HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04637
Datum 6 oktober 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 27 november 2023, nummer 23-004448-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Kuijper bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
Volgens de daarvan opgemaakte akte is het beroep niet gericht tegen (i) de vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde en – zo begrijpt de Hoge Raad – (ii) het onder 2 primair, impliciet primair, tenlastegelegde opdracht geven dan wel feitelijk leiding geven aan het (mede)plegen van (opzet)witwassen. Verder is volgens diezelfde akte het beroep niet gericht tegen (iii) – kort gezegd – de onderdelen van het onder 2 primair, impliciet subsidiair, tenlastegelegde feit waarvan de verdachte werd vrijgesproken, en (iv) de beslissing van het hof over de vordering van de benadeelde partij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Aan deze beperkingen (iii) en (iv) moet echter worden voorbijgegaan. De reden daarvoor is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1610. Voor zover in de genoemde akte is opgenomen dat het beroep niet is gericht tegen (v) de vrijspraak van het onder 2 primair, cumulatief tenlastegelegde, opdracht geven dan wel feitelijk leidinggeven aan schuldwitwassen door [A] B.V., is sprake van een misslag omdat het hof niet van dat feit heeft vrijgesproken.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de beslissingen over het onder 2 primair impliciet subsidiair tenlastegelegde, alsmede de strafoplegging en tot terugwijzing naar het gerechtshof Amsterdam opdat de zaak met inachtneming van het bovenstaande opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
Het cassatiemiddel voert aan dat wat betreft het onder 2 primair, impliciet subsidiair, tenlastegelegde opdracht geven dan wel feitelijk leidinggeven aan het (mede)plegen van schuldwitwassen, het recht tot strafvordering wegens verjaring (gedeeltelijk) is vervallen.
Aan de verdachte is onder 2 tenlastegelegd:
“2. primair
[B] B.V. in of omstreeks de periode van 15 december 2011 tot en met 1 november 2016 te [plaats] en/of te [plaats] en/of te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) (van in totaal 500.000 euro, in elk geval 200.000 euro) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten genoemd(e) geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl [B] B.V. wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, tot het plegen van genoemd strafbare feit verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;
en/of
[A] B.V. in of omstreeks de periode van 21 augustus 2012 tot en met 1 november 2016 te [plaats] en/of te [plaats] en/of te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) (van in totaal 250.000 euro, in elk geval 175.000 euro dan wel 100.000 euro) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten genoemd(e) geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl [A] B.V. wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, tot het plegen van genoemd(e) strafbare feit(en) verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;
2. subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 15 december 2011 tot en met 1 november 2016 te [plaats] en/of te [plaats] en/of te [plaats] , althans in Nederland, een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) (van in totaal 750.000 euro, in elk geval 375.000 euro) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten genoemd(e) geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.”
Het hof heeft het onder 2 primair, impliciet subsidiair, tenlastegelegde bewezenverklaard en de verdachte hiervoor veroordeeld, met vrijspraak van de verdachte van het overige onder 2 primair tenlastegelegde.
Het onder 2 primair, impliciet subsidiair, tenlastegelegde opdracht geven dan wel feitelijk leiding geven aan het (mede)plegen van schuldwitwassen is als misdrijf strafbaar gesteld in artikel 420quater van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), in samenhang met artikel 47 en 51 Sr. Op schuldwitwassen was tot de inwerkingtreding per 1 januari 2015 van de Wet van 19 november 2014 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de economische delicten met het oog op het vergroten van de mogelijkheden tot opsporing, vervolging, alsmede het voorkomen van financieel-economische criminaliteit (verruiming mogelijkheden bestrijding financieel-economische criminaliteit), Stb. 2014, 445, een gevangenisstraf van een jaar gesteld. Sinds 1 januari 2015 is op dat misdrijf een gevangenisstraf van twee jaren gesteld.
Het onder 2 primair, impliciet subsidiair, tenlastegelegde is volgens de tenlastelegging begaan:(i) in of omstreeks de periode van 15 december 2011 tot en met 1 november 2016, wat betreft het opdracht geven of feitelijk leiding geven aan het door [B] B.V. (mede)plegen van schuldwitwassen, en (ii) in of omstreeks de periode van 21 augustus 2012 tot en met 1 november 2016, wat betreft het opdracht geven of feitelijk leiding geven aan het door [A] B.V. (mede)plegen van schuldwitwassen.
Op grond van artikel 70 lid 1, aanhef en onder 2º, in samenhang met artikel 72 lid 2 Sr beloopt de verjaringstermijn in dit geval ten hoogste twee maal zes jaren. Daarom is wat betreft het onder 2 primair, impliciet subsidiair, tenlastegelegde op de datum van de uitspraak van dit arrest het recht tot strafvordering wegens verjaring vervallen, voor zover het de periode vóór 6 oktober 2014 betreft.
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van de overige cassatiemiddelen niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof wat betreft de beslissingen over het onder 2 tenlastegelegde (dus met inbegrip van de strafoplegging), met uitzondering van de vrijspraak van het onder 2 primair, impliciet primair, tenlastegelegde opdracht geven dan wel feitelijk leiding geven aan het (mede)plegen van (opzet)witwassen;
- verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging wat betreft het onder 2 primair, impliciet subsidiair, tenlastegelegde opdracht geven dan wel feitelijk leiding geven aan het (mede)plegen van schuldwitwassen, voor zover het de periode vóór 6 oktober 2014 betreft;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat – met inachtneming van de hiervoor genoemde beslissingen – de zaak wat betreft het onder 2 tenlastegelegde, zoals weergeven onder 2.2.1, opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 oktober 2026.