HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/00198
Datum 25 september 2026
ARREST
In de zaak van
1. MERCEDES-BENZ GROUP AG,
gevestigd te Stuttgart, Duitsland,
2. MERCEDES-BENZ NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Nieuwegein,
3. ASV AUTOMOBIELBEDRIJVEN B.V.,
gevestigd te Veghel,
[eiseres 4 t/m 18]
,
EISERESSEN tot cassatie,
hierna: Mercedes c.s.,
advocaat: W.H. van Hemel,
tegen
STICHTING EMISSION CLAIM,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: SEC,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/13/686493/ HA ZA 20-697 van de rechtbank Amsterdam van 22 juni 2022;
b. de arresten in de zaak 200.317.145/01 van het gerechtshof Amsterdam van 13 augustus 2024, 22 oktober 2024 en 26 november 2024.
Mercedes c.s. hebben tegen de arresten van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Tegen SEC is verstek verleend.
De zaak is voor Mercedes c.s. toegelicht door hun advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G. Snijders strekt tot vernietiging en verwijzing. De advocaat van Mercedes c.s. heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) SEC is op 11 december 2020 opgericht. Art. 2 van haar statuten luidt – voor zover van belang – als volgt:
“De stichting heeft ten doel het behartigen van de belangen van de Gedupeerden die een of meer Gemanipuleerde Voertuigen hebben aangeschaft of geleased, waaronder begrepen maar niet beperkt tot:(a) het vaststellen en het onderzoeken van de gang van zaken die heeft geleid tot en betrekking heeft op (i) het ontwikkelen en het installeren van een of meer manipulatie-instrumenten in Gemanipuleerde Voertuigen en (ii) het verkopen en/of leveren van Gemanipuleerde Voertuigen aan de Gedupeerden;(b) het behartigen van de belangen van Gedupeerden en het vertegenwoordigen van Gedupeerden in juridische procedures binnen Nederland (...), zoals civiele (...) procedures, al naar gelang het geval;(c) het wereldwijd behartigen van de belangen van Gedupeerden in verband met de Claims;(d) het verkrijgen en verdelen van financiële compensatie voor (een gedeelte van) de schade die de Gedupeerden stellen te hebben geleden;(e) het behartigen van de collectieve belangen van Gedupeerden (...) in juridische procedures binnen Nederland (...) zoals civiele (...) procedures, al naar gelang het geval;(f) al hetgeen met vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord;”
(ii) In de statuten worden de volgende definities gehanteerd voor de begrippen Gedupeerden, Gemanipuleerd Voertuig, Manipulatie-instrument en Claims:
Gedupeerden: “(rechts)personen die één of meer Gemanipuleerde Voertuigen heeft gekocht of geleased”;Gemanipuleerd Voertuig: “een voertuig uitgerust met of voorzien van een Manipulatie-instrument of software of technologie die is geïnstalleerd om – als zodanig te werken”;Manipulatie-instrument: “een op grond van art. 5 lid 2 van EU Verordening (EG) nummer 715/2007 verboden constructieonderdeel van een motorvoertuig dat de temperatuur, de rijsnelheid, het motortoerental, de versnelling, de inlaatonderdruk of andere parameters meet om een onderdeel van het emissiecontrolesysteem in werking te stellen, te moduleren, te vertragen of buiten werking te stellen, zodat de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem wordt verminderd onder omstandigheden die bij een normaal gebruik van het voertuig te verwachten zijn”;Claims: “een of meer klachten, eisen, stellingen en/of (rechts)vorderingen van de Gedupeerden en/of de stichting in het belang van de Gedupeerden, op welke rechtsgrondslag dan ook, jegens de Motorvoertuigfabrikanten of andere Entiteiten en/of hun Beleidsbepalers met betrekking tot iedere vorm van benadeling, verlies of schade die de Gedupeerden stellen te hebben geleden of te lijden, individueel of gezamenlijk, als gevolg van de manipulatie van de uitstoot van Gemanipuleerde Voertuigen in bepaalde testsituaties en/of de verkeerde voorstelling van zaken door Motorvoertuigfabrikanten, Entiteiten en/of hun Beleidsbepalers met betrekking tot de werkelijke niveaus van de uitstoot, inclusief maar niet beperkt tot vorderingen of stellingen van Gedupeerden in verband met de aankoop, het bezit of de lease van voertuigen en vorderingen in verband met de uitstoot van milieugevaarlijke stoffen.”
(iii) Eiseres tot cassatie onder 1 (hierna: Mercedes) produceert onder meer voertuigen met dieselmotoren. Eiseres tot cassatie onder 2 (hierna: Importeur) importeert onder meer deze voertuigen in Nederland. Eiseressen tot cassatie onder 3-18 (hierna: Partners) zijn onder te verdelen in ‘dealers’ en ‘servicepartners’. De dealers verkopen nieuwe Mercedesvoertuigen en voeren onderhoud aan deze voertuigen uit. De servicepartners verkopen geen nieuwe Mercedesvoertuigen. Zij handelen onder meer in gebruikte Mercedesvoertuigen en voeren onderhoud uit.
(iv) Op 30 juli 2020 heeft Stichting Diesel Emissions Justice (hierna: SDEJ) een dagvaarding uitgebracht in een collectieve actie tegen Mercedes c.s. waarin zij de belangen behartigt van (onder meer) personen die binnen Nederland in de periode van 1 januari 2009 tot 31 december 2019 een Mercedesdieselvoertuig met een goedkeuring conform de Europese emissienormen Euro 5 of 6 hebben gekocht of hebben geleased. Deze dagvaarding is op 31 juli 2020 aangetekend in het zogeheten WAMCA-register.
(v) Op verzoek van Stichting Car Claim (hierna: SCC), die wenste aan te sluiten bij de SDEJ-collectieve actie, is de dagvaardingstermijn voor collectieve acties met betrekking tot dezelfde gebeurtenis(sen) als de SDEJ-collectieve actie bij rolbeslissing van de rechtbank Amsterdam van 30 september 2020 verlengd tot 31 december 2020. SCC heeft binnen deze termijn een dagvaarding uitgebracht in een collectieve actie tegen Mercedes c.s.
(vi) SEC beoogde eveneens aan te sluiten bij de SDEJ-collectieve actie met haar inleidende dagvaarding, die is uitgebracht binnen de hiervoor onder (v) bedoelde verlengde termijn en is aangetekend in het WAMCA-register.
Bij inleidende dagvaarding van 30 december 2020 heeft SEC, voor zover in cassatie van belang, gevorderd dat (i) voor recht zal worden verklaard dat Mercedes en de Importeur hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de als gevolg van hun onrechtmatig handelen door gedupeerden geleden schade en gehouden zijn die schade te vergoeden, (ii) dat Mercedes en de Importeur hoofdelijk zullen worden veroordeeld tot vergoeding van de door de gedupeerden geleden schade, nader op te maken bij staat, (iii) dat voor recht zal worden verklaard dat de door de Partners verkochte dieselvoertuigen non-conform zijn in de zin van de art. 7:17 e.v. BW, en (iv) voor recht zal worden verklaard dat de koopovereenkomsten tussen de Partners en een deel van de gedupeerden als gevolg van de non-conformiteit voor ontbinding vatbaar zijn.
De rechtbank heeft SEC niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe overwoog de rechtbank onder meer dat de positie van SEC moet worden beoordeeld aan de hand van de procesrechtelijke regels van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (hiervoor en hierna: WAMCA), omdat de keuze van partijen – die daaruit blijkt dat SDEJ een dagvaarding heeft uitgebracht op de voet van art. 1018c Rv en SCC en SEC haar daarin zijn gevolgd – in beginsel het voor de ingang van de procedure geldende regime bepaalt. Omdat SEC haar dagvaarding niet binnen de wettelijke termijn van art. 1018d lid 1 Rv heeft uitgebracht en ook niet om verlenging van die termijn heeft verzocht op de voet van art. 1018d lid 2 Rv, moet zij niet-ontvankelijk worden verklaard, aldus de rechtbank.
Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat zij internationaal en relatief bevoegd is om van de vorderingen van SDEJ en SCC kennis te nemen, met uitzondering van de tegen Mercedes gerichte vorderingen die strekken ter bescherming van de belangen van (rechts)personen die niet bij een van de in Nederland gevestigde Partners een voertuig hebben gekocht of via lease onder zich hebben gekregen, maar bij een autodealer elders in de Europese Unie. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat op grond van het toepasselijke overgangsrecht uitsluitend art. 3:305a (oud) BW van toepassing is op de vorderingen van SDEJ en SCC.
SEC heeft hoger beroep ingesteld en – na wijziging van eis – ook gevorderd dat, voor zover de WAMCA niet van toepassing is, voor recht wordt verklaard dat Mercedes en de Importeur onrechtmatig hebben gehandeld jegens de gedupeerden en schadeplichtig zijn, en dat de door de Partners verkochte dieselvoertuigen non-conform zijn in de zin van art. 7:17 e.v. BW en de koopovereenkomsten tussen de Partners en een deel van de gedupeerden als gevolg van de non-conformiteit voor ontbinding vatbaar zijn.
Mercedes en de Importeur hebben incidenteel hoger beroep ingesteld en betoogd dat de rechtbank zich ten onrechte (impliciet) bevoegd heeft geacht om te oordelen over de collectieve actie van SEC.
In zijn tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat het vonnis van de rechtbank niet in stand kan blijven. Ten aanzien van de bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam overwoog het hof daartoe onder meer als volgt:
“4.8. Het hof ziet geen aanleiding om de zaak aan te houden in afwachting van de antwoorden op de door dit hof op 19 september 2023 (ECLI:NL:GHAMS:2023:2570) gestelde prejudiciële vragen over de uitleg van art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis. Onder meer is gevraagd of deze bepaling rechtstreeks, met terzijdestelling van de artt. 99 tot en met 110 Rv, zowel het internationaal als het relatief bevoegde gerecht aanwijst en of bij toepassing van deze bepaling slechts één verweerder kan fungeren als ankergedaagde. Bij deze stand van zaken, waarin de vragen nog niet zijn beantwoord, gaat het hof met betrekking tot de onderwerpen waarover de vragen gaan uit van de meest beperkte uitleg van art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis. Het hof neemt tot uitgangspunt dat deze bepaling met terzijdestelling van de artt. 99 tot en met 110 Rv rechtstreeks zowel het internationaal als het relatief bevoegde gerecht aanwijst en dat bij toepassing van deze bepaling slechts één verweerder kan fungeren als ankergedaagde. Het hof ziet geen aanleiding om nadere prejudiciële vragen te stellen over art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis.
Partner 4 en Partner 13] zijn voor de toepassing van art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis de enige mogelijke ankergedaagden omdat zij hun hoofdvestiging in het arrondissement hebben en [Partner 13] daar is gevestigd (zie art. 63 Verordening Brussel I-bis). Mercedes stelt onweersproken dat zij alleen gebruikte Voertuigen kunnen hebben verkocht omdat zij servicepartners zijn. De onder 4 (in de nummering van de vorderingen door SEC) gevorderde verklaring voor recht ziet echter ook op gebruikte Voertuigen en kan dus fungeren als ankervordering.
Voor zover de toewijsbaarheid van de vorderingen tegen de ankergedaagde van belang zou zijn voor de vaststelling van de rechtsmacht op grond van art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis – dit hof heeft daar een vraag over gesteld aan het HvJEU (zie ECLI:NL:GHAMS:2023:2570) – en zou moeten worden aangenomen dat dit artikel niet kan worden toegepast bij een onvoldoende substantiëring van de vordering tegen de ankergedaagde, is daarin in het onderhavige geval gelet op de door SEC gegeven onderbouwing van haar vorderingen geen beletsel gelegen voor het aannemen van rechtsmacht. Bovendien hebben ook volgens Mercedes zowel [Partner 4] als [Partner 13] (enkele) Voertuigen verkocht die mogelijk binnen de reikwijdte van de ankervordering vallen.
Voor rechtsmacht op grond van art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis is vereist dat de vorderingen tegen Mercedes een ‘nauwe band’ in de zin van deze bepaling hebben met de ankervordering. Zowel met [Partner 4] als met [Partner 13] als ankergedaagde, bestaat tussen de vorderingen tegen Mercedes en de ankervordering een zodanige verhouding waardoor bij afzonderlijke berechting van deze vorderingen een gevaar bestaat voor onverenigbare beslissingen in de zin van art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis. Het aan het adres van Mercedes gemaakte verwijt van het onrechtmatig manipuleren van de Voertuigen is niet gericht tegen de ankergedaagde, maar de gegrondheid van de vorderingen tegen de ankergedaagde valt of staat (mede) met de gegrondheid van dit verwijt. Dat wordt niet anders door de door Mercedes genoemde verschillen in onder meer de verwijten, juridische grondslag en regimes en de niet ter discussie staande onbekendheid bij de ankergedaagde met de gestelde manipulatie door Mercedes. Voor de toewijsbaarheid van de vorderingen tegen Mercedes en de ankergedaagde moeten voorts gemeenschappelijke feitelijke vragen en rechtsvragen beantwoord worden, bijvoorbeeld de vraag naar het (nog steeds) niet voldoen aan de emissievoorschriften van de Voertuigen, de effecten daarvan en de vraag of die effecten adequaat zijn verholpen.
De nauwe band tussen de vorderingen op de ankergedaagde en de vorderingen op Mercedes is niet beperkt tot dat deel van de collectieve actie dat ziet op de koop van een gebruikt Voertuig bij de ankergedaagde. Er zijn voor de ankergedaagde en Mercedes gemeenschappelijke feitelijke vragen en rechtsvragen die niets van doen hebben met de Voertuigen die de ankergedaagde heeft verkocht.
Hieruit volgt dat in voldoende mate eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens, aan de orde is. Met gezamenlijke behandeling van de vorderingen tegen Mercedes en de ankergedaagde wordt voorkomen dat verschillende rechters ter zake daarvan dezelfde vragen moeten beantwoorden en tegenstrijdige beslissingen (kunnen) geven.
Voor Mercedes was het voorts voorzienbaar dat zij zou kunnen worden gedagvaard voor de Nederlandse rechter, waaronder die in Amsterdam. Zij moest er immers rekening mee houden dat zij zou kunnen worden opgeroepen voor een rechter van een lidstaat waarin de door haar geproduceerde voertuigen op de markt zijn gebracht. Zij mocht in de gegeven omstandigheden niet ervan uit gaan dat zij binnen een lidstaat alleen kon worden gedaagd voor een vordering van, namens of ten behoeve van een koper of kopers in het desbetreffende arrondissement.
De slotsom luidt dat de rechtbank Amsterdam met toepassing van art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis rechtsmacht heeft zowel in het geval [Partner 4] de ankergedaagde is als wanneer [Partner 13] dat is. Onbesproken kan blijven of de rechtbank Amsterdam eveneens bevoegd is op grond van art. 7 lid 2 Verordening Brussel I-bis.
De Importeur en de Partners
De herstelfunctie van het hoger beroep brengt mee dat de door de Importeur en de Partners bestreden relatieve bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam alsnog dient te worden beoordeeld aan de hand van artt. 99 tot en met 110 Rv.
De Importeur en de Partners menen dat de rechtbank Amsterdam uitsluitend relatief bevoegd is ten aanzien van vorderingen tegen Partners die hun statutaire zetel hebben in het arrondissement Amsterdam, of (bij een statutaire zetel elders) indien Partners een filiaal hebben in Amsterdam en het aangelegenheden betreft die zien op dit filiaal. Dit betoog gaat niet op.
[Partners 13, 4, 14 en 20] zijn gevestigd in het arrondissement Amsterdam of hebben daar een filiaal. Ook als in aanmerking wordt genomen dat [Partners 13 en 4] servicepartners zijn en dus geen nieuwe voertuigen verkopen – hetgeen SEC niet (gemotiveerd) betwist – bestaat tussen de vorderingen tegen deze vier Partners (voor zover nodig ieder voor zich) en die tegen de Importeur en de andere Partners een zodanige samenhang dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.
Deze vorderingen vloeien allemaal voort uit de aankoop bij een Partner van een gesteld nonconform Voertuig, dat is geïmporteerd door de Importeur. De eventuele verschillen in feitelijke en juridische grondslagen van de vorderingen tegen de Partners en/of de Importeur nemen niet weg dat bij beoordeling van de toewijsbaarheid van deze vorderingen in belangrijke mate dezelfde of met elkaar samenhangende feitelijke en juridische vragen zullen moeten worden beantwoord. De rechtbank Amsterdam is dan ook op grond van art. 107 Rv relatief bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen tegen de Importeur en de Partners die niet gevestigd zijn in Amsterdam of daar geen filiaal hebben.
Partners 16 en 17-19] beroepen zich op de forumkeuzes die zij met hun klanten zijn overeengekomen voor de rechtbanken Den Haag respectievelijk Limburg. Deze forumkeuzes kunnen niet worden tegengeworpen aan SEC, die in deze procedure een eigen vorderingsrecht uitoefent en geen partij is bij de koopovereenkomsten waarop deze forumkeuzes van toepassing zijn.
Daarnaast moest SEC haar vorderingen waarmee zij beoogde aan te haken bij de SDEJ-collectieve actie, voor zover de WAMCA daarop van toepassing is op grond van art. 1018d lid 2 Rv instellen bij de rechtbank Amsterdam. Uit deze bepaling vloeit voort dat de keuze voor de rechtbank waar de collectieve actie wordt behandeld wordt overgelaten aan de eerste rechtspersoon die een collectieve vordering aanhangig maakt. In het zich hier niet voordoende geval dat de eerste collectieve vordering is ingesteld bij een niet relatief bevoegde rechtbank, kunnen de belangenbehartigers die ook een collectieve vordering willen instellen voor dezelfde gebeurtenis(sen) over soortgelijke feitelijke en rechtsvragen wijzen op de relatieve onbevoegdheid van deze rechtbank en vragen om verwijzing. Zie Kamerstukken II 2017-2018, 34 608, nr. 7, p. 6, waar wordt opgemerkt dat het belangrijkste is dat alle collectieve vorderingen voor de dezelfde gebeurtenis over soortgelijke feitelijke en rechtsvragen eerst als één zaak worden aangemerkt en na eventuele verwijzing naar de wel relatief bevoegde rechter verder ook als één zaak worden behandeld.”
Voorts oordeelde het hof dat de collectieve vorderingen van SEC, voor zover deze betrekking hebben op Euro 5 voertuigen, worden beheerst door art. 3:305a (oud) BW, en voor zover deze betrekking hebben op Euro 6 voertuigen, door de WAMCA. Het hof overwoog daartoe onder meer als volgt:
“4.15. Met de invoering van de WAMCA is art. 3:305a BW, dat het instellen van collectieve vorderingen regelt, gewijzigd en zijn nieuwe processuele bepalingen voor dergelijke vorderingen toegevoegd in titel 14A Rv. Het relevante overgangsrecht voor art. 3:305a BW is neergelegd in art. 119a lid 2 Overgangswet NBW (ONBW). Deze bepaling bevat een uitzondering op de hoofdregel van onmiddellijke werking (art. 68a ONBW) die inhoudt dat art. 3:305a (oud) BW van toepassing blijft voor na 1 januari 2020 ingestelde collectieve vorderingen “voor zover de rechtsvordering betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016.” Het overgangsrecht dat geldt voor de met de WAMCA ingevoerde titel 14A Rv houdt in dat deze titel van toepassing is op gedingen die op of na 1 januari 2020 aanhangig zijn gemaakt en betrekking hebben op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden op of na 15 november 2016 (art. III onder 2 WAMCA).De met de WAMCA doorgevoerde wijzigingen in het BW en het Rv zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Gelet hierop en omdat het WAMCA-overgangsrecht uitzondering maakt op het uitgangspunt van onmiddellijke werking van wijzigingen van het BW en het Rv, is de WAMCA niet van toepassing op collectieve vorderingen die (uitsluitend) betrekking hebben op een gebeurtenis of gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016 (vlg. HR 11 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:347, rov. 3.1.4). Dit strookt met de met het WAMCA-overgangsrecht nagestreefde rechtszekerheid en het voorkomen van procedures over dezelfde gebeurtenis(sen) onder verschillende collectieve actie regimes.Voor de vaststelling of sprake is van een gebeurtenis of gebeurtenissen die (uitsluitend) voor dan wel vanaf 15 november 2016 heeft of hebben plaatsgevonden dient acht geslagen te worden op de stellingen van SDEJ en de betwistingen van geïntimeerden. Bewijs is dus niet aan de orde, een aanwijzing op grond van de stellingen van partijen is voldoende (vgl. HR 11 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:347, rov. 3.1.4).
De gemene deler van de collectieve vorderingen van SEC is dat alle, op verschillende juridische grondslagen stoelende, verwijten aan Mercedes, de Importeur en de Partners zien op in Nederland in het verkeer gebrachte Voertuigen die zouden zijn voorzien van emissiebeheersingssoftware (een vermeend manipulatie-instrument) waardoor zij niet voldeden en nog steeds niet voldoen aan de toepasselijke emissievoorschriften. Het hof merkt daarom het in Nederland in het verkeer brengen van Voertuigen die zijn voorzien van een vermeend manipulatie-instrument aan als de ‘gebeurtenis(sen)’ waarop de collectieve vorderingen van SEC zien. Het hof onderschrijft dus niet de door de rechtbank bepaalde ‘gebeurtenis’, te weten het ontwikkelen van de emissiebeheersingssoftware. De door SEC voorgestane gebeurtenis(sen), waaronder de herprogrammering van de betreffende software, betreffen het voortduren of het niet wegnemen van de gestelde schade die het gevolg is van het in Nederland in het verkeer brengen van Voertuigen die niet aan de emissievoorschriften voldoen. Het (ook) aanmerken daarvan als de voor toepassing van het overgangsrecht relevante gebeurtenis(sen) zou leiden tot strijd met de met het overgangsrecht beoogde rechtszekerheid.
Bij toepassing van art. 119a lid 2 BW [bedoeld is: Ow NBW; Hoge Raad] op de collectieve vorderingen van SEC dient onderscheid te worden gemaakt tussen Voertuigen waarvoor de Euro 5 respectievelijk Euro 6 emissienormen gelden. De Euro 5 norm gold tot september 2015, daarna gold de Euro 6 norm. Gezien de partijdiscussie is er geen aanwijzing dat op of na 15 november 2016 Euro 5 Voertuigen waarop de collectieve vorderingen van SEC zien in Nederland in het verkeer zijn gebracht. De collectieve vorderingen van SEC met betrekking tot de Euro 5 Voertuigen hebben daarmee uitsluitend betrekking op gebeurtenissen die voor 15 november 2016 hebben plaatsgevonden en worden beheerst door art. 3:305a (oud) BW. De keuze van SEC om in één procedure collectieve vorderingen in te stellen met betrekking tot Voertuigen die in een lange periode zijn geproduceerd waarin verschillende emissievoorschriften (Euro 5/Euro 6) gelden, kan niet ertoe leiden dat collectieve vorderingen met betrekking tot Voertuigen die op en na 15 november 2016 niet langer werden geproduceerd onder het WAMCA-regime worden gebracht. Dat strookt niet de door de wetgever met art. 119a ONBW beoogde rechtszekerheid.
De partijdiscussie biedt voldoende aanwijzingen dat de Euro 6 Voertuigen waarop de collectieve vorderingen van SEC zien (ook) op en na 15 november 2016 in Nederland in het verkeer zijn gebracht. De collectieve vorderingen met betrekking tot deze Voertuigen hebben dan ook niet (uitsluitend) betrekking op gebeurtenis(sen) van voor 15 november 2016. De WAMCA is daarop van toepassing. Dit strookt met het uitgangspunt van de WAMCA dat alle vorderingen met betrekking tot dezelfde gebeurtenis(sen) geconcentreerd worden in één collectieveactieprocedure, de bedoeling van de wetgever om te voorkomen dat tegelijkertijd verschillende regimes van toepassing zijn op collectieve acties over dezelfde gebeurtenis(sen) en de door de wetgever nagestreefde rechtszekerheid, die onder meer inhoudt dat (potentiële) gedaagden kunnen verwachten dat zij met betrekking tot gebeurtenissen die niet of niet uitsluitend voor 15 november 2016 hebben plaatsgehad kunnen worden geconfronteerd met een collectieve actie waarop de WAMCA van toepassing is.”
Het hof heeft verder geoordeeld dat de rechtbank SEC ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar vorderingen vanwege het ontbreken van een tijdig eigen verzoek om een verlengde dagvaardingstermijn zoals bedoeld in art. 1018d lid 2 Rv. Volgens het hof is deze bepaling niet toepasselijk voor zover de collectieve vorderingen van SEC zien op Euro 5 voertuigen. Die vorderingen worden beheerst door art. 3:305a (oud) BW, dat geen termijn kent voor het instellen van een vordering. Voor zover de collectieve vorderingen van SEC zien op Euro 6 voertuigen en daarom volgens het hof wel worden beheerst door de WAMCA, oordeelde het hof dat de verlengde dagvaardingstermijn ook geldt voor belangenorganisaties die zelf niet om verlenging hebben verzocht (rov. 4.20-4.24).
Ten slotte heeft het hof geoordeeld dat het hoger beroep van SEC niet bij gebrek aan belang moet stranden (rov. 4.25).
Bij eindarrest heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd, de zaak teruggewezen naar de rechtbank ter verdere afdoening, en verlof verleend om cassatieberoep in te stellen.
3. Beoordeling van het middel
Internationale bevoegdheid
Onderdeel 1 van het middel richt klachten tegen het oordeel van het hof (in de rov. 4.4-4.11 van het tussenarrest) dat de rechtbank Amsterdam op grond van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis internationaal bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van SEC tegen Mercedes c.s.
De beoordeling van deze klachten dient te geschieden in het licht van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) in de zaak Electricity & Water Authority of the Government of Bahrain over de uitleg van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis.
In die uitspraak heeft het HvJEU, in het dictum onder 2, geoordeeld dat bij de beoordeling of tussen vorderingen tegen meerdere verweerders een “zo nauwe band” in de zin van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis bestaat, de voorzienbaarheid voor de medeverweerder om te worden opgeroepen voor het gerecht van de verweerder die fungeert als ankergedaagde om de bevoegdheid van de aangezochte rechter vast te stellen, geen zelfstandig criterium is, maar als algemeen beginsel in aanmerking moet worden genomen bij de toepassing van die bepaling.
Voorts heeft het HvJEU, in het dictum onder 3, geoordeeld dat bij de beoordeling of er een “zo nauwe band” in de zin van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis tussen vorderingen tegen meerdere verweerders bestaat, geen rekening hoeft te worden gehouden met de toewijsbaarheid van de vordering jegens de verweerder die fungeert als ankergedaagde om de bevoegdheid van de aangezochte rechter vast te stellen.
Mede gelet op de hiervoor in 3.1.2 weergegeven uitleg van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis, kunnen de klachten van onderdeel 1 niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet nader te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
Nu ook overigens redelijkerwijs geen twijfel bestaat over het antwoord op de door onderdeel 1 opgeworpen vragen van Unierecht (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.22), ziet de Hoge Raad geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU.
Overgangsrecht van de WAMCA
Onderdeel 2 is gericht tegen het oordeel van het hof (in de rov. 4.15-4.19 van het tussenarrest) over het toepasselijke collectieve-actieregime op de vorderingen van SEC. Bij de behandeling van dit onderdeel stelt de Hoge Raad het volgende voorop.
De WAMCA is op 1 januari 2020 in werking getreden. Hiermee werd onder meer art. 3:305a BW gewijzigd (art. I) en werd titel 14A toegevoegd aan Boek 3 Rv (art. II). Art. III, onderdeel 1, WAMCA bevat het overgangsrecht voor art. 3:305a BW. Dit is thans neergelegd in art. 119a Ow NBW dat, voor zover in cassatie relevant, als volgt luidt:
“1 In afwijking van artikel 68a en artikel 74, leden 2 tot en met 4, blijven voor een rechtsvordering die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen als bedoeld in de artikelen 305a tot en met 305d van Boek 3 en die is ingesteld voor 1 januari 2020 de voorwaarden van toepassing die golden voor die datum.
2 In afwijking van artikel 68a, blijven voor een rechtsvordering die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen als bedoeld in de artikelen 305a tot en met 305d van Boek 3 en die is ingesteld op of na 1 januari 2020 de voorwaarden van toepassing die golden voor die datum voor zover de rechtsvordering betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016.”
Art. III, onderdeel 2, WAMCA bevat het overgangsrecht voor titel 14A van Boek 3 Rv en luidt als volgt:
“Artikel II van deze wet is van toepassing op gedingen die aanhangig zijn gemaakt op of na het tijdstip van het in werking treden van de wet en die betrekking hebben op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden op of na 15 november 2016.”
De rechtsvordering als bedoeld in art. 119a Ow NBW is in deze procedure door SEC ingesteld bij inleidende dagvaarding van 30 december 2020 (zie hiervoor in 2.2). Dat betekent dat het eerste lid van art. 119a Ow NBW hier toepassing mist.
Het tweede lid van art. 119a Ow NBW is toegevoegd bij amendement en bepaalt dat het oude recht van toepassing is voor zover de rechtsvordering betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016. Uit de toelichting op het amendement volgt dat het voornaamste doel daarvan is om de rechtszekerheid te waarborgen. De verwerende partij heeft geen rekening kunnen houden met het nieuwe recht als het gaat om gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016, zijnde de datum waarop het voorstel voor de WAMCA aan de Tweede Kamer is aangeboden.
De tekst van het amendement moet in het licht van de toelichting daarop aldus worden begrepen, dat in een geval waarin een rechtsvordering betrekking heeft zowel op gebeurtenissen die voor 15 november 2016 hebben plaatsgevonden als op gebeurtenissen die op of na 15 november 2016 hebben plaatsgevonden, een splitsing van de rechtsvordering moet plaatsvinden. Dit betekent dat voor zover de rechtsvordering betrekking heeft op gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016, deze wordt beheerst door het oude recht (art. 3:305a (oud) BW). Voor zover de rechtsvordering betrekking heeft op gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden op of na 15 november 2016, wordt deze beheerst door de WAMCA. Op deze regel van overgangsrecht heeft de Hoge Raad geen uitzondering gemaakt in zijn (door het hof in rov. 4.15 van het tussenarrest vermelde) beschikking van 11 maart 2022. De Hoge Raad ziet nu evenmin aanleiding een uitzondering te maken.
Met het begrip ‘gebeurtenissen’ in de hiervoor in 3.2.2 vermelde bepalingen wordt gedoeld op de feiten die de grondslag vormen van de rechtsvordering van een belangenorganisatie in een collectieve actie. Daarbij dient de rechter uit te gaan van hetgeen de belangenorganisatie heeft gesteld, maar ook rekening te houden met de eventuele betwisting daarvan door de gedaagde. Indien de gedaagde de desbetreffende stellingen van de belangenorganisatie betwist, is de rechter in het kader van de bepaling van het toepasselijke collectieve-actierecht (art. 3:305a (oud) BW dan wel de WAMCA) niet gehouden om nader feitenonderzoek te doen of instructiemaatregelen, bijvoorbeeld ten behoeve van bewijslevering, te treffen. De rechter mag zich voor dat oordeel beperken tot de al beschikbare gegevens.
Het overgangsrecht met betrekking tot titel 14A van Boek 3 Rv moet eveneens op vorenstaande wijze worden begrepen. Dit betekent dat deze titel alleen van toepassing is voor zover de aan de rechter voorgelegde rechtsvordering wordt beheerst door de WAMCA.
Opmerking verdient dat in deze zaak geen betekenis toekomt aan de opmerking in de hiervoor in 3.2.4 bedoelde toelichting op het amendement dat “[i]n het theoretische geval dat sprake is van een reeks van gebeurtenissen die zowel vóór als na 15 november 2016 plaatsvinden”, het recht van toepassing is “zoals dat geldt op het moment dat de laatste gebeurtenis waarop de vordering betrekking heeft, heeft plaatsgevonden”. Hiermee is klaarblijkelijk gedoeld op gevallen die zich volgens de indieners van het amendement slechts bij hoge uitzondering voordoen. Van een ‘reeks van gebeurtenissen’ zoals bedoeld in de toelichting op het amendement is slechts sprake indien de feiten die de grondslag vormen van de rechtsvordering van een belangenorganisatie in een collectieve actie, zozeer met elkaar zijn verweven dat in het kader van de bepaling van het toepasselijke collectieve-actierecht (art. 3:305a (oud) BW dan wel de WAMCA) geen splitsing in afzonderlijke gebeurtenissen kan worden gemaakt. De feiten van deze zaak laten geen andere conclusie toe dan dat dit geval zich in deze zaak niet voordoet.
Onderdeel 2.2 keert zich tegen het oordeel van het hof (in rov. 4.15, tweede alinea, van het tussenarrest) dat de WAMCA niet van toepassing is op vorderingen die (uitsluitend) betrekking hebben op een gebeurtenis of gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016. Het onderdeel voert in de kern aan dat het hof aldus heeft miskend dat als de rechtsvordering betrekking heeft op gebeurtenissen die zowel voor als op of na 15 november 2016 hebben plaatsgevonden, een splitsing van de rechtsvordering moet plaatsvinden.
Deze klacht slaagt. In het oordeel van het hof ligt besloten dat de WAMCA van toepassing is indien de rechtsvordering zowel berust op gebeurtenissen die voor 15 november 2016 hebben plaatsgevonden als op gebeurtenissen die op of na die datum hebben plaatsgevonden. Deze rechtsopvatting is onjuist. In een geval waarin de rechtsvordering betrekking heeft zowel op gebeurtenissen die voor 15 november 2016 hebben plaatsgevonden als op gebeurtenissen die op of na 15 november 2016 hebben plaatsgevonden, dient een splitsing van de rechtsvordering plaats te vinden (zie hiervoor in 3.2.4).
In het geding na verwijzing zal – met het oog op de toepassing van art. 3:305a (oud) BW dan wel de WAMCA – voor elke door SEC tegen iedere gedaagde ingestelde rechtsvordering moeten worden onderzocht welke gebeurtenis of gebeurtenissen daaraan ten grondslag is of zijn gelegd, en of die gebeurtenis of gebeurtenissen heeft of hebben plaatsgevonden voor dan wel op of na 15 november 2016.
De klachten van de onderdelen 2.4-2.11 behoeven geen behandeling.
Ontvankelijkheid
Onderdeel 3 klaagt over het oordeel van het hof (in de rov. 4.21-4.24 van het tussenarrest)
dat de rechtbank SEC ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar collectieve vorderingen voor zover deze betrekking hebben op Euro 6 voertuigen. De rechtbank overwoog daartoe dat het ontbrak aan een tijdig verzoek van SEC op de voet van art. 1018d lid 2 Rv tot verlenging van de dagvaardingstermijn. Het hof oordeelde dat de op verzoek van SCC verlengde dagvaardingstermijn (zie hiervoor in 2.1 onder (v)) ook geldt voor SEC. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel onjuist is, omdat de verlenging alleen geldt voor de belangenorganisatie die daarom heeft verzocht.
Deze klacht treft doel. Een verlenging van de dagvaardingstermijn als bedoeld in art. 1018d lid 2 Rv geldt uitsluitend voor de rechtspersoon die om verlenging heeft verzocht en heeft dus geen algemene werking.
Relatieve bevoegdheid
Onderdeel 6 richt klachten tegen het oordeel van het hof (in de rov. 4.12-4.14 van het tussenarrest) dat de rechtbank Amsterdam op grond van art. 107 Rv relatief bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van SEC tegen de Importeur en de Partners.
Het bestreden oordeel strekt ter verwerping van het verweer van Mercedes c.s. dat de rechtbank Amsterdam niet relatief bevoegd is. Tegen een dergelijke beslissing is op grond van art. 110 lid 3 Rv geen hogere voorziening toegelaten. In zoverre zijn Mercedes c.s. dus niet-ontvankelijk in hun beroep.
Overige klachten
Onderdeel 5 behoeft geen behandeling.
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 13 augustus 2024, zoals hersteld bij arrest van 26 november 2024, en 22 oktober 2024;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing;
- veroordeelt SEC in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Mercedes c.s. begroot op € 1.049,47 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien SEC deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, A.E.B. ter Heide en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op 25 september 2026.