ECLI:NL:HR:2026:1427

ECLI:NL:HR:2026:1427

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 08-09-2026
Datum publicatie 07-09-2026
Zaaknummer 24/00456
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2026:567

Samenvatting

OM-cassatie en cassatie klager, die als tussenpersoon werkzaamheden verricht voor de aan scheepsbouwer verleende bouwopdrachten door Bahama’s en Trinidad en Tobago. Beklag, beslag ex art. 94 en 94a Sv op vorderingen van klager op derden onder derden t.z.v. verdenking van valsheid in geschrift. Rb heeft beklag gegrond verklaard t.a.v. beslag dat € 1.550.000 te boven gaat. 1. OM-cassatie, summier karakter onderzoek in raadkamer. Kon Rb oordelen dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat strafrechter vorderingen van klager op derden waarop beslag is gelegd, verbeurd zal verklaren dan wel als w.v.v. zal ontnemen? 2. Cassatie klager. Verweer dat geen sprake is van rechtsgeldige beslaglegging, nu diverse door wet gestelde voorschriften niet zijn nageleefd. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2023:128 m.b.t. toepasselijke maatstaf i.g.v. beslag ex art. 94 Sv, toepasselijke maatstaf i.g.v. beslag ex art. 94a Sv en summier karakter van onderzoek in raadkamer. Rb heeft geoordeeld dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat strafrechter (later oordelend) tot (gedeeltelijke) bewezenverklaring komt van tlgd. medeplegen valsheid in geschrift. Vervolgens heeft Rb het beklag deels (v.zv. beslag het bedrag te boven gaat van maximale geldboete van € 1.550.000) gegrond verklaard. Daaraan heeft Rb ten grondslag gelegd dat zij het hoogst onwaarschijnlijk acht dat strafrechter t.a.v. de door klager als commissie genoten inkomsten, tot verbeurdverklaring zal komen of aan klager de verplichting tot betaling van geldbedrag ter ontneming van w.v.v. zal opleggen. Daartoe heeft Rb overwogen dat OvJ zijn stellingen dat scheepsbouwer de aanbestedingen niet zou hebben verkregen als geen valsheid in geschrift was gepleegd en dat zonder valse contracten alle inkomsten niet zouden zijn genoten en klager geen recht had op percentage daarvan, “hoegenaamd niet” heeft onderbouwd en dat daarvoor ook niet voldoende aanknopingspunten zijn gebleken. Rb is (mede gelet op wat OM naar voren heeft gebracht over gronden waarop berekening van w.v.v. wordt gebaseerd) met gedeeltelijke gegrondverklaring te ver vooruitgelopen op mogelijke uitkomst van nog te voeren strafzaak of ontnemingszaak. Daarmee heeft Rb, gelet op wat hiervoor is overwogen, summier karakter van onderzoek in raadkamer miskend. Ad 2. Gelet op beslissing HR, is bespreking van middel niet nodig. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/00456 B

Datum 8 september 2026

BESCHIKKING

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 26 januari 2024, nummer RK 23/009327, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend

door

[klager] ,

gevestigd in [plaats] ,

hierna: de klager.

1. Procesverloop in cassatie

De beroepen zijn ingesteld door de klager en het openbaar ministerie.

Namens de klager heeft de advocaat Th.J. Kelder bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. Ook het openbaar ministerie heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat van de klager heeft het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.

De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing naar de rechtbank Rotterdam, teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.

2. Beoordeling van het cassatiemiddel dat door het openbaar ministerie is voorgesteld

Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de vorderingen van de klager op derden waarop beslag is gelegd, verbeurd zal verklaren dan wel als wederrechtelijk verkregen voordeel zal ontnemen.

Het procesverloop in deze zaak is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.3 tot en met 3.5 en houdt onder meer in dat het openbaar ministerie op in een tussenbeschikking opgenomen vragen van de rechtbank heeft geantwoord:

“Vraag 5: Hoe is het bedrag van het vermoedelijk door [klager] wederrechtelijk verkregen voordeel van € 41 063 772,- – zoals opgenomen in de aanvraag SFO en in de KVI’s – samengesteld?

Als bijlage bij de beantwoording van de vragen is het PV aanvraag Strafrechtelijke Financieel Onderzoek (SFO-001) d.d. 10 februari 2021 gevoegd. Het in de SFO genoemde bedrag is gebaseerd op de – toen binnen het onderzoek bekende – voor [klager] bestemde commissies inzake de Bahama’s- en Trinidad & Tobago-opdrachten.

Vraag 6 en 7: Wat is de concrete onderbouwing van de stelling dat de betrokken gunning van Bahama’s en Trinidad & Tobago niet door was gegaan, zonder de gestelde (mede)gepleegde valsheid in geschrift?

In het raadkamerdossier is de concept ontnemingsvordering jegens onder meer [A] B.V. opgenomen. In deze concept-vordering is toegelicht op grond waarvan het OM zich op het standpunt stelt dat de winst behaald met de verkoop en levering van schepen aan Trinidad & Tobago en aan de Bahama’s als wederrechtelijk verkregen voordeel aangemerkt kan worden en bij [A] B.V. ontnomen dient te worden.

Kort samengevat komt deze vordering erop neer dat de ten laste gelegde valsheden gepleegd werden om in aanmerking te komen voor een exportkredietverzekering van [B] . [A] B.V. had het biedingsproces niet kunnen starten zonder een dekkingstoezegging van [B] voor de substantiële risico’s bij de bouw van schepen voor deze beide landen. In het Urker Visafslagarrest oordeelde de Hoge Raad dat artikel 36e Sr strekt tot ontneming van voordeel dat de veroordeelde met de schending van een wettelijk voorschrift heeft verkregen. Dat de veroordeelde eenzelfde voordeel had kunnen verkrijgen zonder zodanige schending staat daaraan niet in de weg. Met andere woorden, voor de beantwoording van de vraag of er wederrechtelijk verkregen voordeel is genoten, kan ermee worden volstaan het strafbare feit weg te denken. Met alternatieve scenario’s waarbij hetzelfde voordeel zou zijn (kunnen) verkregen bij rechtmatig handelen, hoeft geen rekening te worden gehouden.

Daarnaast geldt dat onder voordeel uit een strafbaar feit in de zin van artikel 36e Sr. ook kan worden begrepen daadwerkelijk genoten voordeel in het geval dat het strafbare feit op zichzelf geen rechtstreeks voordeel oplevert, doch kennelijk ertoe strekt en geëigend is voordeel te genereren. Een patroon aan valsheden gepleegd door [A] en [klager] ter verkrijging van de Bahama’s en T&T opdrachten betreffen dergelijke strafbare feiten.

[klager] heeft met [A] B.V. commissie-afspraken gemaakt die een no cure no pay karakter draagt. Met andere woorden: [klager] komt alleen in aanmerking voor een commissie indien [A] een opdracht in de wacht sleept. Aangezien [A] de opdrachten van Trinidad & Tobago en Bahama’s met valsheid in geschriften heeft verkregen (waaronder de valse SPA’s), zijn de door [klager] gefactureerde en deels betaalde commissies ook aan te merken als wederrechtelijk verkregen voordeel.

Overigens kan de commissie van [klager] ook als wederrechtelijk verkregen voordeel worden ontnomen indien zou blijken dat [klager] slechts voor één misdrijf zou worden veroordeeld. Een veroordeling van [A] voor de feiten op haar tenlastelegging inzake de Bahama’s en Trinidad & Tobago (waaronder ook de feiten die zien op de valsheden in de aanvragen voor een exportkredietverzekering bij [B] ) is voldoende grond voor een ontneming van de commissies als wederrechtelijk verkregen voordeel. Artikel 36e lid 3 Sr vereist niet dat de daar bedoelde strafbare feiten door dezelfde (rechts-)persoon zijn gepleegd als de (rechts-)persoon van wie wordt ontnomen.”

De rechtbank heeft het klaagschrift, dat strekt tot opheffing van het onder derden op grond van artikel 94 en 94a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) gelegde beslag op vorderingen van de klager, gegrond verklaard voor zover het beslag een bedrag van € 1.550.000 te boven gaat. De rechtbank heeft daartoe overwogen:

“Feiten

Op 9 februari 2021 is klassiek beslag gelegd onder een derde, te weten BV [A], op alle vorderingen van klager op die derde, voortvloeiende uit de Service Provider Agreement d.d. 8 juni 2015 (Bahamas) en de Service Provider Agreement d.d. 18 november 2015 (Trinidad en Tobago).

Op 9 februari 2021 is conservatoir beslag gelegd onder een derde, te weten ABN-AMRO Bank N.V. Amsterdam, op de vordering van klager uit hoofde van de escrow-agreement met kenmerk [klager] [rekeningnummer 1] op die derde.

Op 9 februari 2021 is conservatoir beslag gelegd onder een derde, te weten ABN-AMRO Bank N.V. Amsterdam, op de vordering van klager uit hoofde van de escrow-agreement met kenmerk [klager] [rekeningnummer 2] op die derde.

Op 9 februari 2021 is conservatoir beslag gelegd onder een derde, te weten B.V. [A], op alle vorderingen van klager op die derde en voorts alle gelden, geldswaarden en/of roerende zaken die geen registergoederen zijn, die de derde-beslagene uit hoofde van een thans bestaande rechtsverhouding onder zich heeft en/of zal verkrijgen en/of aan de klager verschuldigd is of zal worden, zulks ter verzekering van het verhaal van de vordering(en).

Het beslag is gelegd ten laste van klager in het kader van de onder opgemeld parketnummer ingeschreven strafzaak tegen de klager. Het Openbaar Ministerie verdenkt klager van (mede)plegen van valsheid in geschrift in het kader van door Bahama’s en Trinidad & Tobago aan [A] verleende bouwopdrachten.

Voorts is het Openbaar Ministerie voornemens een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig te maken.

Standpunt klager

Het klaagschrift strekt tot gegrondverklaring en het gelasten van de opheffing van het beslag, zodat klager zo spoedig mogelijk kan beschikken over de banktegoeden en (geldelijke) vorderingen. Klager heeft daartoe het volgende aangevoerd. De beslagen zijn niet rechtsgeldig gelegd omdat aan de formele voorschriften voor beslaglegging niet is voldaan. Daarnaast bestaat er geen grondslag voor de beslagen omdat de verdenking, dat klager zich (samen met een ander) schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift, evident onjuist is. Verbeurdverklaring van het volledig beslagen bedrag is hoogst onwaarschijnlijk. Ook het standpunt van het Openbaar Ministerie, dat alle vergoedingen van [klager] als wederrechtelijk voordeel moeten worden aangemerkt en daarom voor ontneming in aanmerking komen, is onjuist.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag. Daartoe heeft de officier van justitie vooropgesteld dat een inhoudelijke discussie over het bewijs van het strafrechtelijk verwijt geen onderdeel uitmaakt van de klaagschriftprocedure. Daarnaast heeft de officier van justitie het volgende aangevoerd. Weliswaar is niet voldaan aan de eis van betekening, maar dit heeft niet tot gevolg dat de beslagen nietig zijn, temeer nu klager bekend was met de beslagen. De verdenkingen, zoals omschreven in de concept tenlastelegging, rechtvaardigen de beslaglegging en het belang van strafvordering rechtvaardigt het voortduren daarvan. De schriftelijke vastlegging tussen partijen als genoemd in de concept tenlastelegging, is op het onderdeel van de hoogte van de commissie voor klager niet in overeenstemming met de werkelijke afspraken tussen partijen. Daarnaast zijn de building contracts vals omdat daarin in strijd met de waarheid is opgenomen dat - kort samengevat - niet aan derden betaald zal worden in verband met het te sluiten respectievelijk gesloten contract. In werkelijkheid is dit wel gebeurd of zou het gebeuren namelijk aan klager, die als derde is aan te merken.

Die werkelijke afspraken zouden in de weg hebben gestaan aan een ‘probleemloze’ acceptatie van de export kredietverzekering door [B] . Zonder een dekkingstoezegging van [B] had [A] het biedingsproces niet kunnen starten. Derhalve was, zonder de (mede-)gepleegde valsheid in geschrift, de gunning van de Bahama’s en Trinidad & Tobago niet doorgegaan. De vordering van klager op [A] ziet uitsluitend op nog door [A] aan haar te betalen commissies op basis van de valse SPA’s. Deze vordering is derhalve verkregen door middel van de gepleegde strafbare feiten. Daarmee komt deze vordering voor verbeurdverklaring op grond van artikel 33a Sr in aanmerking. De beslagen bedragen op de beide bankrekeningen (de escrow rekeningen), in totaal ruim 25 miljoen euro, vormen, voor zover geen sprake zal zijn van verbeurdverklaring van deze bedragen, in ieder geval wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr. Het totaal wederrechtelijk verkregen voordeel schat de officier van justitie op 35 miljoen euro.

Beoordelingskader

Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.

In geval van een beklag van de beslagene tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechter eerst te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert.

Als er geen strafvorderlijk belang aan teruggave in de weg staat, vindt teruggave plaats aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.

Het strafvorderlijk belang bij voortduring van het beslag is naar het oordeel van de officier van justitie gelegen in een mogelijke verbeurdverklaring en/of een ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De vraag die dan beantwoord dient te worden is of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, die verbeurdverklaring zal bevelen of een vordering tot ontneming van wederrechtelijk voordeel zal toewijzen.

Als het belang van strafvordering zich niet (meer) verzet tegen teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp geldt de hoofdregel dat het voorwerp moet worden teruggegeven aan degene onder wie het in beslag is genomen, tenzij een ander dan de beslagene redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

Beoordeling

Wat er zij van de stelling van klager dat bij het leggen van de beslagen niet aan de formele wettelijke vereisten is voldaan, dit leidt de rechtbank niet tot het oordeel dat de beslagen nietig zijn. Het achterwege blijven van een geldige betekening is niet met nietigheid bedreigd.

Vervolgens ligt dan de vraag voor of er andere redenen zijn om het beklag gegrond te verklaren en de teruggave van het beslagene aan klager te gelasten.

Hoewel de verdenking van valsheid in geschrift ten tijde van het leggen van de beslagen ook al bestond heeft het strafrechtelijk onderzoek zich vooral gericht op een verdenking van ambtelijke en niet ambtelijke omkoping bij het verkrijgen van de opdrachten van Bahama’s en Trinidad & Tobago. Die verdenking van corruptie heeft het Openbaar Ministerie laten vallen.

Ten aanzien van de valsheid in geschrift acht de raadkamer, anders dan klager, het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, tot een (gedeeltelijke) bewezenverklaring van het ten laste gelegde medeplegen van valsheid in geschrift komt. Uit het dossier volgen in ieder geval aanwijzingen dat klager met [A] een hoger commissiepercentage is overeengekomen dan in de verschillende documenten is genoemd, terwijl deze documenten waren bedoeld om tot bewijs van enig feit te dienen.

Vervolgens is de vraag of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, tot verbeurdverklaring zal komen of aan de verdachte de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. De officier van justitie neemt in dat kader de stelling in dat vaststaat dat [A] de aanbestedingen niet zou hebben verkregen als geen valsheid in geschrift was gepleegd. Zonder de valse contracten zouden alle inkomsten niet zijn genoten en had klager geen recht op een percentage daarvan. De officier van justitie heeft deze stelling evenwel hoegenaamd niet onderbouwd en de rechtbank zijn daarvoor ook niet voldoende aanknopingspunten gebleken. De raadkamer acht het dan ook hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter later tot dit oordeel zal komen en die inkomsten dus verbeurd zal verklaren dan wel als wederrechtelijk genoten, zal ontnemen. Het beklag moet in zoverre dan ook gegrond worden verklaard.

De maximale geldboete die bij een veroordeling voor de twee ten laste gelegde feiten van valsheid in geschrift kan worden opgelegd bedraagt € 1 550 000 (uitgaande van een rechtspersoon en de ten tijde van de pleegdata geldende hoogtes van de boetecategorie zes). Ter hoogte van dit bedrag is er nog wel een strafvorderlijk belang bij voortduring van het beslag, te weten voor verhaal van een eventueel op te leggen geldboete.

Het beklag zal aldus deels gegrond worden verklaard.

(...)

De teruggave zal dan ook worden gelast aan klager, en wel van het meerdere boven een bedrag van € 1 550 000.”

De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128 onder meer overwogen:

“Het algemene beoordelingskader

Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene dat is gericht tegen een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv, moet de rechter a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het belang van strafvordering houdt hierbij verband met het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat. Bij die belangen kan het gaan om het aan de dag brengen van de waarheid – ook in een zaak betreffende een ander dan de klager – of om het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het belang van strafvordering vordert ook het voortduren van het beslag als niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b lid 1, aanhef en onder 4º, van het Wetboek van Strafrecht in samenhang met artikel 552f Sv.

Bij een conservatoir beslag met toepassing van artikel 94a leden 1, 2 en 3 Sv bestaat het strafvorderlijk belang uit het zekerstellen van een verhaalsmogelijkheid in verband met een later eventueel op te leggen geldboete, ontnemingsmaatregel of schadevergoedingsmaatregel. Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene dat is gericht tegen zo’n beslag, moet de rechter – met het oog op de vraag of het door artikel 94a Sv beschermde belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert – onderzoeken a. of er op het moment van zijn beslissing sprake is van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete kan worden opgelegd van de in het betreffende artikellid genoemde categorie en b. of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter aan de klager, als verdachte of betrokkene, een verplichting tot betaling van een geldboete, ontnemingsmaatregel of schadevergoedingsmaatregel zal opleggen. (Vgl. in enigszins andere bewoordingen HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rechtsoverwegingen 2.7 tot en met 2.9 en 2.14 en HR 19 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:249.)

Aan het hanteren van het hiervoor genoemde criterium dat (zich niet het geval voordoet dat) het hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter – kort gezegd – tot de oplegging van een straf of maatregel zoals onder 2.3.1 genoemd overgaat, ligt ten grondslag dat het onderzoek in raadkamer doorgaans plaatsvindt op een moment dat het onderzoek nog loopt, en dus voordat de strafzaak of de ontnemingszaak inhoudelijk wordt behandeld. Daarbij heeft het onderzoek in raadkamer een summier karakter, waarbij de beoordeling van het beklag plaatsvindt op grond van de informatie die op dat moment voorhanden is over de strafzaak of ontnemingszaak. De rechter die oordeelt over het beklag, kan slechts in zeer beperkte mate vooruitlopen op de beslissingen die zullen worden genomen in de strafzaak of de ontnemingszaak.”

De rechtbank heeft geoordeeld dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, tot een (gedeeltelijke) bewezenverklaring komt van het tenlastegelegde medeplegen van valsheid in geschrift. Vervolgens heeft de rechtbank het beklag deels – dat wil zeggen: voor zover het beslag het bedrag te boven gaat van de maximale geldboete van € 1.550.000 – gegrond verklaard. Daaraan heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat zij het hoogst onwaarschijnlijk acht dat de strafrechter, later oordelend, ten aanzien van de door de klager als commissie genoten inkomsten, tot verbeurdverklaring zal komen of aan de klager de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de officier van justitie zijn stellingen dat [A] de aanbestedingen niet zou hebben verkregen als geen valsheid in geschrift was gepleegd en dat zonder de valse contracten alle inkomsten niet zouden zijn genoten en de klager geen recht had op een percentage daarvan, “hoegenaamd niet” heeft onderbouwd en dat daarvoor ook niet voldoende aanknopingspunten zijn gebleken.

De rechtbank is – mede gelet op wat, zoals is weergegeven onder 2.2.1, het openbaar ministerie naar voren heeft gebracht over de gronden waarop de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt gebaseerd – met de gedeeltelijke gegrondverklaring te ver vooruitgelopen op de mogelijke uitkomst van een nog te voeren strafzaak of ontnemingszaak. Daarmee heeft de rechtbank, gelet op wat onder 2.3 is overwogen, het summiere karakter van het onderzoek in raadkamer miskend.

Het cassatiemiddel slaagt.

3. Beoordeling van het cassatiemiddel dat namens de klager is voorgesteld

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de beschikking van de rechtbank;

- wijst de zaak terug naar de rechtbank Rotterdam, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand