Nummer24/04205
Zitting 1 september 2026
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de verdachte
‘Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Blijkens de akte van uitreiking is de oproeping van verdachte voor de zitting van de politierechter op 23 mei 2002 in persoon aan hem uitgereikt. Verdachte kon volgens de wet gedurende veertien dagen na de uitspraak van het vonnis daartegen hoger beroep instellen. Het hoger beroep is pas na het verstrijken van die termijn ingesteld. Daarom zal verdachte: niet ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.’
7. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, gehouden op 7 oktober 2014, houdt onder meer het volgende in:
‘De verdachte genaamd:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,
is niet verschenen.
De oudste raadsheer deelt mede, zakelijk weergegeven:
De dagvaarding van verdachte in hoger beroep kon niet aan hem worden uitgereikt op het adres [a-straat 1] te [geboorteplaats] . De dagvaarding is niet afgehaald op het postkantoor, retour gezonden naar de afzender, ter griffie betekend en per gewone brief verzonden naar voormeld adres. De brief is teruggestuurd met de mededeling dat verdachte daar al zeven jaar niet meer woont. Op voormeld adres stond verdachte ingeschreven in de gemeentelijke basis administratie vanaf 16 januari 2002 tot 28 mei 2002. Vanaf 28 mei 2002 is de woon- of verblijfplaats van verdachte onbekend. Volgens de appelakte d.d. 23 augustus 2013 verbleef verdachte op dat moment in P.I. […] te [plaats] . Hij is niet meer gedetineerd volgens SKSB-gegevens d.d. 23 september 2014. De dagvaarding van verdachte in hoger beroep is correct betekend.
Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.
De advocaat-generaal vordert dat verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn hoger beroep, nu dit niet tijdig is ingesteld.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van heden.
De voorzitter spreekt het arrest uit.’
8. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg gehouden op 1 november 2001 houdt het volgende in:
‘Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de politierechter in bovengenoemde arrondissementsrechtbank op 1 november 2001.
Tegenwoordig: mr. [betrokkene 1] , politierechter,
mr. [betrokkene 2] , officier van justitie
en [betrokkene 3] , griffier
De politierechter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.
De verdachte, genaamd:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] , op [geboortedatum] 1963,
wonende te [geboorteplaats] , [b-straat 1] ,
is niet verschenen.
Op vordering van de officier van justitie verleent de politierechter verstek tegen de niet verschenen verdachte.
Wel is de benadeelde partij verschenen, te weten [benadeelde] .
De politierechter, gehoord de officier van justitie, schorst het onderzoek tot een, in overleg met de officier van justitie, nader te bepalen tijdstip,
zulks n.a.v. het telefonische verzoek van verdachte om aanhouding wegens rugklachten,
met bevel tot oproeping van verdachte tegen de nadere terechtzitting,
met verzoek tot kennisgeving van die zitting aan de benadeelde partij, voornoemd.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de politierechter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.’
9. De aantekening mondeling vonnis houdt onder meer het volgende in:
‘Uitspraak van de politierechter mr. [betrokkene 4] van 23 mei 2002, in de zaak tegen de verdachte:
naam : [verdachte]
voornamen : [verdachte]
geboren op : [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats]
adres : [a-straat 1]
plaats : [postcode] [geboorteplaats]
Verstek, na aanhouding niet verschenen
KWALIFICATIE:
primair
Poging tot zware mishandeling;’
10. Op 20 december 2024 heeft D. Greven zich gesteld namens de verdachte. Op 7 april 2025 heeft D. Greven het volgende verzoek aan de Hoge Raad gericht:
‘Edelhoogachtbare,
In de zaak met nummer S24/04205 verzoek ik U mij aanvullende stukken toe te zenden, te weten de betekeningsstukken met betrekking tot de oproeping voor de politierechterzitting op 23 mei 2002.
Bij voorbaat dank.’
11. Tot de stukken van het geding behoort voorts een bericht van 14 juli 2025 aan de Hoge Raad der Nederlanden, ondertekend door een medewerker van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, dat het volgende inhoudt:
‘Op 7 en 17 april 2025 heeft u in de bovenstaande zaak de betekeningsstukken met betrekking tot de oproeping voor de politierechter zitting op 23 mei 2002 opgevraagd. Hierbij deel ik mee dat die stukken geen onderdeel (meer) uitmaken van het dossier.’
12. Uit deze brief kan worden afgeleid dat de betekeningsstukken met betrekking tot de oproeping voor de zitting van de politierechter op 23 mei 2002 geen onderdeel (meer) uitmaken van het dossier. Langs andere weg valt ook niet na te gaan of de oproeping in persoon is betekend. Van een aanhouding voor bepaalde tijd was op de zitting van 1 november 2001 voorts geen sprake; het tijdstip waarop de zitting zou worden hervat diende nog nader te worden bepaald.
12. Dat de betekeningsstukken van de oproeping voor de zitting van de politierechter op 23 mei 2002 niet meer beschikbaar zijn, brengt mee dat de bestreden uitspraak in cassatie niet kan worden getoetst. Zij kan daarom niet in stand blijven.
14. Het middel slaagt.
14. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG