloeien uit het Unierecht en het EVRM – voldoende waarborgen biedt dat de verdachte daadwerkelijk in kennis is gesteld van de terechtzitting, komt betekenis toe aan de zorgvuldigheid die de overheidsinstanties in acht hebben genomen bij het doen van de kennisgeving, maar ook aan de zorgvuldigheid die de verdachte heeft betracht om aan hem gerichte informatie in ontvangst te nemen (vgl. HR 11 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:842, rechtsoverweging 2.6.2). Waar het gaat om de inspanningen die van de overheid mogen worden verlangd om de verdachte die over een BRP-adres beschikt, op de hoogte te stellen van de datum van de terechtzitting, volstaat – behoudens bijzondere omstandigheden – betekening aan dat BRP-adres, ook als de verdachte niet zelf de dagvaarding of de oproeping in ontvangst neemt. Het enkele gegeven dat het BRP-adres een locatie betreft waar ook veel andere mensen (kunnen) verblijven, brengt niet met zich dat van zo’n bijzondere omstandigheid sprake is.

De in de toelichting op het cassatiemiddel genoemde rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) en het EHRM geeft – mede gelet op wat in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.9, 3.13, 3.14, 3.16 en 3.17 over (de reikwijdte van) deze rechtspraak wordt opgemerkt – geen aanleiding tot een andere opvatting. Dat geldt ook voor het beroep dat in de schriftuur wordt gedaan op de uitleg die het Hof van Justitie in het arrest van 24 mei 2016, zaak C-108/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:346 (Dworzecki) heeft gegeven aan de begrippen “persoonlijk (...) gedagvaard” en “anderszins daadwerkelijk officieel in kennis (...) gesteld” in de zin van artikel 4bis lid 1, onder a sub i, Kaderbesluit 2002/584/JBZ, zoals gewijzigd bij Kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (hierna: het Kaderbesluit). Dit Kaderbesluit ziet op het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten. Artikel 4bis lid 1 Kaderbesluit bevat een facultatieve weigeringsgrond voor overlevering voor het geval de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen in de strafzaak die aan het verzoek tot overlevering ten grondslag ligt. Deze uitspraak heeft dus betrekking op de vraag in welke gevallen toepassing mag worden gegeven aan de betreffende weigeringsgrond. Kort gezegd houdt de uitspraak van het Hof van Justitie in dat de overlevering niet op grond van artikel 4bis lid 1, onder a sub i, Kaderbesluit mag worden geweigerd als de opgeëiste persoon “persoonlijk is gedagvaard” of “anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld”, omdat overlevering in die gevallen hoe dan ook geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Deze uitspraak heeft geen betrekking op de voorgeschreven manier van betekening van dagvaardingen in strafzaken. (Vgl. HR 18 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1469, rechtsoverweging 3.4.6.)

Gelet op het voorgaande heeft het hof zonder schending van het aanwezigheidsrecht kunnen beslissen om de zaak buiten de aanwezigheid van de verdachte te behandelen. Hierbij is van belang dat het hoger beroep namens de verdachte is ingesteld, zodat de verdachte zich ook via zijn raadsman op de hoogte had kunnen laten houden van de plaats en het tijdstip van de terechtzitting. Ook is van belang dat de verdachte op grond van artikel 36g lid 1 Sv de mogelijkheid had een afschriftadres – anders dan het BRP-adres en het adres van de raadsman – op te geven, om zo de ontvangst van de informatie over de plaats en het tijdstip van de terechtzitting te waarborgen.

Van het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie kan worden afgezien, omdat – gelet op wat onder 2.5 tot en met 2.8 is overwogen – de in de cassatieschriftuur genoemde vragen kunnen worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie of redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de manier waarop deze vragen over de betrokken Unierechtelijke rechtsregel moeten worden opgelost.

Het cassatiemiddel faalt.

3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden.

De klacht tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van het door de verdachte ingestelde hoger beroep leidt niet tot cassatie. De Hoge Raad acht ook geen grond aanwezig waarop dat oordeel ambtshalve zou moeten worden vernietigd. Daarom moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat het hof het namens de verdachte ingestelde hoger beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, zodat het vonnis in eerste aanleg onherroepelijk is geworden. Bij deze stand van zaken kan de omstandigheid dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand