HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/04205
Datum 22 september 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 oktober 2014, nummer 21-007055-13, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat D. Greven bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat het namens de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingesteld.
De stukken houden het volgende in over het procesverloop in eerste aanleg. De verdachte is gedagvaard voor de terechtzitting van de politierechter op 1 november 2001. Het onderzoek op die terechtzitting is door de politierechter voor onbepaalde tijd geschorst. Vervolgens heeft een terechtzitting plaatsgevonden op 7 maart 2002, waar het onderzoek opnieuw voor onbepaalde tijd is geschorst. De politierechter heeft op 23 mei 2002 uitspraak gedaan. Daarbij is volstaan met een aantekening mondeling vonnis als bedoeld in artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering, die inhoudt dat het vonnis bij verstek is gewezen. Namens de verdachte is op 23 augustus 2013 hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.
Het hof heeft het namens de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en daartoe overwogen:
“Blijkens de akte van uitreiking is de oproeping van verdachte voor de zitting van de politierechter op 23 mei 2002 in persoon aan hem uitgereikt. Verdachte kon volgens de wet gedurende veertien dagen na de uitspraak van het vonnis daartegen hoger beroep instellen. Het hoger beroep is pas na het verstrijken van die termijn ingesteld. Daarom zal verdachte niet ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.”
Het hof heeft geoordeeld dat het hoger beroep binnen veertien dagen na de einduitspraak in eerste aanleg had moeten worden ingesteld, nu de oproeping van de verdachte voor de terechtzitting van de politierechter van 23 mei 2002 volgens de akte van uitreiking in persoon aan hem is uitgereikt. Die akte van uitreiking bevindt zich niet bij de stukken. Volgens een brief van een medewerker van het hof van 14 juli 2025 maken de betekeningsstukken met betrekking tot deze oproeping geen deel (meer) uit van het dossier. De Hoge Raad kan daardoor niet nagaan of de oproeping voor de terechtzitting van 23 mei 2002 in persoon aan de verdachte is uitgereikt. Ook anderszins kan uit de stukken niet worden afgeleid dat het hoger beroep te laat is ingesteld.
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 september 2026.