Nummer 24/04451
Zitting 18 augustus 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 4 december 2024 (parketnr. 21-004570-19) door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens "poging tot zware mishandeling" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3. Het middel bevat klachten over de verwerping van het beroep op noodweer. In het bijzonder wordt opgekomen tegen het oordeel dat niet is voldaan aan de proportionaliteitseis op de grond dat de verdachte niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in een situatie zat waarin hij geen andere mogelijkheid had om zich te verweren dan door de aangever met een mes te steken.
De relevante delen van de processtukken
4. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij op 27 april 2019 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [benadeelde] met een mes in de buik heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
5. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 november 2024 houdt in:
“Op vragen van de voorzitter antwoordt de verdachte als volgt:
Ik blijf bij mijn eerdere verklaring.
Het is lang geleden, dus details weet ik niet meer. Ik weet nog wel dat ik bij twee jongens op de cel zat toen [benadeelde] binnenkwam. [benadeelde] begon mij direct te slaan. Ik moest mezelf verdedigen. Ik ben in mijn leven nog nooit zo angstig geweest. Ik deed er alles aan om uit die cel te komen. Ik was in paniek. Ik zat daar vast, want ik kon via het raam niet wegkomen. Ik zag zwart voor mijn ogen. Ik bleef slaan, omdat ik zo erg was geschrokken. Tijdens het gevecht was ik enkel gefocust op hem. Of iemand anders iets bij hem deed op dat moment, weet ik niet.
Ik heb gezien dat [benadeelde] een wond had. Ik weet niet hoe hij hier aan kwam. Ik weet wel zeker dat ik hem niet heb gestoken. Ik weet niet of iemand anders hem gestoken heeft.
In detentie koken we samen. De een haalt het mesje op, maar er is onderling vertrouwen. Meerdere mensen gebruiken datzelfde mesje. De een kookt en de ander wast bijvoorbeeld af. Op die manier kook je samen. Het mesje kan dus bij iemand anders belanden. [benadeelde] is niet gestoken door dat ene aardappelschilmesje. Het komt op mij over alsof u zegt dat ik hem heb gestoken met dat mesje. U voorzitter zegt mij dat [benadeelde] is gestoken en dat het vermoeden bestaat dat dit is gebeurd met het aardappelschilmesje. Zoals u zelf zegt, het is een vermoeden. Er zijn veel mesjes die worden uitgedeeld op de afdeling.
Ik weet niet meer wat voor een letsel ik had destijds.
Op vragen van de jongste raadsheer antwoordt de verdachte als volgt:
Ik had geen aardappelschilmesje bij mij in de cel. Ik heb ook geen mesje zien liggen. Ik heb het mesje niet aangeraakt, niet gezien en niet gebruikt in de cel. Het is allemaal lang geleden. Ik werd aangevallen en hard geslagen. Ik zat in een benarde situatie. Het voelde als een aanval op mijn leven. Ik begreep de situatie niet. Dus ik deed er alles aan om uit die cel te komen.
(...)
De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn pleitnota, welke aan het hof is overgelegd en aan dit proces-verbaal is gehecht. Ter aanvulling op zijn pleitnota merkt het volgende de raadsman op:
(...) Voorafgaand wil ik reageren op een opmerking van de advocaat-generaal betreffende noodweer. Cliënt heeft niet volledig ontkend. Hij is het eens met een groot gedeelte van de verklaring van aangever [benadeelde] . Enkel met betrekking tot het toebrengen van letsel klopt de verklaring van [benadeelde] niet. De steek- dan wel snijverwonding heeft cliënt niet toegebracht. Enkel op dat punt is cliënt het niet eens met de verklaring van [benadeelde] . Daarbij heeft mijn cliënt altijd consistent verklaard.”
6. De ter terechtzitting van het hof overgelegde pleitnota houdt onder meer het volgende in:
“8. Cliënt heeft in eerste aanleg een uitgebreide verklaring afgelegd. Zijn verklaring komt er kort gezegd op neer dat hij door aangever uit het niets werd aangevallen. Cliënt heeft zich geprobeerd tegen de aanval van aangever te verdedigen door terug te slaan. Hij heeft hierbij geen mes gebruikt. De verklaring van cliënt is geloofwaardig, betrouwbaar en bevat belangrijke details, bijv. ten aanzien van het kookclubje dat hij met anderen vormde in de bajes.
9. Tegenover de verklaring van cliënt staat de verklaring van aangever. In eerste aanleg heeft aangever verklaard dat hij de cel waarin cliënt zich op dat moment bevond binnen kwam lopen en direct door cliënt in zijn buik werd gestoken.
(…)
Strafbaarheid
47. Indien u wel komt tot een bewezenverklaring, en dus meent dat cliënt gestoken heeft met een mes, is de verdediging van oordeel dat cliënt ten aanzien van de feiten een beroep op noodweer toekomt. Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het eigen lijf of een anders lijf, eerbaarheid of goed. De vraag die dient te worden beantwoord is of er op het moment van de ten laste gelegde gedragingen van cliënt sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding jegens cliënt (een zogenaamde noodweersituatie). Hiertoe is het volgende van belang.
48. Uit het dossier en de behandeling ter terechtzitting is vast komen te staan dat aangever de cel waarin cliënt bevond, binnenliep, de deur achter zich dicht sloeg, op cliënt is afgelopen in de cel en hem aanviel. Cliënt werd door de handelingen van aangever letterlijk in de hoek gedreven. Hiermee was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.
49. Cliënt heeft zichzelf vervolgens noodzakelijkerwijs moeten verdedigen tegen deze ogenblikkelijke aanranding.
50. In dit kader is de vraag relevant of cliënt zich had kunnen en had moeten onttrekken. Volgens de verdediging niet. Uit de verklaringen van zowel cliënt als [getuige 1] volgt dat het aangever is geweest die de confrontatie met cliënt heeft opgezocht. Gelet op die situatie, waarin cliënt uit het niets door aangever is aangevallen, kon en mocht van cliënt niet worden gevergd dat hij zich aan deze aanval zou onttrekken. De ruimte waar het incident is voorgevallen was beperkt. Daar komt bij dat aangever door de deur is binnengekomen, waardoor de enige uitgang werd afgeschermd door aangever. Dit blijkt ook uit de foto's welke zijn toegevoegd aan het dossier. Een reële mogelijkheid om zich te onttrekken aan de situatie heeft dus niet bestaan. Aan de subsidiariteitstest is dan ook voldaan.
51. De volgende vraag is of de wijze van verdediging in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop dit is gebruikt staan hierbij centraal. De verdediging realiseert zich dat – indien u komt tot een bewezenverklaring – er sprake is van verdediging met een mes, terwijl aangever cliënt met zijn vuisten heeft geslagen.
52. In eerste instantie zou men kunnen denken dat dit niet in verhouding staat tot elkaar. Echter, de wijze waarop dit is gebeurd is van belang.
53. Cliënt was niet opgewassen tegen aangever. Zo heeft aangever zelf verklaard dat cliënt kleiner is en dat aangever al zo’n 3 à 4 jaar vecht in de ring. Daar komt bij dat aangever de confrontatie heeft opgezocht en cliënt direct meerdere malen met de vuist heeft geslagen, waarbij cliënt geen kant op kon.
54. Ter verdediging heeft cliënt 1 afwerende beweging gemaakt waarbij (in dat geval) een oppervlakkerige huidwond is ontstaan. De verdediging merkt volledigheidshalve op dat er niet meerdere malen met het mes een beweging is gemaakt en dat er niet met het mes op aangever is ingestoken waarbij er een diepe steekwond is ontstaan. Het letsel betreft een oppervlakkige snijwond.
55. Als conclusie geldt dat wel degelijk aan het proportionaliteitsbeginsel is voldaan.
56. De verdediging van eigen of andermans lichaam is geoorloofd in geval van noodweer, ook als er nog geen levensbedreigende situatie is ontstaan. Het is vaste jurisprudentie dat een zwakkere (persoon) extra middelen mag inzetten tegen een grotere c.q. de sterkere (persoon). Bij een beroep op noodweer moet ook rekening worden gehouden met de kracht van de aanrander en de capaciteiten en kracht van de verdediger, en ook dat men naar een zwaarder middel mag grijpen als het zich laat aanzien dat men het anders af zal leggen.
57. Als cliënt aangever terug zou hebben geslagen, dan zou dat louter hebben geresulteerd in een groter pak slaag; de kans was groot dat het geweld zich in dat geval zou voortzetten. Het is namelijk nog maar de vraag of dat wel effectief zou zijn geweest. Client moest (in dat geval) wel grijpen naar een(ogenschijnlijk) zwaarder middel. Het arrest van de HR is hierbij ook lezenswaardig. ”
7. Het hof heeft onder meer de volgende bewijsmiddelen gebezigd:
“4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige van Districtsrecherche West-Utrecht, proces-verbaalnummer 65, documentcode 66, d.d. 6 augustus 2019 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant] . brigadier van politie (aanvullend proces-verbaal, ongenummerd, betreft: verhoor GETUIGE […] ), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
als relaas van [getuige 2] :
Tijdens mijn nachtdienst belde [getuige 1] aan via de intercom en wilde graag de nacht PIW’er spreken. Hij gaf aan nog steeds erg onder de indruk te zijn van wat er vanmiddag 27 april 2019 in zijn cel is gebeurd.
Volgens [getuige 1] ging het als volgt: De deur van zijn cel stond open en gedetineerde [verdachte] kwam zijn cel binnenlopen en begon een gesprek. Vervolgens kwam gedetineerde [benadeelde] ook de cel binnen en trok de deur achter zich dicht. [getuige 1] vond dit al vreemd en zag dat [benadeelde] meteen op [verdachte] af liep, en op hem in begon te slaan. In deze vechtpartij heeft gedetineerde [verdachte] gedetineerde [benadeelde] in de buik gestoken.
(…)
6. Een ander geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid onder 5, tot het bewijs gebezigde forensisch geneeskundige verklaring (pagina 183 tot en met 185 van het politiedossier), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
als relaas van arts:
Forensisch Geneeskundige Letselbeschrijving.
Op 01-05-2019 door NVO en JvZ waargenomen: op de bovenbuik, circa 6.0 cm boven de navel en circa 1.5 cm rechts van de middellijn van het lichaam, bevindt zich een horizontale huidonderbreking van circa 1.6 cm lang.
Dit letsel wordt uitwendig genoemd. Het letsel loopt door de huid en het onderhuidse weefsel tot aan (maar niet door) de fascie (een fascie is een vlies dat om een spier, bot, pees, gewricht of lichaamsholte heen ligt). De onderliggende spieren en buikholte zijn dus niet aangedaan.
Betrokkene geeft aan door verdachte in zijn buik gestoken te zijn met een aardappelschilmesje, terwijl betrokkene en verdachte beiden stonden.
Mate van overeenkomst tussen opgegeven toedracht en verwonding: geheel overeenkomstig.
Forensisch geneeskundige bewijswaarde: hard.”
8. Het hof heeft het beroep op noodweer als volgt samengevat en verworpen:
“Strafbaarheid van het feit en de verdachte
Standpunt van de verdediging
Ter terechtzitting heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Daartoe heeft de verdediging de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd. Aangever kwam agressief op verdachte af, verdachte werd aangevallen door aangever en hij kon geen kant op nu hij in de hoek van de cel werd gedreven. Verdachte kon niet anders dan zich daartegen verdedigen. Voor wat betreft de vereiste proportionaliteit heeft de raadsman aangedragen dat aangever groter en sterker is dan verdachte en bovendien jarenlange vechtervaring heeft, in welk geval verdachte moest grijpen naar een ogenschijnlijk zwaarder middel, en hem om die reden een beroep op noodweer toekomt.
(…)
Oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer vereist is dat het feit is geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. In de eis dat de gedraging is geboden door de noodzakelijke verdediging, ligt besloten dat de verdedigingshandeling moet voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Uit het dossier en de behandeling ter terechtzitting is komen vast te staan dat aangever de cel waarin verdachte zich bevond, binnen liep, de deur achter zich dicht sloeg, op verdachte is afgelopen in de cel en dat verdachte in een hoek van de cel werd gedreven. Naar het oordeel van het hof kan dit handelen van aangever worden aangemerkt als een (dreigende) ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachte.
Het hof is van oordeel dat het voor verdachte noodzakelijk was om zich tegen de aanranding te verdedigen. Gelet op de situatie waarin verdachte ineens in een cel door aangever werd aangevallen, kon en mocht van verdachte niet worden gevergd dat hij zich aan de aanval zou onttrekken. Verdachte had gelet op die situatie immers daartoe niet de mogelijkheid. Er bestond voor verdachte een noodzaak tot verdediging en er is daarom sprake van een noodweersituatie.
Echter, naar het oordeel van het hof is onvoldoende inzicht gegeven in het feitelijke verloop van de aanranding om proportionaliteit van het handelen van verdachte aannemelijk te kunnen achten. Het hof onderschrijft dat het gebruik van een mes bij de vechtpartij niet zonder meer hoeft te betekenen dat het handelen disproportioneel was, maar dan moet wel aannemelijk worden gemaakt dat verdachte in een situatie zat waarin hij geen andere mogelijkheid had om zich te verweren dan door met een mes aangever te steken. Nu verdachte ontkent te hebben gestoken – en daarmee niet duidelijk is geworden in welke situatie hij zich bevond en waarom hij genoodzaakt was om te steken – acht het hof niet aannemelijk dat het handelen van verdachte proportioneel was.
Nu niet is voldaan aan de eis van proportionaliteit kan het noodweerverweer niet slagen. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is ook anderszins niet aannemelijk geworden.
Het primair bewezenverklaarde feit is strafbaar.”
De toelichting op het middel
9. De stellers van het middel betogen dat de verwerping van het verweer tekortschiet in het licht van
(i) hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, te weten dat de verdachte door de aangever is aangevallen direct nadat de aangever de ruimte was binnengekomen waar de verdachte aanwezig was, dat de aangever de deur heeft afgesloten en de verdachte geen uitweg had en dat de aangever een geoefend vechter was en groter was dan de verdachte, en
(ii) hetgeen het hof in de bewijsmiddelen heeft vastgesteld, te weten dat de aangever de ruimte waarin de verdachte was is binnengelopen en direct op de verdachte is afgelopen en is begonnen met op hem in te slaan.
Daar komt volgens de stellers van het middel nog bij dat het mes een aardappelschilmesje betreft en dat blijkens de gebezigde bewijsmiddelen letsel is ontstaan aan de huid en het onderhuids weefsel, “maar ook niet verder dan dat”, zodat ook de wijze waarop het mes is gehanteerd bij de beoordeling van de proportionaliteit betrokken had kunnen worden.
Het beoordelingskader: noodweer en proportionaliteit
De feitelijke grondslag van een beroep op noodweer
10. In zijn overzichtsarrest van 22 maart 2016, heeft de Hoge Raad het juridisch kader geschetst dat bij de beoordeling van een beroep op noodweer(exces) handvatten biedt. Dit kader veronderstel ik bekend. De Hoge Raad is in zijn uitspraak van 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:417, ingegaan op de beoordeling van de feitelijke grondslag van een beroep op noodweer. Daarbij heeft de Hoge Raad overwogen:
“2.3.1. Als door of namens de verdachte een beroep op noodweer is gedaan, moet de rechter (i) de feitelijke grondslag van dat beroep onderzoeken, (ii) beoordelen of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van het verweer is voldaan en (iii) een gemotiveerde beslissing geven op dat verweer.
2.3.2. Bij het onderzoek naar de feitelijke grondslag van het beroep kan betekenis toekomen aan de inhoud en indringendheid van de door of namens de verdachte aangevoerde argumenten. De last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag mag echter niet uitsluitend op de verdachte worden gelegd. Als de verdachte in dit verband weigert te antwoorden op nadere vragen met betrekking tot de door of namens hem gestelde gang van zaken, mag de rechter die omstandigheid in zijn beoordeling betrekken.
2.3.3. Voor aanvaarding van het beroep is onder meer vereist dat de rechter de feitelijke grondslag ervan aannemelijk acht. Ter verduidelijking van eerdere rechtspraak merkt de Hoge Raad hierover het volgende op. Voor de vaststelling van de feiten en omstandigheden waarop dat beroep steunt, geldt – anders dan voor de beslissing over de bewezenverklaring – niet als maatstaf dat deze feiten en omstandigheden zich ‘buiten redelijke twijfel’ hebben voorgedaan. Bij de beoordeling van de feitelijke grondslag van het beroep op noodweer gaat het er slechts om dat die feitelijke toedracht, gelet op wat daarover door of namens de verdachte is aangevoerd en in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden. Aan het oordeel dat de gestelde feitelijke grondslag voldoende aannemelijk is geworden, staat enige onzekerheid over de precieze feitelijke toedracht niet in de weg.
2.3.4. Wanneer de rechter de feitelijke toedracht van het beroep niet aannemelijk geworden acht, verwerpt hij het beroep. Ook wanneer hij oordeelt dat de door hem aannemelijk geachte feitelijke toedracht het beroep niet kan doen slagen omdat niet aan de voorwaarden voor de aanvaarding van dat beroep is voldaan, verwerpt hij het beroep. De rechter kan overigens het onderzoek naar de feitelijke grondslag van het beroep achterwege laten, als hij tot het oordeel komt dat – veronderstellenderwijs uitgaand van de aannemelijkheid van de gestelde feitelijke toedracht – het beroep niet kan slagen. Wel moet uit de uitspraak volgen op welke grond de verwerping berust.”
11. Verder merk ik ten aanzien van het proportionaliteitsvereiste (waartegen het middel zich in het bijzonder richt) het volgende op.
Proportionaliteit: verdediging moet geboden zijn
12. Een beroep op noodweer komt niet toe aan de verdachte die met zijn gedraging verder gaat dan door de noodzakelijke verdediging ‘geboden’ is. Dat is het geval indien de gedraging als verdedigingsmiddel in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Bij beoordeling van de vraag of aan deze – tot terughoudendheid nopende – ‘proportionaliteitsmaatstaf’ is voldaan, staan de keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt centraal.
13. Daarbij laat rechtspraak van de Hoge Raad zien dat bij het beoordelen van de (on)redelijkheid van de verhouding tussen het verdedigingsmiddel en de ernst van de aanranding, betekenis toekomt aan de concrete omstandigheden van het geval. Zo kan uit deze rechtspraak worden afgeleid dat het met kracht toebrengen van een diepe, potentieel dodelijke steekwond in beginsel niet in verhouding staat tot een aanval die bestaat uit het slaan met de blote handen dan wel een vuist, maar dat het bestaan van bijzondere omstandigheden tot een ander oordeel kan dwingen. Denk bijvoorbeeld aan het geval waarin de verdachte wordt geconfronteerd met een overtalsituatie en ernstig geweld, de aanranding – naast slaan met blote handen of vuisten – ook bestaat uit het langdurig dichtknijpen van de keel of de verdachte wordt aangevallen door een persoon die veel groter is dan hij.
14. Ik wijs in dit verband ook op de conclusie van a-g Van Kempen van 24 juni 2025, ECLI:NL:PHR:2025:602 (onder randnummers 3.11-3.21 en 3.25), waarin hij een aantal van de (hiervoor reeds in de voetnoten aangehaalde) arresten van de Hoge Raad – waarin een discrepantie bestond tussen het aanrandingsmiddel en het verdedigingsmiddel – heeft geanalyseerd, en naar aanleiding daarvan concludeert: “Uit verschillende van die zaken blijkt dat zelfs wanneer het verdedigingsmiddel als zodanig wezenlijk zwaarder is dan het aanrandingsmiddel, dat op zichzelf nog niet hoeft te betekenen dat het proportionaliteitsvereiste een succesvol beroep op noodweer in de weg staat.” Bij de toepassing van het proportionaliteitsvereiste gaat het, aldus Van Kempen, dan ook niet “om een pure evenredigheidsbeoordeling, maar om een redelijkheidsoordeel waarvoor de bredere context van de gebeurtenis van belang kan zijn en waarbij geldt dat de precieze manier van verdedigen zeker niet optimaal hoeft te zijn”.
De bespreking van het middel
15. Het hof heeft blijkens de gebezigde bewijsmiddelen vastgesteld dat de celdeur van [getuige 1] openstond, dat de verdachte de cel van [getuige 1] binnenliep en een gesprek begon, dat vervolgens ook de aangever de cel binnenkwam en de deur achter zich dichttrok, dat de aangever meteen op de verdachte afliep en op hem in begon te slaan, dat de verdachte de aangever in deze vechtpartij in de buik heeft gestoken met een aardappelschilmesje en dat de aangever daardoor ‘uitwendig letsel’ kreeg, te weten “een horizontale huidonderbreking van circa 1,6 cm lang”. Uit de overwegingen van het hof onder het kopje “Strafbaarheid van het feit en de verdachte” blijkt dat het hof bovendien heeft vastgesteld dat de verdachte door de aangever in een hoek van de cel werd gedreven.
16. Voor de leesbaarheid van de conclusie herhaal ik hier het oordeel van het hof. Het hof heeft geconcludeerd dat “onvoldoende inzicht [is] gegeven in het feitelijke verloop van de aanranding om proportionaliteit van het handelen van verdachte aannemelijk te kunnen achten”. Het hof heeft daartoe overwogen (i) dat het “onderschrijft dat het gebruik van een mes bij de vechtpartij niet zonder meer hoeft te betekenen dat het handelen disproportioneel was”, maar dat dan “wel aannemelijk [moet] worden gemaakt dat verdachte in een situatie zat waarin hij geen andere mogelijkheid had om zich te verweren dan door met een mes aangever te steken” en (ii) dat “[n]u verdachte ontkent te hebben gestoken – en daarmee niet duidelijk is geworden in welke situatie hij zich bevond en waarom hij genoodzaakt was om te steken – (…) het hof [het] niet aannemelijk [acht] dat het handelen van verdachte proportioneel was”.
17. Voor zover in het oordeel van het hof dat nu “verdachte ontkent te hebben gestoken – en daarmee niet duidelijk is geworden in welke situatie hij zich bevond en waarom hij genoodzaakt was om te steken – (...) het hof [het] niet aannemelijk [acht] dat het handelen van verdachte proportioneel was” als zijn opvatting besloten ligt dat de ontkenning van de verdachte van de ten laste gelegde gedraging tenietdoet al hetgeen de verdediging heeft aangevoerd met betrekking tot de proportionaliteit van het handelen van de verdachte, berust dat oordeel op een onjuiste rechtsopvatting. Daarover wordt overigens in cassatie niet expliciet geklaagd.
18. Het oordeel van het hof dat het niet aannemelijk is dat het handelen van de verdachte proportioneel was, acht ik niet zonder meer begrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging over de proportionaliteit van het handelen van de verdachte aangevoerd:
(i) dat de verdachte niet was opgewassen tegen de aangever omdat hij kleiner is dan hij en de aangever “al zo’n 3 à 4 jaar vecht in de ring”,
(ii) dat de aangever de confrontatie heeft opgezocht en de verdachte direct meermalen met de vuist heeft geslagen, waarbij de verdachte geen kant op kon en
(iii) dat de verdachte ter verdediging één afwerende beweging heeft gemaakt waarbij slechts een oppervlakkige snijwond is ontstaan.
Het hof heeft de juistheid hiervan in het midden gelaten, dan wel de feitelijke toedracht aannemelijk geacht, maar niet kenbaar bij zijn beoordeling van de proportionaliteit van het handelen van de verdachte betrokken. Datzelfde geldt ten aanzien van hetgeen de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, te weten (a) dat hij werd aangevallen en “hard” werd geslagen, (b) dat hij in een benarde situatie zat en dat het voelde als een aanval op zijn leven en (c) dat hij er “dus” alles aan deed om uit de cel te komen. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof heeft vastgesteld dat de aangever meteen op de verdachte afliep en op hem in begon te slaan, zonder dat het hof nadere vaststellingen heeft gedaan over de aard en ernst van deze geweldsuitoefening door de aangever op de verdachte.
19. Het middel is terecht voorgesteld.
Slotsom
20. Het middel slaagt.
21. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
22. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat deze op het bestaande beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG