HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/00414 E
Datum 3 november 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch, economische kamer, van 24 januari 2025, nummer 20-002860-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Sietsma bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van het wapen en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de beslissing van het hof dat het inbeslaggenomen stroomstootwapen aan het verkeer onttrokken wordt verklaard.
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij op 17 november 2020 te [plaats] opzettelijk, professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten: 210 bangers, type Cobra 6 voorhanden heeft gehad en aan een ander ter beschikking heeft gesteld.”
Het hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.
Het hof heeft over de onttrekking aan het verkeer overwogen:
“Het hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven wapen, een flashlight die ook gebruikt kan worden als stroomstootwapen, aan de verdachte toebehorend, dient te worden onttrokken aan het verkeer. Het wapen is bij gelegenheid van het onderzoek naar het door de verdachte begane feit aangetroffen en het betreft een voorwerp van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. Het hof is van oordeel dat het voorwerp kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, nu de handel in illegale goederen met regelmaat gepaard gaat met het voorhanden hebben van wapens.”
Artikel 36d van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt:
“Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn bovendien de aan de dader of verdachte toebehorende voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, welke bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit, dan wel het feit waarvan hij wordt verdacht, zijn aangetroffen, doch alleen indien de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan.”
Onder soortgelijke feiten in de zin van artikel 36d Sr moeten worden verstaan feiten die tot dezelfde categorie behoren als de door de verdachte begane feiten dan wel de feiten waarvan hij wordt verdacht (vgl. HR 6 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC9322).
Gelet op de bewezenverklaring heeft het hof – kort gezegd – het voorhanden hebben en ter beschikking aan een ander stellen van professioneel vuurwerk aangemerkt als het door de verdachte begane feit als bedoeld in artikel 36d Sr. Uit de bewijsvoering, zoals weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.3, volgt dat dit plaatsvond in het kader van het verhandelen van dit vuurwerk. Aan zijn beslissing tot de onttrekking aan het verkeer van de bij gelegenheid van het onderzoek naar het door de verdachte begane feit aangetroffen stroomstootwapen, heeft het hof ten grondslag gelegd dat “het voorwerp kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, nu de handel in illegale goederen met regelmaat gepaard gaat met het voorhanden hebben van wapens”.
Zonder nadere motivering valt niet in te zien hoe het inbeslaggenomen stroomstootwapen kan dienen om soortgelijke feiten als hiervoor genoemd te begaan of voor te bereiden. De enkele overweging dat “de handel in illegale goederen met regelmaat gepaard gaat met het voorhanden hebben van wapens” is daartoe onvoldoende.
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beoordeling van het eerste en het derde cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van het “wapen (opschrift police, flashlight)”;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C. Caminada als voorzitter, en de raadsheren R. Kuiper en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 november 2026.