ECLI:NL:HR:2026:1543

ECLI:NL:HR:2026:1543

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 29-09-2026
Datum publicatie 24-09-2026
Zaaknummer 24/04451
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHARL:2024:8088
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2026:775

Samenvatting

Poging tot zware mishandeling door medegedetineerde met aardappelschilmesje in buik te steken, art. 302.1 jo. 45.1 Sr. Noodweer, proportionaliteitseis (art. 41.1 Sr). Kon hof gelet op ontkennende houding van verdachte niet aannemelijk achten dat handelen van verdachte proportioneel was? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2016:456 m.b.t. proportionaliteitseis bij noodweer. Hof heeft beroep op noodweer verworpen omdat het niet aannemelijk heeft geacht dat handelen van verdachte proportioneel was, “nu verdachte ontkent te hebben gestoken - en daarmee niet duidelijk is geworden in welke situatie hij zich bevond en waarom hij genoodzaakt was om te steken”. Volgens hof is onvoldoende inzicht gegeven in feitelijk verloop van aanranding om proportionaliteit van handelen van verdachte aannemelijk te kunnen achten. ’s Hofs oordeel is in het licht van wat is vooropgesteld niet zonder meer begrijpelijk, gelet op wat hof heeft vastgesteld over feitelijke gang van zaken (waarbij aangever cel binnenkwam waarin verdachte zich bevond, deur achter zich dichttrok, verdachte in hoek van cel dreef en op hem begon in te slaan) en daardoor ontstane noodweersituatie waarin verdachte zich bevond, toen hij aangever door hem met aardappelschilmesje in buik te steken letsel heeft toegebracht zoals beschreven in letselbeschrijving. Daarbij is ook van belang dat hof niet kenbaar in zijn oordeel heeft betrokken wat door verdediging is aangevoerd, dat erop neerkomt dat verdachte in paniek was en fysiek niet was opgewassen tegen aangever die “al zo’n 3 à 4 jaar vecht in de ring”. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/04451

Datum 29 september 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 december 2024, nummer 21-004570-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat deze op het bestaande beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping door het hof van het beroep op noodweer. Het klaagt in het bijzonder over het oordeel dat niet is voldaan aan de proportionaliteitseis.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 27 april 2019 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [benadeelde] met een mes in de buik heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:

“3. Een ander geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid onder 5, tot het bewijs gebezigde e-mailbericht (...), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

als relaas van [getuige 2] :

Tijdens mijn nachtdienst belde [getuige 1] aan via de intercom en wilde graag de nacht PIW’er spreken. Hij gaf aan nog steeds erg onder de indruk te zijn van wat er vanmiddag 27 april 2019 in zijn cel is gebeurd.

Volgens [getuige 1] ging het als volgt: De deur van zijn cel stond open en gedetineerde [verdachte] kwam zijn cel binnenlopen en begon een gesprek. Vervolgens kwam gedetineerde [benadeelde] ook de cel binnen en trok de deur achter zich dicht. [getuige 1] vond dit al vreemd en zag dat [benadeelde] meteen op [verdachte] af liep, en op hem in begon te slaan. In deze vechtpartij heeft gedetineerde [verdachte] gedetineerde [benadeelde] in de buik gestoken.

(...)

6. Een ander geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid onder 5, tot het bewijs gebezigde forensisch geneeskundige verklaring (...), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

als relaas van arts:

Forensisch Geneeskundige Letselbeschrijving.

Op 01-05-2019 door NVO en JvZ waargenomen: op de bovenbuik, circa 6.0 cm boven de navel en circa 1.5 cm rechts van de middellijn van het lichaam, bevindt zich een horizontale huidonderbreking van circa 1.6 cm lang.

Dit letsel wordt uitwendig genoemd. Het letsel loopt door de huid en het onderhuidse weefsel tot aan (maar niet door) de fascie (een fascie is een vlies dat om een spier, bot, pees, gewricht of lichaamsholte heen ligt). De onderliggende spieren en buikholte zijn dus niet aangedaan.

Betrokkene geeft aan door verdachte in zijn buik gestoken te zijn met een aardappelschilmesje, terwijl betrokkene en verdachte beiden stonden.

Mate van overeenkomst tussen opgegeven toedracht en verwonding: geheel overeenkomstig.

Forensisch geneeskundige bewijswaarde: hard.”

Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte daar onder meer verklaard:

“Op vragen van de voorzitter antwoordt de verdachte als volgt:

Ik blijf bij mijn eerdere verklaring.

Het is lang geleden, dus details weet ik niet meer. Ik weet nog wel dat ik bij twee jongens op de cel zat toen [benadeelde] binnenkwam. [benadeelde] begon mij direct te slaan. Ik moest mezelf verdedigen. Ik ben in mijn leven nog nooit zo angstig geweest. Ik deed er alles aan om uit die cel te komen. Ik was in paniek. Ik zat daar vast, want ik kon via het raam niet wegkomen. Ik zag zwart voor mijn ogen. Ik bleef slaan, omdat ik zo erg was geschrokken. Tijdens het gevecht was ik enkel gefocust op hem. Of iemand anders iets bij hem deed op dat moment, weet ik niet.

Ik heb gezien dat [benadeelde] een wond had. Ik weet niet hoe hij hier aan kwam. Ik weet wel zeker dat ik hem niet heb gestoken. Ik weet niet of iemand anders hem gestoken heeft.

In detentie koken we samen. De een haalt het mesje op, maar er is onderling vertrouwen. Meerdere mensen gebruiken datzelfde mesje. De een kookt en de ander wast bijvoorbeeld af. Op die manier kook je samen. Het mesje kan dus bij iemand anders belanden. [benadeelde] is niet gestoken door dat ene aardappelschilmesje. Het komt op mij over alsof u zegt dat ik hem heb gestoken met dat mesje. U voorzitter zegt mij dat [benadeelde] is gestoken en dat het vermoeden bestaat dat dit is gebeurd met het aardappelschilmesje. Zoals u zelf zegt, het is een vermoeden. Er zijn veel mesjes die worden uitgedeeld op de afdeling.

Ik weet niet meer wat voor een letsel ik had destijds.

Op vragen van de jongste raadsheer antwoordt de verdachte als volgt:

Ik had geen aardappelschilmesje bij mij in de cel. Ik heb ook geen mesje zien liggen. Ik heb het mesje niet aangeraakt, niet gezien en niet gebruikt in de cel. Het is allemaal lang geleden. Ik werd aangevallen en hard geslagen. Ik zat in een benarde situatie. Het voelde als een aanval op mijn leven. Ik begreep de situatie niet. Dus ik deed er alles aan om uit die cel te komen.

Volgens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:

“Strafbaarheid

(...)

48. Uit het dossier en de behandeling ter terechtzitting is vast komen te staan dat aangever de cel waarin cliënt zich bevond, binnenliep, de deur achter zich dicht sloeg, op cliënt is afgelopen in de cel en hem aanviel. Cliënt werd door de handelingen van aangever letterlijk in de hoek gedreven. Hiermee was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

49. Cliënt heeft zichzelf vervolgens noodzakelijkerwijs moeten verdedigen tegen deze ogenblikkelijke aanranding.

50. In dit kader is de vraag relevant of cliënt zich had kunnen en had moeten onttrekken. Volgens de verdediging niet. Uit de verklaringen van zowel cliënt als getuige [getuige 1] volgt dat het aangever is geweest die de confrontatie met cliënt heeft opgezocht. Gelet op die situatie, waarin cliënt uit het niets door aangever is aangevallen, kon en mocht van cliënt niet worden gevergd dat hij zich aan deze aanval zou onttrekken. De ruimte waar het incident is voorgevallen was beperkt. Daar komt bij dat aangever door de deur is binnengekomen, waardoor de enige uitgang werd afgeschermd door aangever. Dit blijkt ook uit de foto's welke zijn toegevoegd aan het dossier. Een reële mogelijkheid om zich te onttrekken aan de situatie heeft dus niet bestaan. Aan de subsidiariteitstest is dan ook voldaan.

51. De volgende vraag is of de wijze van verdediging in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop dit is gebruikt staan hierbij centraal. De verdediging realiseert zich dat – indien u komt tot een bewezenverklaring – er sprake is van verdediging met een mes, terwijl aangever cliënt met zijn vuisten heeft geslagen.

52. In eerste instantie zou men kunnen denken dat dit niet in verhouding staat tot elkaar. Echter, de wijze waarop dit is gebeurd is van belang.

53. Cliënt was niet opgewassen tegen aangever. Zo heeft aangever zelf verklaard dat cliënt kleiner is en dat aangever al zo’n 3 à 4 jaar vecht in de ring. Daar komt bij dat aangever de confrontatie heeft opgezocht en cliënt direct meerdere malen met de vuist heeft geslagen, waarbij cliënt geen kant op kon.

54. Ter verdediging heeft cliënt 1 afwerende beweging gemaakt waarbij (in dat geval) een oppervlakkerige huidwond is ontstaan. De verdediging merkt volledigheidshalve op dat er niet meerdere malen met het mes een beweging is gemaakt en dat er niet met het mes op aangever is ingestoken waarbij er een diepe steekwond is ontstaan. Het letsel betreft een oppervlakkige snijwond.

55. Als conclusie geldt dat wel degelijk aan het proportionaliteitsbeginsel is voldaan.

56. De verdediging van eigen of andermans lichaam is geoorloofd in geval van noodweer, ook als er nog geen levensbedreigende situatie is ontstaan. Het is vaste jurisprudentie dat een zwakkere (persoon) extra middelen mag inzetten tegen een grotere c.q. de sterkere (persoon). Bij een beroep op noodweer moet ook rekening worden gehouden met de kracht van de aanrander en de capaciteiten en kracht van de verdediger, en ook dat men naar een zwaarder middel mag grijpen als het zich laat aanzien dat men het anders af zal leggen.

57. Als cliënt aangever terug zou hebben geslagen, dan zou dat louter hebben geresulteerd in een groter pak slaag; de kans was groot dat het geweld zich in dat geval zou voortzetten. Het is namelijk nog maar de vraag of dat wel effectief zou zijn geweest. Client moest (in dat geval) wel grijpen naar een (ogenschijnlijk) zwaarder middel. Het arrest van de HR is hierbij ook lezenswaardig.”

Het hof heeft het beroep op noodweer als volgt samengevat en verworpen:

“Strafbaarheid van het feit en de verdachte

Standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Daartoe heeft de verdediging de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd. Aangever kwam agressief op verdachte af, verdachte werd aangevallen door aangever en hij kon geen kant op nu hij in de hoek van de cel werd gedreven. Verdachte kon niet anders dan zich daartegen verdedigen. Voor wat betreft de vereiste proportionaliteit heeft de raadsman aangedragen dat aangever groter en sterker is dan verdachte en bovendien jarenlange vechtervaring heeft, in welk geval verdachte moest grijpen naar een ogenschijnlijk zwaarder middel, en hem om die reden een beroep op noodweer toekomt.

(...)

Oordeel van het hof

Het hof stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer vereist is dat het feit is geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. In de eis dat de gedraging is geboden door de noodzakelijke verdediging, ligt besloten dat de verdedigingshandeling moet voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Uit het dossier en de behandeling ter terechtzitting is komen vast te staan dat aangever de cel waarin verdachte zich bevond, binnen liep, de deur achter zich dicht sloeg, op verdachte is afgelopen in de cel en dat verdachte in een hoek van de cel werd gedreven. Naar het oordeel van het hof kan dit handelen van aangever worden aangemerkt als een (dreigende) ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachte.

Het hof is van oordeel dat het voor verdachte noodzakelijk was om zich tegen de aanranding te verdedigen. Gelet op de situatie waarin verdachte ineens in een cel door aangever werd aangevallen, kon en mocht van verdachte niet worden gevergd dat hij zich aan de aanval zou onttrekken. Verdachte had gelet op die situatie immers daartoe niet de mogelijkheid. Er bestond voor verdachte een noodzaak tot verdediging en er is daarom sprake van een noodweersituatie.

Echter, naar het oordeel van het hof is onvoldoende inzicht gegeven in het feitelijke verloop van de aanranding om proportionaliteit van het handelen van verdachte aannemelijk te kunnen achten. Het hof onderschrijft dat het gebruik van een mes bij de vechtpartij niet zonder meer hoeft te betekenen dat het handelen disproportioneel was, maar dan moet wel aannemelijk worden gemaakt dat verdachte in een situatie zat waarin hij geen andere mogelijkheid had om zich te verweren dan door met een mes aangever te steken. Nu verdachte ontkent te hebben gestoken – en daarmee niet duidelijk is geworden in welke situatie hij zich bevond en waarom hij genoodzaakt was om te steken – acht het hof niet aannemelijk dat het handelen van verdachte proportioneel was.

Nu niet is voldaan aan de eis van proportionaliteit kan het noodweerverweer niet slagen. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is ook anderszins niet aannemelijk geworden.

Het primair bewezenverklaarde feit is strafbaar.”

Als door of namens de verdachte een beroep op noodweer, noodweerexces of putatieve noodweer is gedaan, moet de rechter een gemotiveerde beslissing geven op dat verweer. Dan zal hij moeten onderzoeken of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer is voldaan. In dat verband kan betekenis toekomen aan de inhoud en indringendheid van de door of namens de verdachte aangevoerde argumenten, al behoeft de omstandigheid dat een verdachte de hem tenlastegelegde gedraging ontkent, niet zonder meer aan het slagen van een subsidiair gedaan beroep op noodweer(exces) in de weg te staan.Bij de beoordeling van het beroep kunnen nauwkeurige en consistente feitelijke vaststellingen van belang zijn, waarbij de rechter de last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag niet uitsluitend op de verdachte mag leggen.Als de rechter het beroep verwerpt, moet hij duidelijk maken of hij de door of namens de verdachte aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden acht, dan wel of die toedracht het beroep niet kan doen slagen. De proportionaliteitseis bij noodweer strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn als zij – als verdedigingsmiddel – niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De in dat verband geldende – tot een terughoudende beoordeling aanzettende – maatstaf luidt of de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de manier waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal. Zo staat in beginsel het met kracht toebrengen van een diepe, potentieel dodelijke steekwond niet in verhouding met een aanval die bestaat uit het slaan met de blote handen of een vuist. (Vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456.)

Het hof heeft het beroep op noodweer verworpen omdat het niet aannemelijk heeft geacht dat het handelen van de verdachte proportioneel was, “nu verdachte ontkent te hebben gestoken – en daarmee niet duidelijk is geworden in welke situatie hij zich bevond en waarom hij genoodzaakt was om te steken”. Volgens het hof is onvoldoende inzicht gegeven in het feitelijke verloop van de aanranding om de proportionaliteit van het handelen van de verdachte aannemelijk te kunnen achten. Het oordeel van het hof is in het licht van wat onder 2.3 is vooropgesteld niet zonder meer begrijpelijk, gelet op wat het hof heeft vastgesteld over de feitelijke gang van zaken (waarbij de aangever een cel binnenkwam waarin de verdachte zich bevond, de deur achter zich dichttrok, de verdachte in een hoek van de cel dreef en op hem begon in te slaan) en de daardoor ontstane noodweersituatie waarin de verdachte zich bevond, toen hij de aangever door hem met een aardappelschilmesje in de buik te steken het letsel heeft toegebracht zoals beschreven in de onder 2.2.2 weergegeven letselbeschrijving. Daarbij is ook van belang dat het hof niet kenbaar in zijn oordeel heeft betrokken wat door de verdediging is aangevoerd, zoals weergegeven onder 2.2.3 en 2.2.4 en dat erop neerkomt dat de verdachte in paniek was en fysiek niet was opgewassen tegen de aangever die “al zo’n 3 à 4 jaar vecht in de ring”.

Het cassatiemiddel slaagt.

3. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C. Caminada als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand