ECLI:NL:HR:2026:1578

ECLI:NL:HR:2026:1578

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 06-10-2026
Datum publicatie 30-09-2026
Zaaknummer 24/01620
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHSHE:2024:1378
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2026:845

Samenvatting

Opzettelijk niet betalen van omzetbelasting, art. 69a.1 AWR. 1. Ontvankelijkheid OM en hetzelfde feit, art. 243.2 en 255.1 Sv jo. art. 50 Handvest van grondrechten EU. Kon hof oordelen dat vervolging voor overtreding van art. 69a.1 AWR niet betrekking heeft op “hetzelfde feit” a.b.i. art. 255.1 Sv als waarvoor eerder aan verdachte een verzuimboete o.g.v. art. 67c AWR is opgelegd? 2. Verzoek om prejudiciële vraag te stellen aan HvJ EU over uitleg van art. 50 Handvest. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2011:BM9102 m.b.t. “hetzelfde feit” a.b.i. art. 68 Sr. Daarbij genoemde vergelijkingsfactoren zijn ook bepalend bij beoordeling of sprake is van “hetzelfde feit” a.b.i. art. 243.2 jo. 255.1 Sv. In geval dat bestuurlijke boete is opgelegd, gaat het bij toepassing van vergelijkingsfactor juridische aard van feiten om vergelijking van (i) in tll. omschreven en aan boete ten grondslag liggende verwijten, mede aan de hand van rechtsgoederen die worden beschermd door enerzijds toepasselijke bestuursrechtelijke norm en anderzijds delictsomschrijving, en (ii) bepalingen die betrekking hebben op maximale bestraffing van onderscheiden feiten (vgl. HR:2016:222). Zowel in rechtspraak van HR over art. 68 en 255.1 Sv als in rechtspraak van HvJ EU over art. 50 jo. 52 Handvest staat ne bis in idem-beginsel centraal. Dit beginsel beschermt tegen onevenredige bestraffing en ongerechtvaardigde cumulatie van procedures. Dat dit beginsel zowel nationaalrechtelijke als EU-rechtelijke uitwerking kent, betekent niet dat inhoud van begrip “hetzelfde feit” in art. 68 Sr en 255.1 Sv samenvalt met (en moet worden afgestemd op) betekenis van begrip “hetzelfde delict” in art. 50 Handvest. Daarmee houdt verband dat art. 50 Handvest een eigen beperkingssystematiek kent via art. 52 Handvest. Dat sprake is van “hetzelfde delict” a.b.i. art. 50 Handvest, betekent namelijk niet z.m. dat herhaalde berechting of bestraffing van bepaalde gedraging in strijd is met Handvest. Nationaalrechtelijke bepalingen waarin ne bis in idem-beginsel tot uitdrukking komt, kennen niet zo’n beperkingssystematiek. Oordeel dat sprake is van “hetzelfde feit” leidt er bij toepassing van art. 68 en 255.1 Sv (in beginsel) toe dat herhaalde berechting of bestraffing niet is toegestaan. Strafrechter moet in zaken die binnen werkingssfeer Handvest vallen, niet alleen nagaan of strafrechtelijke vervolging verenigbaar is met art. 68 Sr en art. 255.1 Sv, maar ook (als art. 68 Sr en/of art. 255.1 Sv niet al aan die vervolging in de weg staan) onder ogen zien of strafrechtelijke vervolging en bestraffing te verenigen zijn met art. 50 jo. 52 Handvest en, zo ja, welke straf in het licht van eventuele cumulatie van procedures nog passend is. M.b.t vervolgingsbeslissing geldt dat in fiscale zaken waarin zowel oplegging van bestuurlijke boete als strafrechtelijke afdoening openstaat, beleidsregels in Protocol AAFD 2023 (Stcrt. 2023, 16878) ertoe strekken dat afstemming plaatsvindt tussen Belastingdienst en OM over te kiezen afdoeningsmodaliteit(en). Hoewel protocol dat niet expliciet bepaalt, moet dit protocol zo worden toegepast dat afstemming ook plaatsvindt in gevallen waarin het gaat om gedragingen die (deels) dezelfde materiële feiten betreffen a.b.i. rechtspraak van HvJ EU. Hiermee wordt tegengegaan dat strafrechtelijke vervolging plaatsvindt als met (uitsluitend) bestuursrechtelijke handhaving kan worden volstaan. Ook afgezien van in beleidsregels neergelegde (afstemmings)voorschriften kan het aangewezen zijn dat afstemming plaatsvindt om te voorkomen dat cumulatie van procedures plaatsvindt die in het licht van de uit Handvest voortvloeiende vereisten niet kan worden gerechtvaardigd. Als in feitelijke instantie het verweer wordt gevoerd dat beslissing tot strafrechtelijke vervolging niet in overeenstemming met de o.g.v. art. 50 Handvest geldende vereisten voor onderlinge afstemming is genomen en dat daarom OM niet-ontvankelijk moet worden verklaard in vervolging, zal rechter hierop gemotiveerd moeten beslissen. Die motivering kan in cassatie worden getoetst. Daarnaast geldt in zaken waarin sprake is van (tweede) vervolging, terwijl (i) verdachte al eerder in straf- of bestuursrechtelijke procedure is bestraft voor gedragingen die (deels) dezelfde materiële feiten a.b.i. rechtspraak HvJ betreffen, maar (ii) geen sprake is van vervolging voor “hetzelfde feit” a.b.i. art. 68 Sr en/of art. 255.1 Sv, dat strafrechter zich bij strafoplegging ervan zal moeten vergewissen dat nadelen die verdachte a.g.v. beide procedures lijdt niet onevenredig zijn (vgl. HR:2021:387, HR:2018:2350 en HR:2022:364). Hiervan zal uit motivering van (eventuele) strafoplegging moeten blijken. Opvatting dat in geval dat bestuurlijke boete is opgelegd voor inhoud van begrip “hetzelfde feit” in art. 255.1 Sv aansluiting moet worden gezocht bij betekenis van begrip “hetzelfde delict” in art. 50 Handvest, is onjuist gelet op wat hiervoor is overwogen. Ad 2. Gelet op wat hiervoor is overwogen, kan opgeworpen vraag worden beantwoord aan de hand van (in het bijzonder) hiervoor genoemde rechtspraak van HvJ EU. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor stellen van prejudiciële vraag aan HvJ EU. Volgt verwerping. Vervolg op HR:2022:1364.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/01620

Datum 6 oktober 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 22 april 2024, nummer 20-002251-22, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten A.J.C. Perdaems en D.C. Molenaars bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt over de beslissing van het hof om het openbaar ministerie ontvankelijk te verklaren in de vervolging. Het doet daartoe onder meer een beroep op artikel 243 lid 2 en 255 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) in samenhang met artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).

Het gaat in deze zaak om een fiscale strafzaak waarin het hof heeft vastgesteld dat aan de verdachte, voorafgaand aan zijn strafrechtelijke vervolging, al verzuimboetes zijn opgelegd in verband met het niet voldoen aan de verplichting tot het betalen van omzetbelasting. De tenlastelegging en de bewezenverklaring houden in dat de verdachte kwartaalaangiften omzetbelasting heeft gedaan, maar dat hij deze omzetbelasting niet op aangifte heeft voldaan. Het hof heeft het openbaar ministerie ontvankelijk verklaard in de vervolging en heeft in dat verband geoordeeld dat de vervolging voor overtreding van artikel 69a lid 1 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (hierna: AWR) niet betrekking heeft op ‘hetzelfde feit’ in de zin van artikel 255 lid 1 Sv als waarvoor eerder aan de verdachte een verzuimboete op grond van artikel 67c AWR is opgelegd. Daarbij heeft het hof onder meer betrokken dat artikel 69a AWR een opzetvereiste kent en de in dit artikel genoemde maximumstraf van zes jaren gevangenisstraf in aanzienlijke mate verschilt van de bestuurlijke boete die ten hoogste is gesteld op overtreding van artikel 67c AWR. Daarnaast heeft het hof bij de straftoemeting betrokken dat de bestuursrechtelijke fiscale wetgeving in een geval als dit voldoende andere mogelijkheden biedt om de gedragingen van de verdachte te sanctioneren en op grond daarvan geoordeeld dat aan de verdachte geen (aanvullende) straf of maatregel zal worden opgelegd.

De Wet op de omzetbelasting 1968 geeft uitvoering aan de Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over toegevoegde waarde (BTW-richtlijn 2006). Nu de verdachte wordt vervolgd voor, kort gezegd, het niet nakomen van aangifteverplichtingen inzake de omzetbelasting, is met deze strafvervolging sprake van het ten uitvoer brengen van het Unierecht in de zin van artikel 51 lid 1 Handvest. In deze procedure kan daarom een beroep worden gedaan op het Handvest.

De volgende wettelijke en Unierechtelijke bepalingen zijn van belang.

- Artikel 68 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr):

“Behoudens de gevallen waarin rechterlijke uitspraken voor herziening vatbaar zijn, kan niemand andermaal worden vervolgd wegens een feit waarover te zijnen aanzien bij gewijsde van de rechter in Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba onherroepelijk is beslist.”

- Artikel 243 lid 2 Sv:

“Indien terzake van het feit aan de verdachte een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel een mededeling als bedoeld in artikel 5:50, tweede lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht is verzonden, heeft dit dezelfde rechtsgevolgen als een kennisgeving van niet verdere vervolging.”

- Artikel 255 lid 1 Sv:

“De verdachte kan na zijn buitenvervolgingstelling, na de hem betekende beschikking, houdende verklaring dat de zaak geëindigd is, of na de hem betekende kennisgeving van niet verdere vervolging, in het laatste geval behoudens artikel 12i of artikel 246, ter zake van hetzelfde feit niet opnieuw in rechten worden betrokken tenzij nieuwe bezwaren bekend zijn geworden.”

- Artikel 50 Handvest:

“Recht om niet tweemaal in een strafrechtelijke procedure voor hetzelfde delict te worden berecht of gestraft

Niemand wordt opnieuw berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure voor een strafbaar feit waarvoor hij in de Unie reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet.”

- Artikel 52 lid 1 Handvest:

“Beperkingen op de uitoefening van de in dit handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen alleen beperkingen worden gesteld indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen beantwoorden.”

Bij de beoordeling of sprake is van ‘hetzelfde feit’ in de zin van artikel 68 Sr moeten op grond van eerdere rechtspraak van de Hoge Raad de volgende gegevens als relevante vergelijkingsfactoren worden betrokken.(A) De juridische aard van de feiten. Als de tenlastegelegde feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft (i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheiden delictsomschrijvingen strekken, en (ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komen de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding.(B) De gedraging van de verdachte. Hierbij kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht.Van belang is datuit de bewoordingen van het begrip ‘hetzelfde feit’ al voortvloeit dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Vuistregel is echter dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van ‘hetzelfde feit’ in de zin van artikel 68 Sr. (Vgl. HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM9102.)

De onder 2.4.1 genoemde vergelijkingsfactoren zijn ook bepalend bij de beoordeling of sprake is van ‘hetzelfde feit’ in de zin van artikel 243 lid 2 in samenhang met artikel 255 lid 1 Sv. In het geval dat een bestuurlijke boete is opgelegd, gaat het bij de toepassing van vergelijkingsfactor (A) om een vergelijking van (i) de in de tenlastelegging omschreven en de aan de boete ten grondslag liggende verwijten, mede aan de hand van de rechtsgoederen die worden beschermd door enerzijds de toepasselijke bestuursrechtelijke norm en anderzijds de delictsomschrijving, en (ii) de bepalingen die betrekking hebben op de maximale bestraffing van de onderscheiden feiten. (Vgl. HR 9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:222, rechtsoverweging 2.3.)

De manier waarop toepassing moet worden gegeven aan artikel 50 in samenhang met artikel 52 Handvest is door het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) onder meer uiteengezet in zijn arrest van 20 maart 2018, zaak C-524/15 (Menci). De overwegingen in dit arrest houden onder meer in:

“Bestaan van een en hetzelfde strafbare feit

34 Uit de bewoordingen zelf van artikel 50 van het Handvest volgt dat het op grond daarvan verboden is om een en dezelfde persoon meer dan eenmaal strafrechtelijk te berechten of te straffen voor een en hetzelfde strafbare feit (...).

35 Volgens de rechtspraak van het Hof is het relevante criterium om te beoordelen of van een en hetzelfde strafbare feit sprake is, dat de materiële feiten dezelfde zijn, in die zin dat sprake is van een geheel van concrete omstandigheden die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en die tot de onherroepelijke vrijspraak of veroordeling van de betrokkene hebben geleid (zie naar analogie arresten van 18 juli 2007, Kraaijenbrink, C-367/05, EU:C:2007:444, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 16 november 2010, Mantello, C-261/09, EU:C:2010:683, punten 39 en 40). Krachtens artikel 50 van het Handvest is het dus verboden om voor dezelfde feiten meerdere sancties van strafrechtelijke aard op te leggen die uit verschillende met het oog daarop gevoerde procedures voortvloeien.

36 Voorts zijn de nationaalrechtelijke kwalificatie van de feiten en van het beschermde rechtsgoed irrelevant voor de constatering dat van een en hetzelfde strafbare feit sprake is, aangezien de omvang van de door artikel 50 van het Handvest geboden bescherming niet van lidstaat tot lidstaat mag verschillen.

(...)

Rechtvaardiging van de beperking van het in artikel 50 van het Handvest gewaarborgde recht

40 In herinnering dient te worden gebracht dat het Hof in zijn arrest van 27 mei 2014, Spasic (C‑129/14 PPU, EU:C:2014:586, punten 55 en 56), heeft geoordeeld dat een beperking van het door artikel 50 van het Handvest gewaarborgde ne-bis-in-idembeginsel op grond van artikel 52, lid 1, van het Handvest kan worden gerechtvaardigd.

41 Volgens artikel 52, lid 1, eerste volzin, van het Handvest moeten beperkingen op de uitoefening van de in dat Handvest erkende rechten en vrijheden bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Volgens de tweede volzin van hetzelfde lid kunnen, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, op die rechten en vrijheden slechts beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

(...)

44 Wat betreft de vraag of de beperking van het ne-bis-in-idembeginsel die voortvloeit uit een nationale regeling als die welke in het hoofgeding aan de orde is, beantwoordt aan een doelstelling van algemeen belang, blijkt uit de aan het Hof ter beschikking staande stukken dat die regeling ertoe strekt te waarborgen dat de verschuldigde btw volledig wordt geïnd. Gelet op het belang dat in de rechtspraak van het Hof wordt gehecht aan de strijd tegen btw-delicten teneinde die doelstelling te verwezenlijken (zie in die zin arrest van 5 december 2017, M.A.S. en M.B., C-42/17, EU:C:2017:936, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak), kan een cumulatie van vervolgingsmaatregelen en sancties van strafrechtelijke aard gerechtvaardigd zijn wanneer die vervolgingsmaatregelen en sancties, met het oog op de verwezenlijking van een dergelijke doelstelling, elkaar aanvullende doelen nastreven die in voorkomend geval betrekking hebben op verschillende aspecten van hetzelfde inbreukmakende gedrag. Het is aan de verwijzende rechter om na te gaan of dat het geval is.

45 In dit verband lijkt het op het gebied van btw-delicten legitiem te zijn dat een lidstaat wil afschrikken van elke al dan niet opzettelijke overtreding van de regels inzake de aangifte en de inning van btw en die wil bestraffen door oplegging van – in voorkomend geval forfaitair vastgestelde – administratieve sancties, en tevens wil afschrikken van ernstige overtreding van die regels, die bijzonder schadelijk is voor de samenleving en die de vaststelling van zwaardere strafrechtelijke sancties rechtvaardigt, en die wil bestraffen.

46 De eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel vereist voorts dat een cumulatie van vervolgingsmaatregelen en sancties die mogelijk wordt gemaakt door een nationale regeling als die welke in de hoofdzaak aan de orde is, niet buiten de grenzen treedt van wat geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de rechtmatige doelstellingen die met de betrokken regeling worden nagestreefd, met dien verstande dat, wanneer een keuze mogelijk is tussen meerdere geschikte maatregelen, die maatregel moet worden gekozen die de minste belasting met zich brengt, en dat de veroorzaakte nadelen niet onevenredig mogen zijn aan het nagestreefde doel (zie in die zin arresten van 25 februari 2010, Müller Fleisch, C-562/08, EU:C:2010:93, punt 43; 9 maart 2010, ERG e.a., C-379/08 en C-380/08, EU:C:2010:127, punt 86, en 19 oktober 2016, EL-EM-2001, C-501/14, EU:C:2016:777, punten 37 en 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

(...)

49 Wat de strikte noodzaak ervan betreft, moet een nationale regeling als die in de hoofdzaak allereerst duidelijke en nauwkeurige regels bevatten, zodat de justitiabele kan voorzien voor welk handelen en nalaten een dergelijke cumulatie van vervolgingsmaatregelen en sancties mogelijk is.

(...)

52 Voorts moet een nationale regeling als die in de hoofdzaak waarborgen dat de belasting die een dergelijke cumulatie voor de betrokkenen met zich meebrengt, beperkt is tot wat strikt noodzakelijk is om de in punt 44 van dit arrest genoemde doelstelling te verwezenlijken.

53 Wat betreft de cumulatie van procedures van strafrechtelijke aard die blijkens de gegevens in het dossier onafhankelijk van elkaar worden gevoerd, houdt het in het vorige punt in herinnering gebrachte vereiste in dat er regels bestaan waarmee voor onderlinge afstemming kan worden gezorgd, opdat de extra belasting die een dergelijke cumulatie voor de betrokkenen met zich meebrengt, tot het strikt noodzakelijke wordt beperkt.

(...)

55 Daarnaast moet de cumulatie van sancties van strafrechtelijke aard gepaard gaan met regels waarmee kan worden gewaarborgd dat de zwaarte van het geheel van de opgelegde sancties strookt met de ernst van de betrokken inbreuk. Dit vereiste vloeit niet alleen voort uit artikel 52, lid 1, van het Handvest, maar ook uit het in artikel 49, lid 3, van het Handvest neergelegde beginsel dat straffen evenredig moeten zijn. Bij die regels moet de bevoegde autoriteiten de verplichting worden opgelegd om erop toe te zien dat de zwaarte van het geheel van de opgelegde sancties de ernst van de geconstateerde inbreuk niet te buiten gaat ingeval een tweede sanctie wordt opgelegd.

(...)

58 Er dient nog op te worden gewezen dat, hoewel met een nationale regeling die aan de vereisten in de punten 44, 49, 53 en 55 van dit arrest voldoet, in beginsel het noodzakelijke evenwicht tussen de verschillende op het spel staande belangen lijkt te kunnen worden gevonden, zij door de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties echter ook zodanig moet worden toegepast dat de belasting die in de desbetreffende zaak en voor de betrokkene uit de cumulatie van vervolgingsmaatregelen en sancties voortvloeit, de ernst van het gepleegde delict niet te buiten gaat.

60 Aangezien het Handvest rechten bevat die corresponderen met de door het EVRM gewaarborgde rechten, bepaalt artikel 52, lid 3, van het Handvest tot slot dat die dezelfde inhoud en reikwijdte hebben als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend. Bijgevolg moet met het oog op de uitlegging van artikel 50 van het Handvest rekening worden gehouden met artikel 4 van Protocol nr. 7 bij het EVRM (zie in die zin arresten van 15 februari 2016, N., C-601/15 PPU, EU:C:2016:84, punt 77, en 5 april 2017, Orsi en Baldetti, C-217/15 en C-350/15, EU:C:2017:264, punt 24).

61 Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft in dat verband geoordeeld dat een cumulatie van vervolgingen en fiscale en strafrechtelijke sancties ter bestraffing van een en hetzelfde delict, niet met het in artikel 4 van Protocol nr. 7 bij het EVRM neergelegde ne-bis-in-idembeginsel in strijd is, wanneer er tussen de fiscale en de strafprocedure in kwestie een voldoende nauw materieel en temporeel verband is (EHRM, 15 november 2016, A en B tegen Noorwegen, CE:ECHR:2016:1115JUD002413011, § 132).

62 Zoals volgt uit de punten 44, 49, 53, 55 en 58 van dit arrest, wordt met de eisen die bij artikel 50 juncto artikel 52, lid 1, van het Handvest aan een eventuele cumulatie van vervolgingsmaatregelen en sancties van strafrechtelijk aard worden gesteld, verzekerd dat het ne-bis-in-idembeginsel zodanig wordt beschermd dat dit niet in strijd komt met de bescherming die wordt geboden door artikel 4 van Protocol nr. 7 bij het EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

63 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 50 van het Handvest aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan tegen een persoon een strafvervolging kan worden ingesteld wegens het verzuim de verschuldigde btw binnen de wettelijke termijnen te betalen, terwijl die persoon voor dezelfde feiten reeds een onherroepelijk geworden administratieve sanctie van strafrechtelijke aard in de zin van dat artikel 50 is opgelegd, op voorwaarde dat die regeling

- een doel van algemeen belang nastreeft dat een dergelijke cumulatie van vervolgingsmaatregelen en sancties kan rechtvaardigen, te weten de strijd tegen btw-delicten, waarbij die vervolgingsmaatregelen en die sancties elkaar aanvullende doelen moeten hebben,

- regels bevat waarmee voor onderlinge afstemming kan worden gezorgd, opdat de extra belasting die voor de betrokkenen uit een cumulatie van procedures voortvloeit, tot het strikt noodzakelijke wordt beperkt, en

- voorziet in regels waarmee ervoor kan worden gezorgd dat de zwaarte van het geheel van de opgelegde sancties is beperkt tot het strikt noodzakelijke in verhouding tot de ernst van het delict in kwestie.”

Zowel in de onder 2.4 genoemde rechtspraak van de Hoge Raad over artikel 68 Sr en 255 lid 1 Sv als in de onder 2.5 genoemde rechtspraak van het Hof van Justitie staat het ne bis in idem-beginsel centraal. Dit beginsel beschermt tegen onevenredige bestraffing en een ongerechtvaardigde cumulatie van procedures. Dat dit beginsel zowel een nationaalrechtelijke als een Unierechtelijke uitwerking kent, betekent niet dat de inhoud van het begrip ‘hetzelfde feit’ in artikel 68 Sr en 255 lid 1 Sv samenvalt met – en moet worden afgestemd op – de betekenis van het begrip ‘hetzelfde delict’ in artikel 50 Handvest. Daarmee houdt verband dat artikel 50 Handvest een eigen beperkingssystematiek kent via artikel 52 Handvest. Dat sprake is van ‘hetzelfde delict’ als bedoeld in artikel 50 Handvest, betekent namelijk niet zonder meer dat een herhaalde berechting of bestraffing van een bepaalde gedraging in strijd is met het Handvest. De nationaalrechtelijke bepalingen waarin het ne bis in idem-beginsel tot uitdrukking komt, kennen echter niet zo’n beperkingssystematiek. Het oordeel dat sprake is van ‘hetzelfde feit’ leidt er bij de toepassing van artikel 68 Sr en 255 lid 1 Sv (in beginsel) toe dat een herhaalde berechting of bestraffing niet is toegestaan.

Het vorenstaande doet er niet aan af dat de strafrechter in zaken die binnen de werkingssfeer van het Handvest vallen, niet alleen zal moeten nagaan of strafrechtelijke vervolging verenigbaar is met artikel 68 Sr en artikel 255 lid 1 Sv, maar ook – als artikel 68 Sr en/of artikel 255 lid 1 Sv niet al aan die vervolging in de weg staan – onder ogen moet zien of strafrechtelijke vervolging en bestraffing te verenigen zijn met artikel 50 in samenhang met artikel 52 Handvest en, zo ja, welke straf in het licht van een eventuele cumulatie van procedures nog passend is. In dat verband is het volgende van belang.

Met betrekking tot de vervolgingsbeslissing geldt dat in fiscale zaken waarin zowel de oplegging van een bestuurlijke boete als een strafrechtelijke afdoening openstaat, de beleidsregels in het Protocol aanmelding en afdoening van fiscale delicten en delicten op het gebied van douane en toeslagen (Protocol AAFD 2023; Stcrt. 2023, 16878) ertoe strekken dat afstemming plaatsvindt tussen de Belastingdienst en het openbaar ministerie over de te kiezen afdoeningsmodaliteit(en). Hoewel het protocol dat niet expliciet bepaalt, moet dit protocol zo worden toegepast dat afstemming ook plaatsvindt in gevallen waarin het gaat om gedragingen die (deels) dezelfde materiële feiten betreffen als bedoeld in de onder 2.5 weergegeven rechtspraak van het Hof van Justitie. Hiermee wordt tegengegaan dat strafrechtelijke vervolging plaatsvindt als met (uitsluitend) bestuursrechtelijke handhaving kan worden volstaan. Ook afgezien van in beleidsregels neergelegde (afstemmings)voorschriften kan het aangewezen zijn dat afstemming plaatsvindt om te voorkomen dat een cumulatie van procedures plaatsvindt die in het licht van de uit het Handvest voortvloeiende vereisten niet kan worden gerechtvaardigd. Als in feitelijke instantie het verweer wordt gevoerd dat de beslissing tot strafrechtelijke vervolging niet in overeenstemming met de op grond van artikel 50 Handvest geldende vereisten voor onderlinge afstemming is genomen en dat daarom het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging, zal de rechter hierop gemotiveerd moeten beslissen. Die motivering kan in cassatie worden getoetst.

Daarnaast geldt in zaken waarin sprake is van een (tweede) vervolging, terwijl (i) de verdachte al eerder in een straf- of bestuursrechtelijke procedure is bestraft voor gedragingen die (deels) dezelfde materiële feiten als bedoeld in de onder 2.5 weergegeven rechtspraak van het Hof van Justitie betreffen, maar (ii) geen sprake is van een vervolging voor ‘hetzelfde feit’ in de zin van artikel 68 Sr en/of artikel 255 lid 1 Sv, dat de strafrechter zich bij de strafoplegging ervan zal moeten vergewissen dat de nadelen die de verdachte als gevolg van de beide procedures lijdt niet onevenredig zijn. (Vgl. HR 23 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:387, rechtsoverweging 3.3.3. Zie in een iets ander verband ook HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2350, rechtsoverweging 2.4 en HR 15 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:364, rechtsoverweging 4.2.3.) Hiervan zal uit de motivering van de (eventuele) strafoplegging moeten blijken.

Voor zover aan het cassatiemiddel de opvatting ten grondslag ligt dat, in het geval dat een bestuurlijke boete is opgelegd, voor de inhoud van het begrip ‘hetzelfde feit’ in artikel 255 lid 1 Sv aansluiting moet worden gezocht bij de betekenis van het begrip ‘hetzelfde delict’ in artikel 50 Handvest, faalt het gelet op wat onder 2.6.1 is overwogen.

De toelichting op het cassatiemiddel bevat het verzoek om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie over de uitleg van artikel 50 Handvest. Gelet op wat hiervoor onder 2.6 is overwogen, kan de opgeworpen vraag worden beantwoord aan de hand van – in het bijzonder – de onder 2.5 weergegeven rechtspraak van het Hof van Justitie. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie.

3. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de omstandigheid dat de verdachte strafbaar is verklaard maar dat geen straf of maatregel is opgelegd, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien, C.N. Dalebout, T.B. Trotman en H.G. Sevenster, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 oktober 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand