HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/00349 P
Datum 22 september 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 januari 2025, nummer 21-004328-23, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft de advocaat S.F.W. van 't Hullenaar bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat er ‘voldoende aanwijzingen’ zijn dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit hennepteelt voorafgaand aan de in de strafzaak bewezenverklaarde datum.
In de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak is de betrokkene veroordeeld voor – kort gezegd – het op 6 juli 2017 medeplegen van bedrijfsmatige hennepteelt.
In de ontnemingszaak heeft het hof over de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel onder meer overwogen:
“Betrokkene is bij arrest van dit hof van 31 januari 2025 (parketnummer 21-004327-23) ter zake van het medeplegen in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod veroordeeld tot straf.
Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene uit strafbare feiten, ten aanzien waarvan voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door betrokkene zijn begaan, te weten het telen van hennep voorafgaand aan de bewezenverklaarde datum, financieel voordeel heeft genoten.
Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van het voordeel op een bedrag van € 23.069,31. Het hof gaat er daarbij vanuit dat er minimaal één voltooide oogst is geweest en komt als volgt tot deze schatting.
Het hof heeft het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel 4 oktober 2018 als grondslag voor de schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel gehanteerd. De verdediging heeft geen verweer gevoerd tegen deze berekening.
Blijkens dit rapport is ten behoeve van het onderzoek onder andere gebruikgemaakt van het rapport ‘Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht’ van het Functioneel Parket Afpakken (FPA, voorheen BOOM) met normen voor de berekening van wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt.
(...)
Het geschat wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op:
Mededader
[betrokkene 1] heeft bij de politie verklaard dat hij de woning in opdracht van een ander, niet zijnde betrokkene, heeft gehuurd. Het hof gaat ervan uit dat er naast betrokkene en [betrokkene 1] ten minste één andere persoon bij de hennepteelt betrokken is geweest. Nu op basis van het dossier niet is gebleken dat er meer dan één andere persoon betrokken is geweest bij de hennepteelt, zal het hof, na aftrek van € 5.000,- die aan [betrokkene 1] is toegekomen, het wederrechtelijk verkregen voordeel ponds-ponds gewijs toerekenen aan betrokkene en één mededader.
Op grond van het vorenstaande stelt het hof de betalingsverplichting vast op € 24.860,26 (€ 54.720,51 -/- € 5.000,- = € 49.720,51 ÷ 2 = € 24.860,26). Het hof rond dit af op € 24.860.”
De aanvulling op het verkort arrest houdt in:
“Door het hof gebezigde bewijsmiddelen
1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, proces-verbaalnummer PL0600-2017198837-1, afgesloten op 11 januari 2018, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1] . agent van politie Eenheid Oost-Nederland, en [verbalisant 2] , brigadier van politie Eenheid Oost-Nederland, (p. 304-314 van het politiedossier), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten, zakelijk weergegeven:
Naar aanleiding van nummer 2017198837 heb ik een onderzoek ingesteld naar het wederrechtelijk verkregen voordeel van:
Achternaam : [betrokkene]
Voornamen : [...]
Geboren : [geboortedatum] 1983
Ten behoeve van het onderzoek en het opmaken van dit rapport is gebruikgemaakt van gegevens die op navolgende wijze zijn verkregen:
- Het rapport Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht van het Functioneel Parket Afpakken (voorheen BOOM; FPA) van 1 juni 2016, waarin standaardberekeningen en normen voor wederrechtelijk verkregen voordeel van hennepkwekerijen bij binnenteelt onder kunstlicht zijn vermeld.
Vaststelling opbrengst per oogst in de eerste kweekruimte
Aangetroffen planten
In de eerste kweekruimte stonden minimaal 131 hennepplanten.
Per m² stonden er 11 hennepplanten.
Opbrengst hennep per plant
In het rapport van het FPA van 1 juni 2016 is een tabel opgenomen met daarin de opbrengst per hennepplant. De opbrengst aan hennep per plant van de kweekruimte is volgens de tabel minimaal 30 gram.
Opbrengst hennep per oogst
De totale bruto-opbrengst aan hennep per oogst bedraagt:
131 planten x 30 gram = 3.93 kilogram.
Financiële opbrengst per oogst
De daadwerkelijke verkoopprijs van de hennep kon niet worden vastgesteld. Volgens het rapport van het FPA bedraagt dit minimaal € 4.070,00 per kilogram.
De totale bruto-opbrengst per oogst bedraagt minimaal 3,93 kilogram x € 4.070,00 = € 15.995,10.
Vaststelling eerdere oogsten in de kweekruimte
In de hierna vermelde berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt uitgegaan van één eerder gerealiseerde oogst in de eerste kweekruimte. Uitgangspunt hierbij is een gemiddelde kweekcyclus van tien weken per oogst.
Kostenberekening in de kweekruimte
De in mindering te brengen kosten per oogst voor de in dit onderzoek betrokken hennepkwekerij zijn op basis van het rapport van het FPA als volgt:
Vaststelling opbrengst per oogst in de tweede kweekruimte
Aangetroffen planten
In de tweede kweekruimte stonden minimaal 153 hennepplanten.
Per m² stonden veertien hennepplanten.
Opbrengst hennep per plant
In het rapport van het FPA van 1 juni 2016 is een tabel opgenomen met daarin de opbrengst per hennepplant. De opbrengst aan hennep per plant van de kweekruimte is volgens de tabel minimaal 28,6 gram.
Opbrengst hennep per oogst
De totale bruto-opbrengst aan hennep per oogst bedraagt:
153 planten x 28,6 gram = 4,3758 kilogram.
Financiële opbrengst per oogst
De daadwerkelijke verkoopprijs van de hennep kon niet worden vastgesteld.
Volgens het rapport van het FPA bedraagt dit minimaal € 4.070,00 per kilogram.
De totale bruto-opbrengst per oogst bedraagt minimaal 4,3758 kilogram x € 4.070,00 = € 17.809,51.
Vaststelling eerdere oogsten in de kweekruimte
In de hierna vermelde berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt uitgegaan van 1 reeds eerder gerealiseerde oogst in de kweekruimte.
Uitgangspunt hierbij is een gemiddelde kweekcyclus van tien weken per oogst.
Kostenberekening in de kweekruimte
De in mindering te brengen kosten per oogst voor de in dit onderzoek betrokken hennepkwekerij zijn op basis van het rapport van het FPA als volgt:
Vaststelling opbrengst per oogst in de derde kweekruimte
Aangetroffen planten
In de derde kweekruimte stonden minimaal 91 hennepplanten.
Per m² stonden dertien hennepplanten.
Opbrengst hennep per plant
In het rapport van het FPA van 1 juni 2016 is een tabel opgenomen met daarin de opbrengst per hennepplant. De opbrengst aan hennep per plant van de kweekruimte is volgens de tabel minimaal 29,1 gram.
Opbrengst hennep per oogst
De totale bruto-opbrengst aan hennep per oogst bedraagt:
91 planten x 29,1 gram = 2,6481 kilogram.
Financiële opbrengst per oogst
De daadwerkelijke verkoopprijs van de hennep kon niet worden vastgesteld. Volgens het rapport van het FPA bedraagt dit minimaal € 4.070,00 per kilogram.
De totale bruto-opbrengst per oogst bedraagt minimaal 2,6481 kilogram x € 4.070,00 = € 10.777,77.
Vaststelling eerdere oogsten in de kweekruimte
In de hierna vermelde berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt uitgegaan van één eerder gerealiseerde oogst in de kweekruimte. Uitgangspunt hierbij is een gemiddelde kweekcyclus van tien weken per oogst.
Kostenberekening in de kweekruimte
De in mindering te brengen kosten per oogst voor de in dit onderzoek betrokken hennepkwekerij zijn op basis van het rapport van het FPA als volgt:
Vaststelling opbrengst per oogst in de 4e kweekruimte
Aangetroffen planten
In de vierde kweekruimte stonden minimaal 123 hennepplanten. Per m² stonden er dertien hennepplanten.
Opbrengst hennep per plant
In het rapport van het FPA van 1 juni 2016 is een tabel opgenomen met daarin de opbrengst per hennepplant. De opbrengst aan hennep per plant van de kweekruimte is volgens de tabel minimaal 29,1 gram.
Opbrengst hennep per oogst
De totale bruto-opbrengst aan hennep per oogst bedraagt: 123 planten x 29,1 gram = 3,5793 kilogram.
Financiële opbrengst per oogst
De daadwerkelijke verkoopprijs van de hennep kon niet worden vastgesteld. Volgens het rapport van het FPA bedraagt dit minimaal € 4.070,00 per kilogram.
De totale bruto-opbrengst per oogst bedraagt minimaal 3,5793 kilogram x € 4.070,00 = € 14.567,75.
Vaststelling eerdere oogsten in de kweekruimte
In de hierna vermelde berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt uitgegaan van één eerder gerealiseerde oogst in de kweekruimte. Uitgangspunt hierbij is een gemiddelde kweekcyclus van tien weken per oogst.
Kostenberekening in de kweekruimte
De in mindering te brengen kosten per oogst voor de in dit onderzoek betrokken hennepkwekerij zijn op basis van het rapport van het FPA als volgt:
2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte, proces-verbaalnummer PL0600-2020013693-66, afgesloten op 26 september 2017, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 3], aspirant van politie Eenheid Oost-Nederland, en [verbalisant 4], hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland, (p. 434-49 van het politiedossier), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [betrokkene 1] , zakelijk weergegeven:
V: Betreft de vraag van de verbalisant(en).
A: Betreft antwoord/opmerking van de verdachte.
A: Dat pand werd door mij gehuurd.
V: Wat was de bedoeling met de huur van het pand?
A: De jongen waarbij ik die schuld had zei tegen mij: Weet je wat, jij huurt een pand en dan gaat de huur van mijn schuld af.
3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte, proces-verbaalnummer PL0600-2020013693-66, afgesloten op 26 september 2017, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 3], aspirant van politie Eenheid Oost-Nederland, en [verbalisant 4], hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland, (p. 440-448 van het politiedossier), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [betrokkene 1] , zakelijk weergegeven:
V: Betreft de vraag van de verbalisant(en).
A: Betreft antwoord/opmerking van de verdachte.
V: Hoeveel geld zou jij voor de hennepoogst krijgen?
A: Er zou elke oogst 5000 euro van de schuld af gaan.
V: Zegt jou de naam [betrokkene] en (...) jou iets?
A: Ja,(...)
V: Is een van deze twee namen een van de schuldeisers?
A: Nee.”
Het oordeel van de rechter dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene andere strafbare feiten in de zin van artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) heeft begaan, moet binnen het eigen kader voor het bewijs in de ontnemingsprocedure in overeenstemming zijn met de onschuldpresumptie. De in artikel 36e lid 2 Sr bedoelde ‘voldoende aanwijzingen’ mogen daarom niet door de rechter worden aangenomen als niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat andere strafbare feiten door de betrokkene zijn begaan. Ook moet de betrokkene de gelegenheid hebben aan te (doen) voeren dat en waarom er niet voldoende aanwijzingen bestaan dat andere feiten door hem zijn begaan. (Vgl. HR 29 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1523.)
Er is geen wettelijke bepaling die voorschrijft dat de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de bewijsmiddelen moet vermelden waarop de vaststelling berust dat andere strafbare feiten, als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr, door de betrokkene zijn begaan. Dat doet er niet aan af dat uit de uitspraak moet blijken aan welke feiten en omstandigheden de rechter voldoende aanwijzingen heeft ontleend dat de betrokkene een ander strafbaar feit of andere strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr heeft begaan. (Vgl. HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1498.)
Het hof heeft geoordeeld dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene, naast het in de strafzaak bewezenverklaarde feit (kort gezegd: het medeplegen van bedrijfsmatige hennepteelt op 6 juli 2017) andere strafbare feiten heeft begaan, te weten (het medeplegen van) het telen van hennep in de periode die daaraan voorafging. Voldoende aanwijzingen voor het oordeel van het hof dat de betrokkene al minimaal één eerdere hennepoogst heeft gehad, kunnen echter niet zonder meer worden afgeleid uit de door het hof in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, zoals onder 2.2.2 en 2.2.3 weergegeven. Gelet hierop is het oordeel van het hof ontoereikend gemotiveerd.
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 september 2026.