Nummer 25/00349 P
Zitting 18 augustus 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de betrokkene.
Inleiding
1. Bij arrest van 31 januari 2025 (parketnummer 21-004328-23) heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, het door de betrokkene verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 24.860 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat. De duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd heeft het hof bepaald op 497 dagen.
2. Er bestaat samenhang met de strafzaak tegen de betrokkene (25/00350). In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat in Arnhem, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
De strafzaak en de ontnemingszaak
4. Deze ontnemingszaak is het vervolg op de strafzaak waarin het hof de betrokkene bij arrest van 31 januari 2025 (parketnummer 21-004327-23) heeft veroordeeld wegens het – kort gezegd – medeplegen van het telen van hennep op 6 juli 2017. In de ontnemingszaak heeft het hof geoordeeld dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit het telen van hennep voorafgaand aan de in de strafzaak bewezen verklaarde datum.
Het middel
5. Het middel is gericht tegen het oordeel dat ‘voldoende aanwijzingen’ bestaan dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit het telen van hennep voorafgaand aan de in de strafzaak bewezen verklaarde datum van 6 juli 2017. Dat zou ontoereikend gemotiveerd zijn.
De processtukken
6. Het bestreden arrest houdt onder meer in:
“De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Betrokkene is bij arrest van dit hof van 31 januari 2025 (parketnummer 21-004327-23) ter zake van het medeplegen in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod veroordeeld tot straf.
Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene uit strafbare feiten, ten aanzien waarvan voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door betrokkene zijn begaan, te weten het telen van hennep voorafgaand aan de bewezenverklaarde datum, financieel voordeel heeft genoten.
Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van het voordeel op een bedrag van € 23.069,31. Het hof gaat er daarbij vanuit dat er minimaal één voltooide oogst is geweest (…).
(…)
Het geschat wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op:
bruto-opbrengst € 59.150,13
kosten € 4.429,62 -/-
voordeel € 54.720,51.
Mededader
[betrokkene 1] heeft bij de politie verklaard dat hij de woning in opdracht van een ander, niet zijnde betrokkene, heeft gehuurd. Het hof gaat ervan uit dat er naast betrokkene en [betrokkene 1] ten minste één andere persoon bij de hennepteelt betrokken is geweest. Nu op basis van het dossier niet is gebleken dat er meer dan één andere persoon betrokken is geweest bij de hennepteelt, zal het hof, na aftrek van € 5.000,- die aan [betrokkene 1] is toegekomen, het wederrechtelijk verkregen voordeel pondspondsgewijs toerekenen aan betrokkene en één mededader.
Op grond van het vorenstaande stelt het hof de betalingsverplichting vast op € 24.860,26 (€ 54.720,51 -/- € 5.000,- = € 49.720,51 ÷ 2 = € 24.860,26). Het hof rond dit af op € 24.860.”
7. In de aanvulling op het arrest is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“Door het hof gebezigde bewijsmiddelen
1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, proces-verbaalnummer PL0600-2017198837-1, afgesloten op 11 januari 2018, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1] , agent van politie Eenheid Oost-Nederland, en [verbalisant 2] , brigadier van politie Eenheid Oost-Nederland, (p. 304-314 van het politiedossier), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten, zakelijk weergegeven:
Naar aanleiding van nummer 2017198837 heb ik een onderzoek ingesteld naar het wederrechtelijk verkregen voordeel van:
Achternaam : [betrokkene]
Voornamen : [betrokkene]
Geboren : [geboortedatum] 1983
Ten behoeve van het onderzoek en het opmaken van dit rapport is gebruikgemaakt van gegevens die op navolgende wijze zijn verkregen:
- Het rapport Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht van het Functioneel Parket Afpakken (voorheen BOOM; FPA) van 1 juni 2016, waarin standaardberekeningen en normen voor wederrechtelijk verkregen voordeel van hennepkwekerijen bij binnenteelt onder kunstlicht zijn vermeld.
Vaststelling opbrengst per oogst in de eerste kweekruimte
Aangetroffen planten
In de eerste kweekruimte stonden minimaal 131 hennepplanten.
Per m² stonden er 11 hennepplanten.
Opbrengst hennep per plant
In het rapport van het FPA van 1 juni 2016 is een tabel opgenomen met daarin de opbrengst per hennepplant. De opbrengst aan hennep per plant van de kweekruimte is volgens de tabel minimaal 30 gram.
Opbrengst hennep per oogst
De totale bruto-opbrengst aan hennep per oogst bedraagt: 131 planten x 30 gram = 3.93 kilogram.
Financiële opbrengst per oogst
De daadwerkelijke verkoopprijs van de hennep kon niet worden vastgesteld. Volgens het rapport van het FPA bedraagt dit minimaal € 4.070,00 per kilogram.
De totale bruto-opbrengst per oogst bedraagt minimaal 3,93 kilogram x € 4.070,00 = € 15.995,10.
Vaststelling eerdere oogsten in de kweekruimte
In de hierna vermelde berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt uitgegaan van één eerder gerealiseerde oogst in de eerste kweekruimte. Uitgangspunt hierbij is een gemiddelde kweekcyclus van tien weken per oogst.
Kostenberekening in de kweekruimte
De in mindering te brengen kosten per oogst voor de in dit onderzoek betrokken hennepkwekerij zijn op basis van het rapport van het FPA als volgt:
Afschrijvingskosten : EUR 150,00
Hennepstekken : EUR 499,11
Variabele kosten : EUR 508,28
Elektriciteitskosten : EUR 0,00
Kosten knippers : EUR 0,00
Huisvestingskosten : EUR 0,00
Totaal aan kosten : EUR 1.159,39
Vaststelling opbrengst per oogst in de tweede kweekruimte
Aangetroffen planten
In de tweede kweekruimte stonden minimaal 153 hennepplanten.
Per m² stonden veertien hennepplanten.
Opbrengst hennep per plant
In het rapport van het FPA van 1 juni 2016 is een tabel opgenomen met daarin de opbrengst per hennepplant. De opbrengst aan hennep per plant van de kweekruimte is volgens de tabel minimaal 28,6 gram.
Opbrengst hennep per oogst
De totale bruto-opbrengst aan hennep per oogst bedraagt:
153 planten x 28,6 gram = 4,3758 kilogram.
Financiële opbrengst per oogst
De daadwerkelijke verkoopprijs van de hennep kon niet worden vastgesteld. Volgens het rapport van het FPA bedraagt dit minimaal € 4.070,00 per kilogram.
De totale bruto-opbrengst per oogst bedraagt minimaal 4,3758 kilogram x € 4.070,00 = € 17.809,51.
Vaststelling eerdere oogsten in de kweekruimte
In de hierna vermelde berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt uitgegaan van 1 reeds eerder gerealiseerde oogst in de kweekruimte. Uitgangspunt hierbij is een gemiddelde kweekcyclus van tien weken per oogst.
Kostenberekening in de kweekruimte
De in mindering te brengen kosten per oogst voor de in dit onderzoek betrokken hennepkwekerij zijn op basis van het rapport van het FPA als volgt:
Afschrijvingskosten : EUR 150,00
Hennepstekken : EUR 582,93
Variabele kosten : EUR 593,64
Elektriciteitskosten : EUR 0,00
Kosten knippers : EUR 0,00
Huisvestingskosten : EUR 0,00
Totaal aan kosten : EUR 1.326,57
Vaststelling opbrengst per oogst in de derde kweekruimte
Aangetroffen planten
In de derde kweekruimte stonden minimaal 91 hennepplanten.
Per m² stonden dertien hennepplanten.
Opbrengst hennep per plant
In het rapport van het FPA van 1 juni 2016 is een tabel opgenomen met daarin de opbrengst per hennepplant. De opbrengst aan hennep per plant van de kweekruimte is volgens de tabel minimaal 29,1 gram.
Opbrengst hennep per oogst
De totale bruto-opbrengst aan hennep per oogst bedraagt:
91 planten x 29,1 gram = 2,6481 kilogram.
Financiële opbrengst per oogst
De daadwerkelijke verkoopprijs van de hennep kon niet worden vastgesteld.
Volgens het rapport van het FPA bedraagt dit minimaal € 4.070,00 per kilogram.
De totale bruto-opbrengst per oogst bedraagt minimaal 2,6481 kilogram x € 4.070,00 = € 10.777,77.
Vaststelling eerdere oogsten in de kweekruimte
In de hierna vermelde berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt uitgegaan van één eerder gerealiseerde oogst in de kweekruimte. Uitgangspunt hierbij is een gemiddelde kweekcyclus van tien weken per oogst.
Kostenberekening in de kweekruimte
De in mindering te brengen kosten per oogst voor de in dit onderzoek betrokken hennepkwekerij zijn op basis van het rapport van het FPA als volgt:
Afschrijvingskosten : EUR 150,00
Hennepstekken : EUR 346,71
Variabele kosten : EUR 353,08
Elektriciteitskosten : EUR 0,00
Kosten knippers : EUR 0,00
Huisvestingskosten : EUR 0,00
Totaal aan kosten : EUR 849,79
Vaststelling opbrengst per oogst in de 4e kweekruimte
Aangetroffen planten
In de vierde kweekruimte stonden minimaal 123 hennepplanten. Per m² stonden er dertien hennepplanten.
Opbrengst hennep per plant
In het rapport van het FPA van 1 juni 2016 is een tabel opgenomen met daarin de opbrengst per hennepplant. De opbrengst aan hennep per plant van de kweekruimte is volgens de tabel minimaal 29,1 gram.
Opbrengst hennep per oogst
De totale bruto-opbrengst aan hennep per oogst bedraagt: 123 planten x 29,1 gram = 3,5793 kilogram.
Financiële opbrengst per oogst
De daadwerkelijke verkoopprijs van de hennep kon niet worden vastgesteld.
Volgens het rapport van het FPA bedraagt dit minimaal € 4.070,00 per kilogram.
De totale bruto-opbrengst per oogst bedraagt minimaal 3,5793 kilogram x € 4.070,00 = € 14.567,75.
Vaststelling eerdere oogsten in de kweekruimte
In de hierna vermelde berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt uitgegaan van één eerder gerealiseerde oogst in de kweekruimte. Uitgangspunt hierbij is een gemiddelde kweekcyclus van tien weken per oogst.
Kostenberekening in de kweekruimte
De in mindering te brengen kosten per oogst voor de in dit onderzoek betrokken hennepkwekerij zijn op basis van het rapport van het FPA als volgt:
Afschrijvingskosten : EUR 150,00
Hennepstekken : EUR 468,63
Variabele kosten : EUR 477,24
Elektriciteitskosten : EUR 0,00
Kosten knippers : EUR 0,00
Huisvestingskosten : EUR 0,00
Totaal aan kosten : EUR 1.095,87
2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte, proces-verbaalnummer PL0600-2020013693-66, afgesloten op 26 september 2017, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 3] , aspirant van politie Eenheid Oost-Nederland, en [verbalisant 4] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland, (p. 434-49 van het politiedossier), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [betrokkene 1] , zakelijk weergegeven :
V: Betreft de vraag van de verbalisant(en).
A: Betreft antwoord/opmerking van de verdachte.
A: Dat pand werd door mij gehuurd.
V: Wat was de bedoeling met de huur van het pand?
A: De jongen waarbij ik die schuld had zei tegen mij: Weet je wat, jij huurt een pand en dan gaat de huur van mijn schuld af.
3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte, proces-verbaalnummer PL0600-2020013693-66, afgesloten op 26 september 2017, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 3] , aspirant van politie Eenheid Oost-Nederland, en [verbalisant 4] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland, (p. 440-448 van het politiedossier), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [betrokkene 1] , zakelijk weergegeven:
V: Betreft de vraag van de verbalisant(en).
A: Betreft antwoord/opmerking van de verdachte.
V: Hoeveel geld zou jij voor de hennepoogst krijgen?
A: Er zou elke oogst 5000 euro van de schuld af gaan.
V: Zegt jou de naam [betrokkene] en (...) jou iets?
A: Ja,(...)
V: Is een van deze twee namen een van de schuldeisers?
A: Nee.”
De bespreking van het middel
8. De Hoge Raad heeft overwogen in HR 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:214, wat een herhaling van eerdere rechtspraak betreft:
“2.3.1. Het oordeel van de rechter dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene andere strafbare feiten in de zin van artikel 36e lid 2 Sr heeft begaan, moet binnen het eigen kader voor het bewijs in de ontnemingsprocedure in overeenstemming zijn met de onschuldpresumptie. De in artikel 36e lid 2 Sr bedoelde ‘voldoende aanwijzingen’ mogen daarom niet door de rechter worden aangenomen als niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat andere strafbare feiten door de betrokkene zijn begaan. Ook moet de betrokkene de gelegenheid hebben aan te (doen) voeren dat en waarom er niet voldoende aanwijzingen bestaan dat andere feiten door hem zijn begaan. (Vgl. HR 29 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1523.)
2.3.2. Er is geen wettelijke bepaling die voorschrijft dat de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de bewijsmiddelen moet vermelden waarop de vaststelling berust dat andere strafbare feiten, als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr, door de betrokkene zijn begaan. Dat doet er niet aan af dat uit de uitspraak moet blijken aan welke feiten en omstandigheden de rechter voldoende aanwijzingen heeft ontleend dat de betrokkene een ander strafbaar feit of andere strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr heeft begaan. (Vgl. HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1498.)”
9. Blijkens de onder randnummer 6 geciteerde overwegingen heeft het hof de oplegging van de ontnemingsmaatregel geënt op de tweede in artikel 36e lid 2 Sr vermelde toepassingsgrond, te weten dat de betrokkene voordeel heeft verkregen door het begaan van andere feiten dan het feit waarvoor hij in de strafzaak is veroordeeld. Het hof heeft geoordeeld dat voor die andere feiten, het telen van hennep voorafgaand aan de in de strafzaak bewezen verklaarde datum, voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan.
10. Uit de vooropstelling onder randnummer 8 volgt dat in een dergelijk geval uit de uitspraak moet blijken aan welke feiten en omstandigheden de voldoende aanwijzingen zijn ontleend dat de betrokkene die andere feiten heeft begaan. In dat verband houdt het bestreden arrest enkel in dát voldoende aanwijzingen in vorenbedoelde zin bestaan en dat wordt uitgegaan van “minimaal één voltooide oogst”, terwijl onduidelijk is waarop een en ander is gebaseerd. Bovendien zien de in de aanvulling op het arrest opgenomen bewijsmiddelen – conform artikel 511f Sv – op de vaststelling van de omvang van het financiële voordeel dat met een eerdere hennepoogst zou zijn verkregen. Die bewijsmiddelen kunnen niet het oordeel dragen dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan het telen van hennep voorafgaand aan de in de strafzaak bewezen verklaarde datum. Dat [betrokkene 1] , de huurder van de woning waarin de hennepkwekerij is aangetroffen, bevestigend heeft geantwoord op de vraag of de naam van de betrokkene hem iets zegt, is daarvoor ontoereikend.
Slotsom
11. Het middel slaagt.
12. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG