HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/03796
Datum 8 september 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 24 september 2024, nummer 23-000382-24, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten T.J.N. Hameleers en M. Draaijers bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam zodat de zaak op basis van het bestaande hoger beroep opnieuw kan worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van het hof dat het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingesteld.
De stukken die voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang zijn, zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3. Kort samengevat houden deze in dat de inleidende dagvaarding niet aan de verdachte in persoon is uitgereikt, de verdachte in eerste aanleg bij verstek is veroordeeld, het vonnis in eerste aanleg is uitgesproken op 16 januari 2023 en namens de verdachte hoger beroep is ingesteld op 16 februari 2024. Verder bevindt zich bij de stukken een met de hand ingevulde akte van uitreiking van “01-02” waarin onder meer het parketnummer van de strafzaak in eerste aanleg en persoonsgegevens van de verdachte zijn vermeld.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 september 2024 houdt onder meer in:
“De raadsheer bespreekt de tijdigheid van het hoger beroep.
De raadsman deelt mede:
Het standpunt van de verdediging is dat onduidelijk is of de mededeling uitspraak in persoon is betekend op 1 februari 2024. In het dossier bevindt zich weliswaar een document, waarop geen jaartal staat, waaruit opgemaakt kan worden dat iets aan mijn cliënt is betekend, maar niet wat. Ik stel mij op het standpunt dat mijn cliënt ontvankelijk is in het ingestelde hoger beroep.
De advocaat-generaal zegt:
Op de akte staat weliswaar geen jaartal, maar wel een stempel van het CJIB. Uitgaande van die datum gaat het openbaar ministerie ervan uit dat op dat moment de mededeling uitspraak in persoon aan de verdachte is uitgereikt en dient hij niet-ontvankelijk verklaard te worden in het hoger beroep.
De raadsman persisteert.
De raadsheer verklaart het onderzoek gesloten en deelt mee terstond mondeling arrest te zullen wijzen.
De raadsheer spreekt het arrest uit ter openbare terechtzitting.”
Het hof heeft het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en daartoe overwogen:
“Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is in eerste aanleg gedagvaard om op 16 januari 2023 te verschijnen ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem. De dagvaarding is de verdachte niet in persoon betekend.
De verdachte is op 16 januari 2023 bij verstek veroordeeld.
Het vonnis is op 1 februari 2024 aan de verdachte in persoon betekend.
Tegen dit vonnis heeft de verdachte niet binnen veertien dagen nadien hoger beroep ingesteld, maar eerst op 16 februari 2024.
Nu het hoger beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingesteld zal de verdachte daarin niet-ontvankelijk worden verklaard.”
De onder 2.2.1 bedoelde akte van uitreiking houdt onder meer in:
“AKTE VAN UITREIKING
Datum: 01-02 Omstreeks: 13.30 uur
Uitgereikt door […]
Naam verbalisant / inrichtingsmedewerker:
Uitgereikt aan
naam: [verdachte]
voornaam:
geboortedatum: [geboortedatum] -1985
geboorteplaats:
adres: [a-straat 1]
woonplaats: [plaats]
parketnummer: 96-249992-22
Aldus op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt
De verbalisant/inrichtingsmedewerker De betrokkene
(handtekening) (handtekening)”
Artikel 408 lid 1 en 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) luidt:
“1. Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:
a. de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend;
b. de verdachte op de terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen;
c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was;
(...)
2. In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is.”
Het hof heeft kennelijk aangenomen dat geen sprake is van een omstandigheid, vermeld in artikel 408 lid 1 Sv. Op grond van artikel 408 lid 2 Sv moet de verdachte in dat geval binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid voordoet waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is, hoger beroep instellen tegen het vonnis van de rechtbank. Van een ‘omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is’, is sprake als de verdachte op de hoogte wordt gesteld van dat wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep, zoals de aard of zwaarte van de bij het vonnis opgelegde straf(fen) of maatregel(en). (Vgl. HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1940.)
Het oordeel van het hof dat het vonnis van de politierechter van 16 januari 2023 op 1 februari 2024 aan de verdachte in persoon is betekend en zich dus een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte toen bekend was, is niet zonder meer begrijpelijk. In de akte van uitreiking zijn immers slechts het parketnummer van dat vonnis en persoonsgegevens van de verdachte vermeld, terwijl daaruit niet blijkt welk stuk aan de verdachte is uitgereikt.
De klacht is gegrond. Dat brengt mee dat bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig is.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Caminada als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 september 2026.