ECLI:NL:HR:2026:1548

ECLI:NL:HR:2026:1548

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 25-09-2026
Datum publicatie 24-09-2026
Zaaknummer 25/02519
Rechtsgebied Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2026:611
Formele relatie: ECLI:NL:GHAMS:2025:3747

Samenvatting

Procesrecht. Toestemming onderhandse verkoop (art. 3:268 lid 2 BW). Mededeling aan en oproeping van belanghebbenden (art. 548 lid 3 Rv). Doorbreking rechtsmiddelenverbod van art. 3:268 lid 3 BW wegens schending hoor en wederhoor? Oproeping in hoger beroep (art. 361 lid 1 Rv).

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 25/02519

Datum 25 september 2026

BESCHIKKING

In de zaak van

[bieder B] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

VERZOEKSTER tot cassatie,

hierna: [bieder B] ,

advocaten: J.H.M. van Swaaij en R.J. ter Rele,

tegen

1. [verweerder 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [verweerster 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

VERWEERDERS in cassatie,

hierna: [hypotheekgevers] ,

advocaat: J.C. Zevenberg,

Belanghebbenden:

1. [hypotheekhouder] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: [hypotheekhouder] ,

2. [bieder A] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: [bieder A] ,

3. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier,

gevestigd te Heerhugowaard,

hierna: het Hoogheemraadschap,

4. Park Naut Ontwikkeling B.V.,

gevestigd te Loosdrecht,

hierna: Park Naut,

niet verschenen.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de beschikking in de zaak C/15/362284/ KG RK 25-142 van de rechtbank Noord-Holland van 22 april 2025;

b. de beschikking in de zaak 200.354.761/01 van het gerechtshof Amsterdam van 19 mei 2025.

[bieder B] heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.

[hypotheekgevers] hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing.

De advocaten van [bieder B] en van [hypotheekgevers] hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2. Uitgangspunten en feiten

In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden, vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2. Deze komen, samengevat, op het volgende neer.

(i) [hypotheekhouder] heeft aan [hypotheekgevers] en aan een vennootschap van [hypotheekgevers] geldleningen verstrekt. Tot zekerheid van de nakoming van de verplichtingen uit de geldleningen hebben [hypotheekgevers] ten behoeve van [hypotheekhouder] een eerste en een tweede recht van hypotheek gevestigd op hun woning (hierna: de woning).

(ii) Voordat de looptijd van de leningen afliep, heeft [hypotheekhouder] aan [hypotheekgevers] laten weten dat de looptijd van de geldleningen niet zal worden verlengd en hen er op gewezen dat zij voor herfinanciering van de hypotheekschuld zorg zullen moeten dragen.

(iii) Na afloop van de looptijd van de geldlening aan [hypotheekgevers] heeft [hypotheekhouder] [hypotheekgevers] gesommeerd de geldlening binnen veertien dagen af te lossen. [hypotheekgevers] hebben hieraan niet voldaan.

(iv) De deurwaarder heeft vervolgens op verzoek van [hypotheekhouder] aan [hypotheekgevers] aangezegd dat de openbare verkoop van de woning zal plaatsvinden. In de openbare aankondiging is een termijn vermeld waarbinnen onderhands op de woning kan worden geboden bij de notaris.

(v) Binnen die termijn zijn twee biedingen op de woning uitgebracht, door [bieder A] en door [bieder B] . [bieder A] had het hoogste bod. [hypotheekhouder] heeft vervolgens voor die prijs een koopovereenkomst met [bieder A] gesloten, onder de opschortende voorwaarde dat de voorzieningenrechter hiervoor goedkeuring verleent.

[hypotheekhouder] heeft, voor zover in cassatie van belang, verlof verzocht als bedoeld in art. 3:268 lid 2 BW om de woning aan [bieder A] te verkopen. Op de bij het verzoekschrift gevoegde lijst met belanghebbenden zijn het Hoogheemraadschap en Park Naut vermeld als beslagleggers (hierna tezamen ook: de beslagleggers).

Op de zitting is namens [bieder B] meegedeeld dat zij een hoger bod wil uitbrengen dan het bedrag dat [bieder A] had geboden. Daarop heeft een bieding plaatsgevonden, waarbij [bieder B] het hoogste bod deed. [hypotheekhouder] is met dit bod akkoord gegaan. De beslagleggers zijn niet bij de mondelinge behandeling verschenen.

De rechtbank heeft vervolgens bij beschikking bepaald dat de verkoop van de woning onderhands kan geschieden en zij heeft de koopovereenkomst tussen [hypotheekhouder] en [bieder B] goedgekeurd. Op het voorblad van de beschikking zijn, naast [hypotheekhouder] als verzoekster en [hypotheekgevers] als gerekwestreerden, als belanghebbenden vermeld [bieder A] , [bieder B] en de beslagleggers. In de beschikking (rov. 2.3) staat onder meer:

“De belanghebbenden die hebben aangegeven dat zij op dit verzoek willen worden gehoord, zijn voor de mondelinge behandeling opgeroepen.”

[hypotheekgevers] hebben tegen de beschikking van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd en, voor zover in cassatie van belang, het verzoek van [hypotheekhouder] tot goedkeuring van de onderhandse verkoop afgewezen en een nieuwe datum voor de veiling bepaald. Het hof heeft onder meer het volgende overwogen:

“2. Het hof vernietigt de bestreden beschikking waarbij de voorzieningenrechter [de] koopovereenkomst tussen [hypotheekhouder] en [bieder B] B.V. met betrekking tot de onderhandse verkoop van de woning voor een bedrag van € 462.750,00 heeft goedgekeurd. Daartoe is redengevend dat de rechtbank bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken doordat niet alle beslagleggers op de woning, die op grond van artikel 3:268 BW als belanghebbenden moeten worden aangemerkt, zijn opgeroepen. Dit is door [hypotheekgevers] gesteld en door [hypotheekhouder] onvoldoende betwist. In de bestreden beschikking is vermeld dat alleen de belanghebbenden die te kennen hebben gegeven gehoord te willen worden, zijn opgeroepen. Het hof zal om die reden het beroep in de hoofdzaak in behandeling nemen, omdat onder deze omstandigheden het wettelijk appelverbod wordt doorbroken.

3. Het hof wijst, opnieuw rechtdoende, alsnog het verzoek van [hypotheekhouder] tot goedkeuring van de onderhandse verkoop van de woning voor een bedrag van € 462.750,00 aan [bieder B] B.V. af. [hypotheekhouder] heeft onvoldoende aangetoond dat de overeengekomen onderhandse verkoopprijs hoger is dan de te verwachten opbrengst via een executieveiling.”

3. Beoordeling van het middel

Onderdeel 1 van het middel richt zich tegen het oordeel van het hof dat zich een grond voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art. 3:268 lid 3 BW voordoet. Onderdeel 1b klaagt dat hetgeen [hypotheekgevers] hebben aangevoerd, geen doorbrekingsgrond oplevert. Het onderdeel voert aan dat [hypotheekgevers] niet hebben gesteld dat aan een of meer belanghebbenden geen mededeling zoals bedoeld in art. 548 lid 3 Rv zou zijn gedaan of dat een of meer belanghebbenden die te kennen hebben gegeven gehoord te willen worden, niet zouden zijn opgeroepen. Het door [hypotheekgevers] aangevoerde feit dat niet alle belanghebbenden zijn opgeroepen, brengt niet zonder meer mee dat de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor of een ander fundamenteel rechtsbeginsel heeft geschonden, aldus de klacht.

Tegen een beschikking op de voet van art. 3:268 lid 2 BW is ingevolge art. 3:268 lid 3, tweede volzin, BW geen hogere voorziening toegelaten.

Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat degene die in weerwil van een wettelijk rechtsmiddelenverbod beroep instelt, daarin niet ontvankelijk is. Dat is anders als een beroep wordt gedaan op een doorbrekingsgrond. Van een doorbrekingsgrond is volgens vaste rechtspraak onder meer sprake als de rechter bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken, zoals bij schending van het beginsel van hoor en wederhoor.

Als in hoger beroep een doorbrekingsgrond wordt aangevoerd, moet de rechter in hoger beroep beoordelen of deze doorbrekingsgrond zich daadwerkelijk voordoet. Als de rechter in hoger beroep tot de conclusie komt dat het beroep op de aangevoerde doorbrekingsgrond faalt, leidt dit tot verwerping van het hoger beroep; de beoordeling in hoger beroep is dan beperkt tot de beoordeling van de (voor)vraag of de aangevoerde doorbrekingsgrond zich voordoet.

[hypotheekgevers] hebben in hun beroepschrift aangevoerd dat in eerste aanleg niet alle belanghebbenden zijn opgeroepen, en zij hebben er daarbij op gewezen dat namens de beslagleggers niemand in de procedure is verschenen. Het hof heeft in rov. 2 van de bestreden beschikking geoordeeld dat de rechtbank bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken doordat, naar [hypotheekhouder] onvoldoende heeft betwist, niet alle beslagleggers die als belanghebbenden moeten worden aangemerkt zijn opgeroepen, en dat onder deze omstandigheden grond bestaat voor doorbreking van het wettelijk rechtsmiddelenverbod.

Dat oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het hof heeft miskend dat in een procedure op de voet van art. 3:268 lid 2 BW niet alle belanghebbenden behoeven te worden opgeroepen. Ingevolge art. 548 lid 3 Rv moet bij een verzoek op de voet van art. 3:268 lid 2 BW een lijst worden overgelegd van de in art. 544 Rv bedoelde belanghebbenden, en deelt de griffier hun onverwijld mee dat het verzoek is gedaan en dat zij op hun verlangen door de voorzieningenrechter kunnen worden gehoord. Hieruit volgt dat aan de belanghebbenden de in art. 548 lid 3 Rv bedoelde mededeling moet worden gedaan, maar dat niet steeds alle belanghebbenden voor de mondelinge behandeling behoeven te worden opgeroepen; dat geldt alleen voor hen die de wens daartoe te kennen hebben gegeven. Het hof heeft niet vastgesteld dat de beslagleggers de wens hebben geuit om door de voorzieningenrechter te worden gehoord.

Voor zover het hof dit niet heeft miskend, maar heeft bedoeld dat de griffier niet aan alle belanghebbenden de in art. 548 lid 3 Rv bedoelde mededeling heeft gedaan, kan het oordeel evenmin in stand blijven. In dat geval mocht het hof niet zonder meer afgaan op het kennelijk aldus begrepen standpunt van [hypotheekgevers] De belanghebbenden, onder wie de beslagleggers, zijn op het voorblad van de beschikking van de rechtbank vermeld. Uit rov. 2.3 van die beschikking (zie hiervoor in 2.4) volgt dat de belanghebbenden die te kennen hebben gegeven dat zij op dit verzoek willen worden gehoord, voor de mondelinge behandeling zijn opgeroepen. Uit de beschikking van de rechtbank kan niet worden afgeleid dat de in art. 548 lid 3 Rv bedoelde mededeling niet aan alle belanghebbenden, onder wie de beslagleggers, zou zijn gedaan. Onder deze omstandigheden kon het hof niet, althans niet zonder nader onderzoek (bijvoorbeeld door navraag bij de rechtbank, zie in dit verband ook de conclusie van de Advocaat-Generaal in voetnoot 56), concluderen dat de rechtbank bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling niet kan worden gesproken, en dat zich een grond voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod voordoet.

De hiervoor in 3.1 weergegeven klacht slaagt dus.

De klachten van de onderdelen 1a en 1c kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

Onderdeel 2 klaagt dat het hof het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door [bieder B] niet op te roepen. [bieder B] is als koper van de woning belanghebbende in het geding en is als zodanig ook in eerste aanleg verschenen en ter zitting gehoord. Daarom had het hof op de voet van art. 361 lid 1, tweede volzin, Rv haar oproeping moeten bevelen, aldus de klacht.

[bieder B] is in eerste aanleg als belanghebbende in de procedure verschenen. Het hof had op grond van art. 361 lid 1, tweede volzin, Rv dan ook de oproeping van [bieder B] moeten bevelen. Dat heeft het hof niet gedaan. De klacht slaagt.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 19 mei 2025;

- verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing;

- veroordeelt [hypotheekgevers] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [bieder B] begroot op € 905,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [hypotheekgevers] deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan, en aan de zijde van [hypotheekhouder] , [bieder A] , het Hoogheemraadschap en Park Naut begroot op nihil.

Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock en S.J. Schaafsma, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op 25 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand