HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/01055
Datum 3 november 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 11 maart 2024, nummer 22-001932-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat Th.J. Kelder bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
Namens de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft de advocaat D.J. Troost een verweerschrift ingediend.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de toewijzing van de vordering benadeelde partij van [benadeelde 2] en [benadeelde 1] en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag om in zoverre opnieuw te worden berecht en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel komt onder meer op tegen de bewezenverklaarde ‘schuld’ als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994).
Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij op 11 maart 2019 op of omstreeks 21.45u, te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtwagen), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig aanmerkelijk onvoorzichtig en met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de kruising van de afrit (26) van de Rijksweg A16 li en de Jacques Dutilhweg, althans op één van deze wegen,
welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, terwijl
- hij, verdachte, reeds lange tijd bekend was met diabetes en
- hij eerder, op 8 februari 2019, een hypoglykemie had gehad en
- hij in de periode voorafgaand aan 11 maart 2019 lange werkdagen maakte en
- hij op die 11 maart 2019 zichzelf reeds meerdere malen een insulinehoeveelheid (een zogenaamde “bolus”) had moeten toedienen in verband met een te hoog glucosegehalte in zijn bloed,
- ondanks bovengenoemde omstandigheden met die vrachtwagen is gaan rijden en/of is blijven rijden en
- op die afrit met een snelheid van 89 km/u heeft gereden, terwijl daar een maximumsnelheid van 50 km/u gold en
- zonder te remmen in strijd met een voor hem geldend rood licht uitstralend verkeerslicht de kruising van die afrit met de Jacques Dutilhweg is opgereden en
- aan de overkant van die kruising met een snelheid van ongeveer 75 km/u in botsing of aanrijding is gekomen met een van rechts komende bestuurder van een personenauto, genaamd [slachtoffer] ,
waardoor dat voertuig van die [slachtoffer] vooruit werd geduwd en in een greppel onder die door verdachte bestuurde vrachtwagen is terechtgekomen,
waardoor die [slachtoffer] werd gedood;
zulks terwijl hij, verdachte, ten tijde van die botsing/aanrijding een zeer lage suikerspiegel had (een zogenaamde “hypo”).”
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het proces-verbaal van politie, met nr. PL1700-2019074127, inhoudende als relaas van het onderzoek. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
Op maandag 11 maart 2019, omstreeks 21:45 uur, vond er een verkeersongeval met fatale afloop plaats op de kruising gevormd door de openbare wegen te Rotterdam: afrit van de Rijksweg A16, afslag 26, Kralingen (A16c), met de Jacques Dutilhweg te Rotterdam.
2. Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 21 maart 2019, met nr. PL1700-2019074127-63. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 733-745):
Ik heb sinds 1992 suikerziekte. Ik heb op maandag 11 maart 2019, rond 02:30 uur in de nacht, een bolus gegeven omdat mijn glucosewaarde hoog was. De volgende ochtend was mijn waarde nog steeds hoog. Ik heb toen een nieuw infuus geplaatst en weer een bolus gegeven. Toen ik in Bergen op Zoom was rond 09:30 uur heb ik opnieuw een nieuwe infuusset geplaatst omdat mijn glucosewaarde hoog bleef. Ook voor het lunchen heb ik een bolus gegeven. Ik heb mijn waarde voor en na het lunchen gecheckt. In Moerdijk heb ik rond 20:00 uur nog gegeten en een kleine bolus gegeven en mijn waarde gecheckt. Die was goed/normaal na het geven van de kleine bolus. Ik ben toen gaan rijden vanuit Moerdijk richting Amsterdam. Van die rit kan ik mij eigenlijk vrijwel niets meer herinneren. In een flits zie ik de Drechttunnel maar meer niet. Achteraf beredeneer ik dat ik een afslag moet hebben genomen omdat er kennelijk iets aan de hand was. Ik hoef die afslag namelijk niet te nemen om naar Amsterdam te gaan.
3. Het proces-verbaal verkeersongevallenanalyse met bijlagen, met nr. PL1700-2019074127-16. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 397-452):
Wij, beiden brigadier van politie en als verkeersongevallenanalist werkzaam bij de Dienst Regionale Recherche, Team Forensische Opsporing, afdeling Verkeersongevallenanalyse, van de politie Eenheid Rotterdam, verklaren het volgende:
Op maandag 11 maart 2019, omstreeks 22:30 uur, stelden wij een onderzoek in naar de toedracht van het navolgende verkeersongeval. Het ongeval vond die dag plaats op het kruispunt van de voor het openbaar verkeer openstaande wegen, de Jacques Dutilhweg met afrit 26 (Kralingen) van de rijksweg A16 links te Rotterdam. Bij het ongeval waren een bedrijfswagen, zijnde een DAF trekker met daarachter gekoppeld een [...] oplegger, hierna te noemen DAF, en een personenauto, hierna te noemen Opel, betrokken.
De toegestane maximumsnelheid was ter plaatse 50 km/uur voor motorvoertuigen.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande kan gesteld worden dat:
- De bestuurder van de DAF hiermee onderaan afrit 26, het rode licht negerend en met een, door de tachograaf geregistreerde, snelheid van 89 km/uur, het kruispunt met de Jacques Dutilhlweg was opgereden.
- Het voor de bestuurder van de DAF geldende verkeerslicht ongeveer 1 minuut en 29 seconden rood licht aangaf.
- De bestuurder van de DAF hiermee onderaan afrit 26 met de rechterwielen door de rechterberm was gereden en tegen de lantaarn van de verkeersregelinstallatie was gebotst.
- De bestuurder van de DAF hiermee op de middenberm van de Jacques Dutihlweg heeft gereden en daar tegen een lantaarnpaal en een beschermhek was gebotst.
- De bestuurder van de DAF, blijkens de tachograafdata, hiermee op de noordelijke rijbaan Jacques Duthilweg met een snelheid gelegen tussen de 75 en 79 km/uur tegen de linkerzijkant van de Opel was gebotst.
- De bestuurder van de DAF hiermee na de botsing met de Opel, de Opel voor zich heeft bewogen.
- De DAF en de door de DAF voortgeduwde Opel via de noordelijke berm en sloot op het terrein van de aldaar gelegen Texaco tankstation tot stilstand waren gekomen.
- De [...] oplegger van de DAF was losgebroken, en op het terrein van het aldaar gelegen Texaco tankstation, onder de voorkant van de DAF tot stilstand was gekomen.
- De bestuurder van de Opel bij het verkeersongeval was overleden.
4. Het proces-verbaal van onnatuurlijke dood, met nr. PL1700-2019074127-9. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 168-169):
Wij, verbalisanten, verklaren het volgende:
Overledene
Achternaam: [slachtoffer]
Voornamen: [...]
Geboren: [geboortedatum] 1997
Geboorteplaats: [geboorteplaats] in Nederland
Overleden: 11 maart 2019
Lijkschouwing
Op 12 maart 2019 om 03:00 uur werd de lijkschouw verricht door [naam 4] , gemeentelijk lijkschouwer.
Uiterlijke verwondingen
Beknellingstrauma.
5. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 12 maart 2019, met nr. PL1700-2019074127-50. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 715-716):
Ik ben werkzaam als ingangscontroleur van het bedrijf [A] , gevestigd aan de [a-straat 1] te [plaats] . Iedere chauffeur meldt zich bij mij en ik controleer daarbij alle vrachtpapieren. De vermoedelijke chauffeur van de tankcontainer is gisteren, maandag 11 maart 2019, bij mij aan de poort geweest. Nadat ik klaar was met de afhandeling van de chauffeur was ik klaar met werk en wilde ik naar huis gaan. Ik reed vanaf het bedrijf aan de [a-straat 1] de Zuidelijke Randweg op, richting de Entree van het haventerrein. Op het moment dat ik op de Zuidelijke Randweg reed richting de Entree zag ik plotseling een vrachtauto met tankcontainer opdoemen. Ik zag dat het de tankcontainer was van de chauffeur die ik kort daarvoor nog had gezien, genaamd [verdachte] . Ik zag dat de vrachtwagen geen verlichting voerde, daarom zag ik hem ook pas op het laatste moment. Het was op dat moment omstreeks 21:10 uur en donker.
Vreemd genoeg stond het voertuig stil op de rijbaan. Dat is een rijbaan met twee rijstroken in tegengestelde richting. Ik ben daarop ook gestopt en even gewacht. Vervolgens ging het voertuig schokkend vooruit. Het leek erop of de vrachtwagen panne had. Ik vermoedde dat de chauffeur wilde optrekken maar dat dat helemaal niet lukte.
Ik weet dat het kenteken [kenteken 1] was.
6. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 12 maart 2019, met nr. PL1700-2019074127-58. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 76-77):
Op 11 maart 2019 omstreeks 21:25 uur reed ik op de A15 achter een vrachtwagencombinatie. Die vrachtwagencombinatie reed met een constante snelheid van rond de 90 km/uur. Het rijgedrag van de vrachtwagencombinatie viel mij op omdat hij slingerde op de weg. Ik reed op een meter of 70 tot 80 achter de vrachtwagencombinatie. Ik zag dat de vrachtwagencombinatie vanaf de A15 op het allerlaatste moment naar de A16 reed en daarbij door de berm reed naar de A16.
Ik zag dat de vrachtwagencombinatie naar de linkerzijde van de rijbaan reed en daar de vangrail schampte. Vervolgens zag ik dat de vrachtwagencombinatie langzaam naar de rechterzijde van de rijbaan bewoog en daar ook weer de vangrail schampte.
Ik zag dat de vrachtwagencombinatie op het allerlaatste moment via de parallelbaan richting de Van Brienenoordbrug reed. Alles ging via een constant gereden snelheid van naar schatting 90 km/uur. Op de parallelbaan richting de Van Brienenoordbrug bleef het tafereel zich herhalen, waarbij de vrachtwagencombinatie van links naar rechts over de rijbaan bewoog en de vangrail schampte. Ik zag dat hij met onverminderde snelheid van 90 km/uur door bleef rijden. Dan kom je ter hoogte van de afrit richting de Texaco. Daar nam de vrachtwagencombinatie wederom op het allerlaatste moment en met onverminderde snelheid de afrit richting de Texaco. Ik reed achter de vrachtwagencombinatie aan die met onverminderde snelheid de kruising over reed richting het tankstation. Daar verongelukte de vrachtwagencombinatie.
7. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] van 13 maart 2019, met nr. PL1700-2019074127-59. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 79-80):
Op maandagavond 11 maart 2019 was ik aan het hardlopen in Ridderkerk. Het tijdstip dat ik daar liep was tussen 21.30 uur en 21.45 uur. Ik liep op een gegeven moment op het viaduct over de A16 richting het Oosterpark. Op het moment dat ik op het viaduct liep, hoorde ik onder mij een hoop lawaai. Ik keek direct naar beneden naar de rijbaan van de snelweg. Ik zag daar een vrachtauto, een tankwagen, rijden. Ik zag dat deze auto helemaal links op de rijbaan reed en met de linkerzijde van het voertuig tegen de vangrail aan de linkerzijde van de weg reed. Ik zag dat de vrachtauto langs de reling bleef schrapen en ik zag ook vonken van de reling afkomen. Ik zag dat de vrachtwagen bleef rijden in de richting van Rotterdam en het viaduct waar ik op liep al gepasseerd was. Ik zag dat de vrachtauto ook een stuk naast de weg reed en toen weer een stukje naar rechts ging.
U vraagt mij waarom ik dit incident link aan het verkeersongeval wat die avond gebeurde op de Jaques Dutihlweg te Rotterdam. Ik zag op de foto van de ongevalslocatie dat daar de verongelukte vrachtauto dezelfde kleuren had als de tankwagen die ik had gezien toen ik op de [b-straat] liep. Het tijdstip van het ongeval is ook logisch voor de afstand vanaf het moment dat ik de tankwagen zag rijden.
8. Het proces-verbaal van bevindingen, met bijlagen, van 28 mei 2020, met nr. PL1700-2019074127-94. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 1139-1147):
De Drechttunnel kent twee tunnelbuizen voor het verkeer in noordelijke richting, waarin de verdachte [verdachte] reed.
De wegbeheerder heeft het de weggebruikers kenbaar gemaakt dat het verboden is voor vrachtauto’s rijdende in Noordelijke richting om gebruik te maken van de linker tunnelbuis. Vrachtauto’s dienen gebruik te maken van de rechter, de meest Oostelijke tunnelbuis. Dit is de weggebruikers kenbaar gemaakt middels een verkeersbord.
Op de beelden waarop zichtbaar is dat de verdachte [verdachte] de tunnelbuis verlaat is zichtbaar dat hij niet de voor hem verplichte meest Oostelijke (rechter) tunnelbuis is ingereden, maar gezien zijn rijrichting door de Westelijke (rechter) tunnelbuis is gereden, hetgeen in strijd is met het verkeersbord.
9. Het proces-verbaal van bevindingen van 23 april 2020, met nr. PL1700-2019074127-88. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 541-543):
Bevindingen Ambulancezorg Rotterdam-Rijnmond
Onder “Second survey”:
- Bestuurder tankauto zit niet aanspreekbaar in zijn cabine.
- Heeft een insulinepomp, bss [het hof begrijpt: bloedsuikerspiegel] blijkt 2.2 te zijn.
- IOM mmt [het hof begrijpt: In overleg met het mobiel medisch team] eerste glucose gegeven, waarop dhr. weer aanspreekbaar wordt. Insulinepomp afgekoppeld.
10. Het proces-verbaal van verklaring van de deskundige [naam 5] . Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 753-760):
Incident 8 februari 2019
v) Kunt u uitleggen of bij de verdachte sprake was van een hypoglykemie?
a) Uit de tekst valt af te leiden dat er inderdaad sprake was van een hypoglykemie. Er staat: “de chauffeur bleek in een hypo te zitten”.
v) Kunt u uitleggen of dit een ernstige hypoglykemie was?
a) Het feit dat hier hulpverleners (ambulance) nodig waren om de hypoglykemie te behandelen maakt dat hier inderdaad sprake was van een ernstige hypoglykemie.
Incident 11 maart 2019
v) Kunt u uitleg geen over de waardes van de bloedsuikerspiegel over de periode van 90 dagen voorafgaand aan het incident tot het incident?
a) Het valt op dat de bloedsuikers relatief laag zijn. We spreken van een scherpe instelling. Er doen zich bijna dagelijks hypoglykemieën voor. Dat is op zich vrij frequent. Er is evenwel op zich geen bezwaar tegen een scherpe instelling, mits er een goede hypo-awareness is en verdachte hier adequaat op reageert. Of er sprake is van een hypo-awareness of juist van een hypo-unawareness valt niet af te leiden uit de registratie van de bloedsuikerspiegel zelf.
v) Kunt u uitleg geven over de waardes van de bloedsuikerspiegel over de periode van 72 uur voorafgaand aan het incident tot het incident?
a) Op 8 maart en 9 maart hebben zich opvallend veel hypoglykemieën voorgedaan.
v) Kunt u uitleg geven over de bloedsuikerwaardes die op 11 maart 2019 bij de verdachte zijn gemeten?
a) Aan het eind van de ochtend had de verdachte erg hoge bloedsuikers (13-18 mmol/l). Hij heeft toen een nieuw infuusset aangelegd. De laatste meting na 20:00 uur (ongeveer een uur voor het incident) bedroeg 6,3 mmol/l.
v). Kunt u uitleg geven over de in de glucosemeter aangetroffen gegevens waaruit blijkt dat de verdachte in de periode van 14 december 2018 tot en met 12 maart 2019 176 keer een hypoglykemie-meting heeft gehad met een gemiddelde duur van 105 minuten?
a) Het aantal van 176 keer een hypoglykemie in een periode van drie maanden is zeer ruim te noemen. Wat opvalt is dat het regelmatig voorkomt dat de verdachte een hypoglykemie registreert en daar blijkbaar onvoldoende actie onderneemt aangezien de hypoglykemie lang aanhoudt (zie bijvoorbeeld 4 en 7 maart). Dat komt niet adequaat over.
v) Van de 176 hypoglykemie-metingen, hoeveel ernstige hypoglykemie-metingen zijn dit?
a) De definitie van een hypoglykemie is een bloedglucosewaarde < 3,9 mmol/l. Dat is dus 176 keer het geval geweest. Bij een ernstige hypoglykemie is hulp van derden nodig om deze te corrigeren. Daar was in ieder geval sprake van tijdens het incident op 8 februari 2019.
Ontstaan incident 11 maart 2019.
v) Kunt u aan de hand van de beschikbare gegevens en de door u verbonden conclusies aan deze gegevens aangeven van welke vorm van hypoglykemie sprake was bij de verdachte op 11 maart 2019?
a) Er was met grote zekerheid sprake van een ernstige hypoglykemie.
Samenvattend kom ik tot de volgende constateringen:
1. De diabetes was in de drie maanden voorafgaand aan het incident op 11 maart zeer scherp ingesteld (zie uitdraai Freestyle Libre),
2. Er deden zich zeer frequente en langdurige hypoglykemieën voor (zie uitdraai Freestyle Libre).
3. Verdachte heeft niet altijd adequaat gereageerd op de genoemde hypoglykemieën, aangezien sommige hypoglykemieën, welke door verdachte wel werden gesignaleerd, toch opmerkelijk lang aanhielden (zie uitdraai Freestyle Libre).
4. Een maand voor het incident op 11 maart heeft zich reeds een ernstige hypoglykemie voorgedaan (beschrijving incident 8 februari 2019).
5. De combinatie van een Paradigm pomp met de Freestyle Libre is niet logisch.
6. Bovenstaande feiten hebben in het bijzonder bij een beroep van vrachtwagenchauffeur, zelfs als er sprake zou zijn van een goede hypo-awareness, tot een onverantwoord risico geleid. Als er sprake was van een hypo-unawareness zou ik willen spreken van een zeer onverantwoorde situatie. De vraag over de mate van hypo-awareness zal verdachte zelf moeten beantwoorden.
11. Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 3 juni 2020, met nr. PL1700-2019074127-86. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 1153-1165):
V Weet u wat een hypo-unawareness is?
A Ik weet wat een hypo-unawareness is.
V: Heeft u last van hypo-unawareness?
A: Een onafhankelijk arts van het CBR heeft verklaard dat ik last van hypo-unawareness had.
12. Een geschrift, te weten de eigen verklaring CDR van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen van 22 januari 2010, voor zover inhoudende:
Sinds enkele weken heb ik last van hypo's.
13. Het proces-verbaal van de politie, met nr. PL1700-2019074127-85, bijlage IV (ruwe data uit glucosemeter van verdachte [verdachte] , blz. 566 e.v.)
[afbeeldingen]
14. Het proces-verbaal van bevindingen van 16 juni 2020, met nr. PL1700-2019074127-91. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 1174-1177):
Inleiding
Verdachte [verdachte] wordt ervan verdacht dat hij op maandag 11 maart 2019 op of omstreeks 21:45 uur heeft gereden met een vrachtwagen voorzien van het kenteken [kenteken 1] en daarmee een dodelijk ongeval had veroorzaakt op de kruising met de afrit Kralingen (afrit 26) van de Rijksweg A16 Links, en de Jacques Dutilhweg te Rotterdam.
Aanleiding onderzoek
Verdachte [verdachte] had op de plaats van het verkeersongeval een ernstige hypoglykemie, omdat hij hulp van derden nodig had om uit zijn hypoglykemie te kunnen komen.
Resultaat onderzoek
Ik zag dat verdachte [verdachte] in 90 dagen 256 keer een meetresultaat had met een glucosewaarde van 3,9 of minder. Verdachte [verdachte] had dan een hypoglykemie volgens deskundige [naam 5] . Ik zag dat van de 256 hypoglykemie meetresultaten het 27 keer een hypoglykemie meetresultaat betreft terwijl verdachte [verdachte] aan het werk was. In 10 van die gevallen was de verdachte aan het rijden, waarvan twee keer met gevaarlijke stoffen.
Ik zag dat van de 256 meetresultaten het 41 keer meetresultaten betreft van 2,2 mmol/l of minder. Ik verbalisant had het resultaat van 2,2 mmol/l onthouden omdat bij verdachte [verdachte] ten tijde van het verkeersongeval, dat op 11 maart 2019 had plaatsgevonden, door de ambulancedienst een waarde van 2,2 mmol/l was gemeten.
15. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 5] bij de rechter-commissaris van 1 februari 2021. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
“5.4 (v) Kunt u uitleg geven over de in de glucosemeter aangetroffen gegevens waaruit blijkt dat verdacht in de periode van 14 december 2018 tot en met 12 maart 2019 176 keer een hypoglykemiemeting heeft gehad met een gemiddelde duur van 105 minuten?
a) Allereerst dient te worden vermeld dat in het gebied van lage glucosewaarden de FreestyleLibre wat minder betrouwbaar is en gemiddeld iets lagere glucosewaarden kan aangeven dan de werkelijke glucosewaarde.
5. Zie het vetgedrukte gedeelte: kunt u dit nader toelichten?
De FreeStyle Libre meter is het meest betrouwbaar in het gemiddelde gebied. Bij lagere of hogere glucosewaarden heeft het een lichte afwijking. Dan gaat het om enkele tienden.
Ik wil opmerken dat mij het gevoel bekruipt dat we het niet over de essentie van het verhaal hebben gehad. Een diabeet doet niets anders dan naar eer en geweten handelen. Iedere patiënt heeft hypo’s en heeft lichte of ernstige hypoglykemie. Het is voor een patiënt een inschatting hoe op dat moment te handelen. Hier was sprake van een langere tijd met veel hypo’s en een incident een maand eerder. Zoveel hypo’s is wel buitengewoon risicovol als je vrachtwagenchauffeur bent. Ik denk dat de focus niet zo zeer moet liggen op de dag van het ongeluk, maar meer op de hele termijn eraan vooraf. De hele aanloop wijst op een situatie die zo niet had gemoeten.
16. Het proces-verbaal van bevindingen van 5 juni 2020, met nr. PL1700-2019074127-96. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 1328-1329):
Verdachte verrichte, naast zijn bloedglucosemeter van het merk Freestyle Libre, nog altijd de bloedglucosemeting middels een vingerprik.
Ik, verbalisant [verbalisant 1] , zag dat de “hoge” waardes van 13,0 en 18,9 en de overige bloedglucosewaardes die op 10 en 11 maart 2019 gemeten waren middels de vingerprik exact overeenkwamen met de bloedglucosewaardes, welke de verdachte [verdachte] had gemeten met zijn Freestyle Libre.
17. Het proces-verbaal van bevindingen van 15 mei 2020, met nr. PL1700-2019074127-90. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 1116 e.v.):
Rapport tachograafgegevens van 5 tot en met 11 maart 2019.
[afbeeldingen]”
Het hof heeft over de bewezenverklaring verder overwogen:
“Inleiding
Op 11 maart 2019 omstreeks 21:48 uur heeft op de kruising van een afrit van de A16 aan de Jacques Dutilhweg te Rotterdam een aanrijding plaatsgevonden, waarbij [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) om het leven is gekomen.
De verdachte reed die bewuste dag als vrachtwagenchauffeur. Op de Rijksweg A16 reed de verdachte met onverminderde snelheid de afrit op. De verdachte reed vervolgens met een zeer hoge snelheid door het voor hem rood licht uitstralende verkeerslicht, de kruising op. Hij botste aldaar tegen de personenauto van het slachtoffer. Deze auto werd meegesleept en kwam onder de vrachtauto van de verdachte terecht. Als gevolg hiervan is het slachtoffer ter plaatse overleden.
Verder staat vast dat de verdachte voorafgaand aan en ten tijde van het verkeersongeval een extreem lage glucosewaarde had (een zogeheten hypoglykemie, hierna ook: hypo) en enige tijd voorafgaand, tijdens en kort na het ongeval niet of nauwelijks bij bewustzijn was.
Standpunt verdediging Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte zich – overeenkomstig haar overlegde pleitnota – op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van het tenlastegelegde. Daartoe heeft de raadsvrouw – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de verdachte geen strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, omdat het voor hem niet voorzienbaar was dat hij tijdens het rijden een ernstige hypoglykemie zou krijgen. (...)
Beoordeling
Bij de beantwoording van de vraag of de verdachte het strafrechtelijke verwijt van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 kan worden gemaakt, zoals ten laste is gelegd, komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij verdient het opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, in dit geval een dodelijk slachtoffer, kan worden afgeleid dat sprake is van aanmerkelijke schuld.
Het hof stelt voorop dat bijzondere hoedanigheden doorgaans grotere verantwoordelijkheden met zich meebrengen. In het geval van de verdachte is de eerste relevante hoedanigheid die van professioneel vrachtwagenchauffeur. Van een beroepschauffeur mag over het algemeen een grotere oplettendheid in het verkeer worden verwacht dan van een doorsneeverkeersdeelnemer. Dat geldt temeer wanneer er gevaarlijke stoffen worden vervoerd, hetgeen de verdachte dikwijls deed, ook op de avond van de aanrijding. De tweede van belang zijnde hoedanigheid is die van diabetespatiënt. Ook die hoedanigheid, waarvan de verdachte zich terdege bewust was, levert een extra zorgplicht op. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat een van de symptomen van diabetes kan zijn dat men plotseling voor een kortere tijd het bewustzijn kan verliezen ten gevolge van een hypo. Beide genoemde hoedanigheden vragen van de verdachte een extra oplettendheid en leveren in dit geval voor hem een grotere verantwoordelijkheid op. Van hem wordt verwacht dat hij zich deze grotere verantwoordelijkheid realiseert en dat hij deze waarmaakt. Ten overvloede merkt het hof op dat deze verantwoordelijkheid te allen tijde bij de verdachte zelf ligt, óók als hij door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) en zijn artsen rijgeschikt wordt geacht. Hij is immers de enige die in de praktijk kan beoordelen of zijn lichamelijke en geestelijke gesteldheid – met het oog op zijn diabetes – gedurende de dag zodanig is dat hij veilig aan het verkeer kan deelnemen.
Ter beantwoording van de vraag of de verdachte een strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt acht het hof, in het licht van hetgeen zojuist is vooropgesteld, de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Uit het dossier volgt dat de verdachte sinds 2010 last heeft van hypo’s en dat hij reeds eerder hypo’s heeft gehad tijdens de beroepsuitoefening als vrachtwagenchauffeur. Op 26 april 2017 zat de verdachte tijdens zijn werk in een hypo. Op 8 februari 2019, een maand voor het tenlastegelegde ongeval, verkeerde de verdachte wederom in een hypo. De verdachte stond toen met zijn vrachtwagen stil op de verkeerde weghelft. Voor de politieambtenaren die ter plaatse waren gekomen was de verdachte toen (ook) niet goed aanspreekbaar. Uit het dossier blijkt dat hij op die dag en de vier dagen daaraan voorafgaand gemiddeld bijna 14 uur per dag aan het werk was. De verdachte heeft na dit incident op 8 februari 2019 geen contact opgenomen met zijn behandelend artsen.
Op 11 maart 2019, de dag van het ongeval, is de verdachte rond 08:30 uur begonnen met zijn werkzaamheden. Omstreeks 21:00 uur begint hij aan zijn laatste rit van Moerdijk naar Amsterdam; de rit die eindigt met het ernstige verkeersongeval. De verdachte had die dag dus al een lange werkdag achter de rug. Óók in de werkdagen in de week voorafgaand aan het ongeval maakte de verdachte – zoals reeds hierboven vermeld – lange werkdagen; hij werkte gemiddeld bijna 14 uur per dag. Iets na 20:00 uur, een uur voor zijn vertrek van Moerdijk naar Amsterdam, heeft de verdachte zijn laatste meting uitgevoerd. De waarde bij die laatste meting was 6,3 millimol glucose/L bloed. Uit het dossier volgt dat de verdachte dient te streven naar een waarde tussen de 3,9 millimol glucose/L bloed en de 9,3 millimol glucose/L bloed. Beneden de genoemde onderwaarde ontstaan risico’s op een hypo. Kort na het ongeval bleek de verdachte niet aanspreekbaar te zijn en uit onderzoek volgt dat zijn bloedsuikerspiegel zeer laag was, namelijk 2,2 millimol glucose/L bloed. Ten opzichte van de laatste meting was dit een daling van 3,4 millimol.
Uit de zich in het dossier bevindende meetgegevens blijkt dat zo’n sterke daling bij de verdachte niet ongewoon was. De verdachte heeft gedurende de dag van het ongeval veel moeite om zijn glucosewaarde onder controle te houden, hetgeen volgt uit de zich in het dossier bevindende meetgegevens waarop grote schommelingen in de glucosewaarden zijn waar te nemen. Uit de weergave van die metingen blijkt dat tussen 06:50 uur en 07:20 uur een daling optrad van meer dan 5 millimol. Hetzelfde is het geval tussen 13:50 uur en 14:50 uur. Beide keren kan er gesproken worden van een hypo. Uit het dossier volgt eveneens dat de verdachte in de 90 dagen voorafgaand aan het ongeval op 11 maart 2019 256 keer een hypo heeft gehad (voor hem: een glucosewaarde van 3,9 millimol of minder). Daarvan was de verdachte 27 keer aan het werk en in 10 gevallen was hij aan het rijden. Voorts blijkt dat er in 41 gevallen sprake was van een waarde van 2,2 millimol of minder, zijnde de gemeten waarde tijdens het ongeval. Meermalen werd daarbij een sterke daling van de bloedsuikerspiegel gezien, waarbij binnen een uur een daling van meer dan 5 millimol optrad.
Hetgeen de verdediging stelt, namelijk dat de resultaten van de Freestyle Libre niet gebruikt kunnen worden om stellige beweringen te kunnen doen over hoe vaak de verdachte in een hypo verkeerde of over hoe snel zijn bloedsuikerspiegel doorgaans al dan niet daalde, verwerpt het hof. Het overweegt dienaangaande als volgt.
Bij de rechter-commissaris verklaart deskundige [naam 5] , internist vasculaire geneeskunde, dat de Freestyle Libre het meest betrouwbaar is in het gemiddelde gebied. Bij lagere of hogere glucosewaarden heeft het een lichte afwijking. Het gaat hierbij dan slechts om enkele tienden. Bovendien blijkt uit de gegevens van de insulinepomp van 10 en 11 maart 2019 dat de door die pomp ingevoerde glucosewaardes gelijk waren aan die gemeten zijn met de Freestyle Libre. Wanneer het hof desalniettemin uitgaat van deze afwijkingen in de meetapparatuur van de Freestyle Libre, dan nog is er in de periode voorafgaand aan het ongeval op 11 maart 2019 sprake van meerdere gevallen waarin de bloedsuikerwaarde van de verdachte zich (serieus) onder diens onderwaarde bevond.
Het hof merkt voorts op dat voor deelname aan het verkeer het van essentieel belang is dat er sprake is van hypo-awareness. Dit houdt in dat de diabeet hypo’s tijdig voelt aankomen, zodat hij daar adequaat naar kan handelen. Uit het dossier volgt dat de hypo-awareness van de verdachte onvoldoende is geweest. Deskundige [naam 5] stelt in zijn rapport dat de verdachte niet altijd adequaat heeft gereageerd op de genoemde hypo’s, aangezien sommige hypo’s, die door de verdachte wel werden gesignaleerd, toch opmerkelijk lang aanhielden. Ook de verdachte zelf geeft in zijn politieverhoor van 3 juni 2020 aan dat een onafhankelijke arts van het CBR heeft verklaard dat hij last heeft van hypo-unawareness. Bovendien hadden de eerdere incidenten die hadden plaatsgevonden, met name het incident van 8 februari 2019, een maand voor het ongeval, als duidelijke waarschuwing moeten gelden.
Het hof is van oordeel dat er bij de verdachte op 11 maart 2019 evenmin sprake was van een goede hypo-awareness. Immers, naar het oordeel van het hof bestonden er op het moment dat de verdachte op de Zuidelijke Randweg reed in de richting van de Drechttunnel al aanwijzingen dat hij zich in ‘de eerste fase’ van een hypo bevond. Aldaar zag getuige [getuige 1] dat de verdachte geen verlichting voerde en dat de verdachte stil stond op de rijbaan en schokkend in beweging kwam. Uit de in het dossier bevindende camerabeelden is eveneens gebleken dat de verdachte, als hij de tunnel uit rijdt, in strijd met de gebruik heeft gemaakt van de niet voor hem bestemde tunnelbuis. In plaats van adequaat handelen door zijn suikerwaarde te meten is de verdachte toen toch doorgereden. Naar het oordeel van het hof had de verdachte echter toen al moeten ingrijpen door zichzelf suiker toe te dienen, alvorens zijn rit te vervolgen.
Beoordeling alternatieve scenario
De raadsvrouw heeft een alternatief scenario geschetst voor de plotselinge daling van de bloedsuikerspiegel waarvan de verdachte geen verwijt kan worden gemaakt. Het alternatieve scenario houdt – samengevat weergegeven – in dat de plotselinge daling van de glucosewaarde zeer waarschijnlijk is veroorzaakt door de ophoping van insuline in onderhuids weefsel en vervolgens op onvoorspelbare – en niet met de bedoelde dosering overeenkomende – wijze is vrijgekomen.
Het door de verdediging geschetste alternatieve scenario acht het hof niet aannemelijk geworden. Het hof overweegt hiertoe als volgt.
De verdachte heeft – naar eigen zeggen – op 11 maart 2019 meerdere keren een bolus (een extra hoeveelheid insuline bovenop de – automatische – toediening van de pomp) toegediend, waarna zijn glucosewaarde zakte tot normaal/goed. Hierdoor merkte de verdachte dat hij het infuus goed had geplaatst. Uit de verandering in de glucosewaarden na het toedienen van de bolussen kan worden afgeleid dat de insuline (geleidelijk) in het lichaam van de verdachte terecht is gekomen.
Hetgeen zojuist is overwogen is niet te rijmen met het door de verdediging geschetste scenario dat de bloedsuikerspiegel van de verdachte plotseling is gedaald doordat de insuline was opgehoopt onder de huid en vervolgens op onvoorspelbare wijze is vrijgekomen. Het hof acht dit scenario dan ook niet aannemelijk geworden.
Het verweer wordt derhalve verworpen.
Conclusie
Gelet op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval – zoals hiervoor overwogen – beschouwt het hof het verkeersgedrag van de verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend. Het hof is derhalve van oordeel dat het ongeval aan de schuld van de verdachte te wijten is. Van een vrachtwagenchauffeur, die al jarenlang lijdt aan diabetes en die al langere tijd last had van hypo’s, mag worden verlangd dat hij in het belang van de verkeersveiligheid zelf de verantwoordelijkheid neemt om passende maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat hij op een veilige manier zijn werk kan uitoefenen en om te voorkomen dat hij als gemotoriseerde verkeersdeelnemer opnieuw in een (ernstige) hypo belandt. Door dit na te laten en toch als bestuurder van een motorrijtuig aan het verkeer deel te nemen, heeft verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld en het risico op een plotselinge black-out in het verkeer aanvaard.”
De tenlastelegging is toegesneden op artikel 6 (in samenhang met artikel 175 lid 1) WVW 1994. Daarom moet worden aangenomen dat het in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende begrip ‘schuld’ is gebruikt in de betekenis die dat begrip heeft in die bepaling.
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 6 WVW 1994:
“Het is een ieder die aan het verkeer deelneemt verboden zich zodanig te gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat.”
- Artikel 175 lid 1 WVW 1994:
“Overtreding van artikel 6 wordt gestraft met:
a. gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie, indien het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;
b. gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden of geldboete van de vierde categorie, indien het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.”
In het algemeen geldt dat onder ‘schuld’ als delictsbestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan die bestaat in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Of daarvan sprake is, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid. (Vgl. HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1398, overweging 2.6.1.)
In cassatie kan alleen worden onderzocht of de schuld aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994 – in dit geval het bewezenverklaarde aanmerkelijk onvoorzichtig en met aanmerkelijke verwaarlozing van de geboden zorgvuldigheid rijden – uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Verder verdient opmerking dat niet al uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de hier bedoelde zin. (Vgl. HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822.)
De bewezenverklaring houdt, kort gezegd, in dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden dat aan de schuld van de verdachte is te wijten, waarbij niet alleen de gedragingen van de verdachte direct voorafgaand aan het verkeersongeval een rol hebben gespeeld, maar ook omstandigheden die verband houden met het feit dat de verdachte al lange tijd bekend was met diabetes.
Het hof heeft in zijn bewijsvoering onder meer de volgende vaststellingen gedaan.
De verdachte heeft het beroep van vrachtwagenchauffeur en is diabetespatiënt. Sinds 2010 heeft hij last van zogenoemde hypo’s (hypoglykemie, neerkomend op een bloedglucosewaarde van minder dan 3,9 millimol per liter bloed). Voorafgaand aan de in de bewezenverklaring genoemde dag – 11 maart 2019 – heeft de verdachte tijdens de beroepsuitoefening als vrachtwagenchauffeur een aantal malen een hypo doorgemaakt. Een van die hypo’s vond plaats op 8 februari 2019. Op die dag en de vier dagen daaraan voorafgaand was de verdachte gemiddeld bijna veertien uren per dag aan het werk. Na het incident op 8 februari 2019 heeft de verdachte geen contact opgenomen met zijn behandelend artsen. In de negentig dagen voorafgaand aan 11 maart 2019 heeft de verdachte 256 keer een hypo gehad; dat gebeurde in 27 gevallen onder werktijd en in 10 gevallen tijdens het rijden. De verdachte heeft niet altijd adequaat gereageerd op die hypo’s, omdat sommige hypo’s, die door de verdachte wel werden gesignaleerd, opmerkelijk lang aanhielden. Een onafhankelijk arts van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) heeft verklaard dat de verdachte last van “hypo-unawareness” had.
Op 11 maart 2019 is de verdachte rond 08.30 uur begonnen met zijn werkzaamheden. Gedurende de dag had de verdachte veel moeite om zijn glucosewaarde onder controle te houden. Uit de meetgegevens van de glucosewaarden van de verdachte op 11 maart 2019 blijkt dat tussen 6.50 uur en 7.20 uur en tussen 13.50 uur en 14.50 uur een daling optrad van meer dan 5 millimol per liter bloed, waarbij sprake was van een hypo. Omstreeks 21.00 uur begon hij aan zijn laatste rit van die dag, van Moerdijk naar Amsterdam. De verdachte vervoerde gevaarlijke stoffen. Hij had die dag al een lange werkdag achter de rug en had ook in de daaraan voorafgaande week lange werkdagen van gemiddeld bijna veertien uren per dag gemaakt. Kort na het vertrek van de verdachte werd op de Zuidelijke Randweg in Moerdijk waargenomen dat de door de verdachte bestuurde vrachtwagen geen verlichting voerde, stilstond op de rijbaan en schokkend in beweging kwam. Later reed de verdachte niet de voor hem verplichte tunnelbuis van de Drechttunnel in, maar de andere tunnelbuis, terwijl kenbaar is gemaakt dat het voor vrachtwagens verboden is om van die tunnelbuis gebruik te maken. De verdachte heeft daarna zijn weg slingerend vervolgd over de A16 met een snelheid van ongeveer 90 km/u, waarbij de vrachtwagen de vangrail aan de linker- en de rechterzijde van de rijbaan schampte. De verdachte heeft vervolgens met een onverminderde snelheid van 90 km/u afrit 26 van de A16 genomen, waarna hij met een snelheid van 89 km/u door het voor hem rood licht uitstralende verkeerslicht het kruispunt met de Jacques Dutilhweg is opgereden. Op dit kruispunt is de vrachtwagen door de rechterberm en over de middenberm gereden, waarbij de vrachtwagen tegen straatmeubilair is gebotst. Vervolgens is de door de verdachte bestuurde vrachtwagen met een snelheid van ongeveer 75 km/u tegen de linkerzijde van de door het slachtoffer bestuurde personenauto gebotst, waarna deze auto is meegesleept en onder de vrachtwagen is beland. Als gevolg hiervan is het slachtoffer overleden. Na het ongeval werd de verdachte niet aanspreekbaar aangetroffen in zijn cabine en bleek zijn bloedsuikerspiegel 2,2 millimol per liter bloed te zijn. Nadat hem glucose was toegediend, werd hij weer aanspreekbaar.
Tegen de achtergrond van deze vaststellingen heeft het hof overwogen dat zowel de hoedanigheid van professioneel vrachtwagenchauffeur, en meer in het bijzonder die van beroepschauffeur die gevaarlijke stoffen vervoerde, als de hoedanigheid van diabetespatiënt van de verdachte een extra oplettendheid vroeg en voor hem een grotere verantwoordelijkheid opleverde. Verder heeft het hof overwogen dat het voor deelname aan het verkeer van essentieel belang is dat sprake is van hypo-awareness, in de zin dat een diabetespatiënt een hypoglykemie tijdig voelt aankomen, zodat hij daar adequaat naar kan handelen. Volgens het hof was de hypo-awareness van de verdachte, hoewel de eerdere incidenten als duidelijke waarschuwing moesten gelden, niet alleen in de periode voorafgaand aan 11 maart 2019 maar ook op 11 maart 2019 onvoldoende. Het hof heeft voorts overwogen dat van een vrachtwagenchauffeur die al jarenlang lijdt aan diabetes en die al langere tijd last had van hypo’s, mag worden verlangd dat hij in het belang van de verkeersveiligheid zelf de verantwoordelijkheid neemt om passende maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat hij op een veilige manier zijn werk kan uitoefenen en om te voorkomen dat hij als gemotoriseerde verkeersdeelnemer opnieuw in een (ernstige) hypo belandt.
Op grond van dit alles heeft het hof geoordeeld dat de verdachte, door na te laten om dergelijke maatregelen te nemen en door toch als bestuurder van een motorrijtuig aan het verkeer deel te nemen, aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld en het risico op een plotselinge black-out in het verkeer heeft aanvaard, waardoor een aan zijn ‘schuld’ te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Dat oordeel getuigt in het licht van wat onder 2.5 is vooropgesteld, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, faalt het.
De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de toewijzing door het hof van de vorderingen van de benadeelde partijen tot vergoeding van zogenoemde schokschade (ook wel shockschade) en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregelen.
Bij de stukken bevinden zich formulieren ‘Verzoek tot schadevergoeding’ van de benadeelde partijen [benadeelde 3] , [benadeelde 1] en [benadeelde 2] . Verder bevindt zich bij de stukken een toelichting op de vorderingen van de benadeelde partijen, met bijlagen. Die toelichting en bijlagen houden onder meer in:
“Vordering benadeelde partij [1] – [benadeelde 3] (broer)
(...)
De relatie tussen [benadeelde 3] en zijn broertje ging vele malen verder dan enkel het zijn van broers en het in gezinsverband met elkaar samenleven. [benadeelde 3] is ongeveer 3,5 jaar ouder dan zijn broertje en heeft, mede vanwege de beperkte taalvaardigheid van zijn ouders, vanaf het eerste moment een verzorgende rol ten aanzien van hem op zich genomen. Hij heeft zijn broertje voor een deel opgevoed en altijd geholpen op de momenten dat zijn ouders hiertoe (vanwege de taalbarrière) niet in staat waren.
Naast deze verzorgende rol, hadden beide broers ook een zeer hechte band. De broers deelden één slaapkamer en sliepen zelfs samen in een stapelbed (...). Hierdoor hebben de broers een sterkere band opgebouwd dan gemiddelde broers en zussen. Je deelt immers meer met elkaar indien je op een later leeftijd nog iedere dag samen op een kamer slaapt.
Ook blijkt de hechte band uit het feit dat de broers iedere dag meermaals telefonisch contact met elkaar hadden Ze waren altijd op de hoogte van elkaars plannen en beweegredenen, wat zorgde voor een soort ‘sociale controle’ op elkaars leven.
Daarnaast hadden de broers veel gemeenschappelijke interesses en deden ze veel activiteiten samen zoals; winkelen, uitgaan, koken en (uit)eten (...). Ook zijn de broers zelfs meerdere keren met zijn tweeën op vakantie geweest.
(...)
Shockschade
[benadeelde 3] meent dat hij in aanmerking komt voor vergoeding van shockschade op grond van artikel 6:106 lid 1 aanhef en onder b BW. Zoals reeds besproken leefde hij in gezinsverband samen met zijn broertje en onderhielden zij een zeer nauwe en affectieve relatie met elkaar.
Hij heeft reeds in de slachtofferverklaring naar voren gebracht dat hij zelf op het plaats delict is geweest en daar dus is geconfronteerd met de gevolgen. Voorts heeft hij op andere wijze een gedetailleerd beeld kunnen vormen van wat er zich op het moment van het ongeval heeft afgespeeld.
Zo heeft hij, als iemand die de Nederlandse taal voldoende beheerst, als eerste familielid kennis moeten nemen van het bericht van de verbalisanten aan de deur dat zijn broertje was overleden. Vervolgens heeft hij dit bericht moeten vertalen voor zijn ouders, een bijna onmogelijke opdracht.
Vervolgens is hij tevens de eerste geweest die zijn broertje heeft geïdentificeerd in het uitvaartcentrum. Dit was een enorme shock voor cliënt, niet alleen om zijn broertje zo te zien maar ook vanwege het feit dat dit relatief kort na het moment is geweest dat de verbalisanten bij cliënt en zijn ouders aan de deur kwamen.
Hij en zijn ouders hebben daarnaast ongeveer 10 gesprekken met de familieagent gehad over de gang van zaken. Ook zijn er twee gesprekken met de officier van justitie geweest, waarin vele details van het ongeval zijn besproken.
Ook is hij geconfronteerd met verschillende video’s van het ongeval, waarin duidelijk te zien is hoe het ongeval heeft plaatsgevonden en de omstandigheden ter plaatse waren. Deze video's zijn gemaakt door vrienden van het broertje van [benadeelde 3] , die toevalligerwijs bij het tankstation stonden vlakbij waar het ongeval plaatsvond. Zij hebben de video's gemaakt van het ongeluk, niet wetende dat dit uiteindelijk hun vriend betrof.
Tevens is hij in grote mate geconfronteerd met de media-aandacht rondom deze zaak. Zo zijn er meerdere artikelen gepubliceerd en is er door de media veelvuldig contact gezocht met de familie om informatie in te winnen.
Dit alles heeft een enorme impact gehad op [benadeelde 3] , met als gevolg dat hij veel last heeft van nachtmerries en herbelevingen/hallucinaties en daarvoor meerdere bezoeken aan een psycholoog danwel psychiater heeft gebracht. Uit de rapporten van deze deskundigen blijkt dat cliënt, door het ongeval een post-traumatische stress-stoornis heeft opgelopen tezamen met gestagneerde rouw en hallucinaties, wat een in de psychiatrie erkend ziektebeeld is. Eerder heeft hij al specialistische hulp, zoals EMDR-therapie, gehad, maar op een gegeven moment is deze hulp gestopt.
Wel heeft [benadeelde 3] medicatie nodig om zijn klachten te verzachten en het ziektebeeld te bestrijden (bijlage 3).
Vanwege het feit dat deze inhoudelijke behandeling nu weer veel stress en emoties met zich mee heeft gebracht, is er wederom om aanmelding verzocht bij de GGZ (bijlage 4).
Nu [benadeelde 3] rechtstreeks is geconfronteerd met de omstandigheden waaronder het misdrijf heeft plaatsgevonden, deze confrontatie een hevige schok teweeggebracht heeft nu hij een nauwe en affectieve band met zijn broertje had die door het misdrijf is gedood en uit deze hevige schok geestelijk letsel is voortgevloeid en dit letsel in rechte kan worden vastgesteld, meent [benadeelde 3] dat hij in aanmerking komt voor vergoeding van deze psychische schade.
De vordering van de shockschade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) behelst € 15.000,00.
Vordering benadeelde partij [2] – [benadeelde 2] (moeder)
Shockschade
[benadeelde 2] is de moeder van het slachtoffer en vordert wegens een bij haar vastgesteld erkend ziektebeeld als gevolg van de confrontatie met de ernstige gevolgen van het ongeval shockschade op grond van artikel 6:106 lid 1 aanhef en onder b BW.
Evident is dat [benadeelde 2] als moeder van het slachtoffer, waarbij zij in gezinsverband samenleefden en zij een verzorgende rol had ten aanzien van haar zoon, hevig geschokt is door het voorval.
Voorts heeft zij haar zoon kort na het incident moeten identificeren wat tot hevige emoties heeft geleid gezien de toedracht van het ongeval. Daarnaast heeft mevrouw vele gesprekken moeten voeren met de politie en hebben er twee gesprekken plaatsgevonden met de officier van justitie. In deze gesprekken is er gedetailleerd besproken wat er zich die dag heeft voorgedaan, waardoor mevrouw een zeer realistisch beeld heeft kunnen creëren van hoe het ongeluk eruit heeft moet gezien. Ook is mevrouw veelvuldig blootgesteld aan de aandacht van de media omtrent het ongeluk, iets was maakt dat je steeds opnieuw (onvrijwillig) geconfronteerd wordt met de gebeurtenis.
Dit alles heeft tot gevolg gehad dat mevrouw al geruime tijd kampt met psychische klachten. De klachten uiten zich o.a. in angstaanvallen, slaapproblematiek en somberheid. Mevrouw is bang ook haar andere zoon te verliezen en heeft nachtmerries over dat de politie opnieuw met slecht nieuws aan haar deur staat (bijlage 5). Haar zoon, [benadeelde 3] , doet naar aanleiding van dit traumatische moment de voordeur alleen nog open met de sleutel in plaats van dat hij aanbelt. Het geluid van de deurbel is voor mevrouw ondragelijk geworden.
Volgens de psychiater lijdt cliënte aan gecompliceerde rouw en is er daarnaast een stemmingsstoornis en post-traumatische stress-stoornis vastgesteld. In verband met dit ziektebeeld is cliënte doorverwezen naar de psychiater, waar zij in de periode van 28 juni 2019 tot en met 29 maart 2021, ruim 1,5 jaar, in behandeling is geweest (bijlage 6).
Daarnaast heeft mevrouw vandaag de dag nog diverse medicatie nodig om haar klachten te verzachten en het ziektebeeld te bestrijden (bijlage 7). Mevrouw kwam in de beginperiode van haar behandeling bij de psychiater in aanmerking voor EMDR-therapie, echter heeft deze therapie niet plaatsgevonden omdat het lastig was een therapeut te vinden die de Turkse taal machtig is. Daarom is ook de therapie in eerste instantie even gepauzeerd, maar vanwege het feit dat deze inhoudelijke behandeling nu weer veel stress en emoties met zich mee heeft gebracht en ook de aanhoudende klachten, is er wederom om aanmelding verzocht bij de GGZ (bijlage 8).
De confrontatie met de gevolgen van het ongeval hebben bij mevrouw een hevige emotionele shock teweeggebracht die bij haar heeft geleid tot een stemmingsstoornis en post-traumatische stress-stoornis.
Nu moeder rechtstreeks is geconfronteerd met de omstandigheden waaronder het misdrijf heeft plaatsgevonden, deze confrontatie een hevige schok teweeggebracht heeft nu haar zoon door het misdrijf is gedood en uit deze hevige schok geestelijk letsel is voortgevloeid en dit letsel in rechte kan worden vastgesteld, meent moeder dat zij in aanmerking komt voor vergoeding van deze psychische schade.
De vordering van de shockschade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) behelst € 15.000,00.
Vordering benadeelde partij [3] – [benadeelde 1] (vader)
(...)
Naar aanleiding van het ongeval heeft [benadeelde 1] diverse medische klachten ontwikkeld, waardoor hij geruime tijd niet in staat is geweest om te werken. Meneer heeft een trauma ontwikkeld en is hierdoor erg agressief en depressief. Hij heeft last van nachtmerries, hartkloppingen en verlies van levenslust. Daarnaast krijgt hij verschillende medicatie en gaat hij 2 keer per week naar een psycholoog. Hij kan weinig zelfstandig doen en durft vanwege het ongeluk ook geen auto meer te rijden (bijlage 10). Dit laatste is essentieel om zijn beroep als vrachtwagenchauffeur te kunnen uitoefenen.
Na het ongeval heeft meneer niet meer kunnen werken als vrachtwagenchauffeur, wat tot gevolg heeft gehad dat hij per september 2019 in de Werkloosheidswet terecht is gekomen. Vanaf 18 februari 2020 heeft hij zich als gevolg van aanhoudende klachten ziekgemeld en is hij vervolgens in de Ziektewet gekomen. Op 30 november 2020 is er door het UWV een evaluatierapport opgesteld (bijlage 11). Op dezelfde dag is er tevens een beslissing genomen omtrent het recht op uitkering op basis van de Ziektewet. Hierin is besloten dat meneer nog steeds niet in staat is om meer dan 65% van het loon te verdienen van voordat hij ziek werd (bijlage 12). (...)
Shockschade
[benadeelde 1] is de vader van het slachtoffer en vordert wegens een bij hem vastgesteld erkend ziektebeeld als gevolg van de confrontatie met de ernstige gevolgen van het ongeval shockschade op grond van artikel 6:106 lid 1 aanhef en onder b BW.
Evident is dat [benadeelde 1] als vader van het slachtoffer, waarbij zij in gezinsverband samenleefden en hij een verzorgende rol had ten aanzien van zijn zoon, hevig geschokt is door het voorval.
Voorts heeft hij zijn zoon kort na het incident moeten identificeren wat tot hevige emoties heeft geleid gezien de toedracht van het ongeval. Daarnaast heeft [benadeelde 1] vele gesprekken moeten voeren met de politie en hebben er twee gesprekken plaatsgevonden met de officier van justitie. In deze gesprekken is er gedetailleerd besproken wat er zich die dag heeft voorgedaan, waardoor hij een zeer realistisch beeld heeft kunnen creëren van hoe het ongeluk eruit heeft moet gezien. Ook is hij veelvuldig blootgesteld aan de aandacht van de media omtrent het ongeluk, iets was maakt dat je steeds opnieuw (onvrijwillig) geconfronteerd wordt met de gebeurtenis.
Dit alles heeft tot gevolg gehad dat [benadeelde 1] al geruime tijd kampt met psychische klachten. Volgens de huisarts lijdt hij aan gecompliceerde rouw en is er daarnaast een stemmingsstoornis vastgesteld. In verband met dit ziektebeeld is hij doorverwezen naar de psychiater (bijlage 14).
De confrontatie met de gevolgen van het ongeval hebben bij [benadeelde 1] een hevige emotionele shock teweeggebracht die bij hem heeft geleid tot een stemmingsstoornis.
Nu vader rechtstreeks is geconfronteerd met de omstandigheden waaronder het misdrijf heeft plaatsgevonden, deze confrontatie een hevige schok teweeggebracht heeft nu zijn zoon door het misdrijf is gedood en uit deze hevige schok geestelijk letsel is voortgevloeid en dit letsel in rechte kan worden vastgesteld, meent vader dat hij in aanmerking komt voor vergoeding van deze psychische schade.
De vordering van de shockschade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) behelst € 15.000,00.
(...)
Bijlage 3
[BSN dat betrekking heeft op [benadeelde 3] ]
Medicatiehistorie (...) tussen 01-04-2019 en 01-10-2019
[medicatiehistorie]
Bijlage 4
[naam 3] , huisarts
(...)
Stichting [B]
[plaats] , 09-06-2021
(...)
Hierbij verwijs ik:
[benadeelde 3]
(...)
Geboortedatum: [geboortedatum] 1994
BSN (...)
Probleem/vraagstelling:
Verwijzing naar de gespecialiseerde GGZ ivm klachten sinds het overlijden van zijn broer maart 2019 tgv een ongeval. Er lijkt sprake van PTSS, gestagneerde rouw en hallucinaties. Graag uw begeleiding, hulp.
(...)
Bijlage 5
Stichting [B]
Behandelplan
[benadeelde 2]
(...)
Datum: 26 juli 2019
Klachtenbeschrijving van cliënt:
Patiënte geeft aan last te hebben van somberheidsklachten die zijn geluxeerd naar aanleiding van het overlijden van haar 21-jarige zoon op 11 maart 2019. Haar zoon is overleden in een auto-ongeluk. Patiënte vertelt nog steeds levendige herinneringen te hebben aan haar zoon. voelt zich moedeloos, geeft aan dat ze het niet aankan om dit te verwerken omdat het zo plots gebeurde en zij zich niet kon voorbereiden op zijn dood. Patiënte vertelt dat zij bij elke keer dat iemand aanbelt zij het gevoel krijgt alsof haar zoon aan de deur staat en/of de politie (net zoals die nacht toen de politie vertelde dat haar zoon was overleden). Ze vertelt dat zij niet meer kan genieten en voelt zich dagelijks somber. Zij heeft last van slaapproblemen, waarbij met name het inslapen moeizaam verloopt. Ook wordt zij frequent wakker. Zij heeft een verminderd eetlust. Ze is sinds aanvang van de klachten 9 kg afgevallen.
Zij praat thuis regelmatig tegen de foto van haar zoon, alsof hij nog in leven is. Soms raakt zij woedend en wordt zij boos op de foto omdat hij haar heeft verlaten. Zij heeft een gevoel alsof ze niet goed kan ademen, voelt zich eenzaam, voelt alsof ze binnen een paar maanden 10 jaar ouder is geworden. ‘s nachts heeft zij vaak last van herbelevingen en flashbacks van toen de politie aanbelde.
Ook heeft zij last van angstklachten sinds ongeveer een week. Dit ontstaat vooral ‘s nachts of ‘s morgens als zij wakker wordt. Ze voelt tintelingen in haar gezicht en voelt alsof haar gezicht kookt (is bang dat ze verlamd gaat raken, gaat haar gezicht wassen). Ze voelt vaak hartkloppingen, soms pijn op de borst en midden op haar rug. Ook heeft zij veel last van transpireren, wederom vooral in de nachten.
Hulpvraag:
- Ik wil het overlijden van mijn zoon verwerken
- Ik wil me minder somber voelen
Diagnose
Datum: 26-07-2019
Diagnose bij: Gekoppeld aan DBC
DBC ID: [0001]
Door: [naam 6]
DSM classificatie:
AS 1: Depressieve stoornis: eenmalige episode - matig (296.22) HB
(...)
Behandelplan
[benadeelde 2]
(...)
Datum: 10 september 2020
Klachtenbeschrijving van patiënt:
Patiënte geeft aan last te hebben van somberheidsklachten die zijn geluxeerd naar aanleiding van het overlijden van haar 21-jarige zoon op 11 maart 2019. Ze vertelt dat zij niet meer kan genieten en voelt zich dagelijks somber. Ze denkt veel over hem na en elke keer als ze ergens langs loopt vraagt ze zich ook af of haar overleden zoon daar ook is geweest. Zij heeft last van slaapproblemen, waarbij met name het inslapen moeizaam verloopt. Ook wordt zij frequent wakker. Er is sprake van angst over de gezondheid van haar oudere zoon en is bang dat ze hem ook kwijt gaat raken.
Hulpvraag:
Ik wil kunnen ventileren
Diagnose
Datum: 30-06-2020
Diagnose bij: Gekoppeld aan DBC
DBC ID: [0002]
Door: [naam 6]
DSM classificatie:
Depressieve stoornis: eenmalige episode - matig (296.22) HB
Ongespecificeerde angststoornis (300.00)
Diagnose op as2 uitgesteld (799.9)
Diagnose op as3, complex
Andere problemen verband houdend met psychosociale omstandigheden (V62.89)
Begin GAF-score 51-60
(...)
Bijlage 7
[afbeelding van een medicatieoverzicht dat betrekking heeft op [benadeelde 2] ]
Bijlage 8
[naam 3] , huisarts
(...)
Stichting [B]
[plaats] , 09-06-2021
(...)
Hierbij verwijs ik:
[benadeelde 2] (...)
Probleem/vraagstelling:
Verwijzing naar de gespecialiseerde GGZ ivm klachten sinds het overlijden van haar zoon maart 2019 tgv een ongeval. Er lijkt sprake van een gestagneerde rouw, maar ook van PTSS en auditieve en visuele hallucinaties. Ze slaapt erg slecht. Graag uw begeleiding, hulp.
(...)
Bijlage 10
[afbeelding van klachten [benadeelde 1] ]
(...)
Bijlage 14
[naam 3] , huisarts
(...)
Psycho-test
(...)
[plaats] , 02-02-2021
(...)
Hierbij verwijs ik:
[benadeelde 1] (...)
naar de Generalistische Basis GGZ op verzoek van Dhr. Er is sprake van een (vermoeden) van een DSM geclassificeerde stoornis, namelijk stemmingsstoornis. Deze is ontstaan na het plotseling overlijden van de zoon van dhr in een ongeval in 2019. Er lijkt sprake van gestagneerde rouwverwerking. Hierbij verzoek ik u verdere diagnostiek en behandeling in gang te zetten.
(...)
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“69. Ten aanzien van de gevorderde vergoeding van shockschade, merkt de verdediging het volgende op. Voor vergoeding van shockschade is, onder andere blijkens het Flatgebouw-arrest (HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958), vereist dat sprake is van geestelijk letsel dat naar objectieve maatstaven is vastgesteld. Dat is slechts het geval, indien de emotionele schok heeft geleid tot geestelijk letsel dat, gelet op aard, duur en/of gevolgen, ernstig is. Voorts moet het geestelijk letsel in voldoende mate objectiveerbaar zijn. Uit de bijlagen van de vorderingen van de benadeelde partijen in eerste aanleg blijkt echter, dat ten aanzien van broer [benadeelde 3] en moeder [benadeelde 2] enkel sprake is van een schrijven van de huisarts. De huisarts oordeelt immers dat er sprake lijkt te zijn van onder andere PTSS. Ten aanzien van vader [benadeelde 1] geldt min of meer hetzelfde: er wordt gesteld dat sprake is van een vermoeden van een stemmingsstoornis. Een oordeel van een specialist blijkt niet.
70. In het vonnis van de rechtbank wordt bovendien uitgegaan van een onjuist criterium van geestelijk letsel in het kader van shockschade. De rechtbank oordeelt: “Met betrekking tot de shockschade wordt overwogen dat dergelijke schade toewijsbaar is indien kan worden vastgesteld dat sprake is van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast.” Dit komt niet overeen met de voornoemde definitie uit het Flatgebouw-arrest. De definitie van de rechtbank heeft als gevolg dat ten onrechte wordt geoordeeld dat, ten aanzien van moeder [benadeelde 2] en vader [benadeelde 1] , sprake zou zijn van geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en wat in voldoende mate objectiveerbaar is. In het vonnis wordt geoordeeld dat hiervan sprake is, bij “aanhoudende psychische klachten” als gevolg van de hevige emotionele shock. De omschrijving van de rechtbank is ten eerste niet in voldoende mate objectiveerbaar. Ten tweede maakt deze enigszins vage omschrijving dat niet geoordeeld kan worden of sprake is van voldoende ernstig geestelijk letsel.
71. Naast de harde eis van voldoende ernstig en in voldoende mate objectiveerbaar geestelijk letsel, zijn volgens de Hoge Raad (blijkens het Flatgebouw-arrest) een aantal gezichtspunten van belang (zie rov. 3.5). Deze gezichtspunten loop ik kort langs.
72. Volgens de Hoge Raad zijn onder andere de aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad van belang. In dit kader is ook de intentie van de dader van belang. Relevant is daarom om op te merken dat van enige vorm van opzet geen sprake is. Verdachte heeft gehandeld conform het advies van zijn toenmalige internist en diabetesverpleegkundige – zoals door de rechtbank ook in het voordeel van de verdachte is meegewogen.
73. Een tweede gezichtspunt is de wijze waarop de secundaire slachtoffers zijn geconfronteerd met het ongeval en de gevolgen daarvan. Relevant in dit kader is dat geen van de benadeelde partijen getuige is geweest van het ongeval. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre zij onverhoeds was. Ten aanzien van moeder [benadeelde 2] en vader [benadeelde 1] geldt dat het onduidelijk is hoe zij zijn geconfronteerd met de gevolgen van het ongeval. Daardoor kan niet worden vastgesteld op welke wijze de benadeelde partijen zijn geconfronteerd met het ongeval en de gevolgen daarvan. Bovendien is van een onverhoedse confrontatie geen sprake geweest, nu beide ouders vóór de waarneming van hun zoon op de hoogte waren gesteld van de gebeurtenissen en de staat waarin hun zoon zich bevond.
74. Kortom, de verdediging is van oordeel dat, gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt, de vorderingen tot vergoeding van shockschade allen moeten worden afgewezen. Er is geen sprake van voldoende ernstig en in voldoende mate objectiveerbaar geestelijk letsel. Bovendien is de intentie van de verdachte op geen enkel moment gericht geweest op het veroorzaken van het ongeval: van opzet is geen sprake. Verdachte heeft gehandeld conform het advies van zijn toenmalige internist en diabetesverpleegkundige. Bovendien waren de benadeelde partijen geen getuige van het ongeval en was ten aanzien van moeder [benadeelde 2] en vader [benadeelde 1] geen sprake van onverhoedse latere confrontatie; onduidelijk is zelfs hoe en wanneer de confrontatie heeft plaatsgevonden.
(...)
77. Kortom: primair is de verdediging van oordeel dat alle vorderingen van de benadeelde partijen dienen te worden afgewezen.
78. Subsidiair is zij van mening dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen, nu de vorderingen een onevenredige belasting van het strafproces vormen.
79. Mocht Uw Hof oordelen dat de vorderingen vanwege de shockschade dienen te worden toegewezen, dan dient de vordering vanwege de shockschade slechts voor dat deel te worden toegewezen, dat overblijft na aftrek van de reeds ontvangen schadevergoeding wegens affectieschade. Blijkens het eerdergenoemde arrest Flatgebouw, dient de rechter over te gaan tot aftrek van de shockschade vanwege toekenning van affectieschade, indien dit blijkens de omstandigheden van het geval billijk is. Volgens de verdediging is dat het geval gelet op de situatie van [verdachte] en de specifieke feiten en omstandigheden. Aftrek van de affectieschade (€ 17.500 voor de moeder en € 17.500 voor de vader) leidt er per saldo toe dat er van de shockschade niets overblijft.
80. Mocht Uw Hof van mening zijn dat de affectieschade niet van de shockschade zou moeten worden afgetrokken, dan verzoekt de verdediging om matiging van de shockschade ex art. 6:109 jo. art. 6:106 BW.”
Volgens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft de advocaat van de benadeelde partijen daar onder meer aangevoerd:
“Volgens de verdediging is er geen sprake van een directe confrontatie en objectiveerbaar letsel. Uit de vorderingen, en de onderbouwingen daarvan volgt duidelijk een andere lezing. Ik stel mij op het standpunt dat in voldoende mate vastgesteld kan worden dat er sprake is geweest van een hevige emotionele shock die heeft geleid tot geestelijk letsel. In dit verband verwijs ik naar het Flatgebouwarrest (ECLI:NL:HR:2022:958).”
Het arrest van het hof houdt onder meer in:
“Vordering tot schadevergoeding [benadeelde 3]
(...)
Shockschade
Voorts heeft [benadeelde 3] een bedrag van € 15.000 ter vergoeding van shockschade gevorderd. Wat betreft de criteria voor de toekenning van immateriële schade in de vorm van shockschade sluit het hof aan bij de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad. Het hof overweegt hiertoe dat vergoeding van immateriële schade als gevolg van shockschade alleen kan plaatsvinden als door het waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan, een hevige emotionele shock bij de benadeelde partij is teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit. Voor vergoeding van deze schade is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.
Het hof stelt vast dat de benadeelde partij het verkeersongeval niet direct heeft waargenomen. Vergoeding kan echter ook plaatsvinden als bij de benadeelde door directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het ongeval een in de psychiatrie, erkend ziektebeeld, is vastgesteld.
Het hof stelt vast dat bij [benadeelde 3] een hevige emotionele shock is teweeggebracht door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het verkeersongeval. Hij is kort na het ongeval op de plaats van het ongeval geweest, heeft zijn broertje moeten identificeren en heeft de toegezonden filmpjes van het ongeval, waarin duidelijk te zien is hoe het ongeval heeft plaatsgevonden en hoe de omstandigheden ter plaatse waren, gezien. Daarnaast heeft hij zijn ouders kort na het ongeval op de hoogte moeten stellen van het overlijden van hun kind. Hoewel hij het verkeersongeval zelf niet heeft waargenomen, is hij dus wel direct geconfronteerd met de ernstige gevolgen ervan. Deze confrontatie heeft geleid tot geestelijk letsel in de vorm van PTSS, alsook in de vorm van hallucinaties en herbelevingen. Hij is hiervoor behandeld en gebruikt medicatie.
De gevorderde shockschade zal gelet op het bovenstaande geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 3]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 15.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 3] .
Vordering tot schadevergoeding [benadeelde 1]
(...)
Shockschade
Voorts heeft [benadeelde 1] een bedrag van € 15.000 ter vergoeding van shockschade gevorderd. Wat betreft de criteria voor de toekenning van immateriële schade in de vorm van shockschade sluit het hof aan bij de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, zoals hiervoor bij de vordering van [benadeelde 3] is vermeld.
Het hof stelt vast dat de benadeelde het verkeersongeval niet direct heeft waargenomen. Vergoeding kan echter ook plaatsvinden als bij de benadeelde door directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het ongeval een in de psychiatrie erkend ziektebeeld is vastgesteld.
Uit de door de benadeelde partij gegeven onderbouwing van dit deel van de vordering komt naar het oordeel van het hof duidelijk naar voren dat de confrontatie met de gevolgen van het verkeersongeval bij de benadeelde partij, waaronder de identificatie van zijn zoon, de vader van het slachtoffer, een hevige emotionele shock teweeggebracht heeft die heeft geleid tot aanhoudende psychische klachten. Volgens de huisarts lijdt hij aan gecompliceerde rouw en er is daarnaast een stemmingsstoornis vastgesteld.
De gevorderde shockschade zal gelet op het bovenstaande geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 15.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1] .
Vordering tot schadevergoeding [benadeelde 2]
In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde 2] , moeder van het slachtoffer, zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 15.000, bestaande uit shockschade.
(...)
Shockschade
Wat betreft de criteria voor de toekenning van immateriële schade in de vorm van shockschade sluit het hof ook hier aan bij hiervoor onder de vordering van [benadeelde 3] genoemde vaste jurisprudentie van de Hoge Raad.
Het hof stelt vast dat de benadeelde het verkeersongeval niet direct heeft waargenomen. Vergoeding kan echter ook plaatsvinden als bij de benadeelde door directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het ongeval een in de psychiatrie erkend ziektebeeld is vastgesteld.
Uit de door de benadeelde partij gegeven onderbouwing van de vordering komt naar het oordeel van het hof duidelijk naar voren dat de confrontatie met de gevolgen van het verkeersongeval, waaronder het identificeren van haar zoon, bij de benadeelde partij een hevige emotionele shock teweeggebracht heeft die heeft geleid tot aanhoudende psychische klachten. Volgens de psychiater lijdt zij aan gecompliceerde rouw en is daarnaast een stemmingsstoornis en PTSS vastgesteld.
De gevorderde shockschade zal gelet op het bovenstaande geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 15.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2] .”
In zijn arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 heeft de Hoge Raad over de – naar het materiële burgerlijk recht te beoordelen – vordering tot schadevergoeding waarmee degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich als benadeelde partij kan voegen in het strafproces, onder meer overwogen:
“2.1 (...) Met de mogelijkheid tot het instellen van een vordering door benadeelde partijen heeft de wetgever beoogd binnen het strafproces te voorzien in – kort gezegd – een eenvoudige en laagdrempelige procedure die ertoe leidt dat personen die schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit zoveel mogelijk schadeloos worden gesteld. (...) De aldus voorziene eenvoudige procedure biedt aan de benadeelde partij en de verdachte niet dezelfde processuele waarborgen als een gewone civielrechtelijke procedure, onder meer omdat in de context van de strafrechtelijke procedure ingevolge art. 334 Sv slechts in beperkte mate plaats is voor bewijslevering. Dit bezwaar wordt echter in afdoende mate ondervangen door voornoemd art. 361, derde lid, Sv, welke bepaling mede in het licht van art. 6, eerste lid, EVRM aldus moet worden uitgelegd dat zij de strafrechter tot niet-ontvankelijkverklaring verplicht indien hij niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren. (...)
Voor de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij gelden niet de bewijs(minimum)regels van het Wetboek van Strafvordering maar de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken. Overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv rust op de benadeelde partij die een vordering instelt in beginsel de last de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. In de context van het strafproces heeft die stelplicht in het bijzonder betrekking op de feiten en omstandigheden die niet kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens met betrekking tot het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit, hetgeen in het bijzonder geldt voor feiten en omstandigheden die bepalend zijn voor de aard en omvang van de gevorderde schade.
In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden in voldoende mate zijn komen vast te staan.
(...)
Art. 361, vierde lid, Sv schrijft voor dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. De begrijpelijkheid van de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij is mede afhankelijk van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering dus meer aandacht vragen.”
In zijn arrest van 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958 heeft de Hoge Raad over de beoordeling van een vordering tot vergoeding van schokschade onder meer overwogen:
“3.4 Iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt, kan – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt. Het recht op vergoeding van schade is beperkt tot de schade die volgt uit door die laatste onrechtmatige daad veroorzaakt geestelijk letsel zoals hierna onder 3.7 nader omschreven.
Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht als hiervoor bedoeld (hierna: het secundaire slachtoffer) zijn onder meer:
- De aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed.
- De wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan. Daarbij kan onder meer worden betrokken of hij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer, of dat hij nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre zij onverhoeds was. Bij het aan dit gezichtspunt toe te kennen gewicht kan meewegen of het secundaire slachtoffer beroepsmatig of anderszins bedacht moest zijn op een dergelijke schokkende gebeurtenis.
- De aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer, waarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen.
De feitenrechter moet aan de hand van onder meer deze gezichtspunten in hun onderlinge samenhang beschouwd van geval tot geval beoordelen of sprake is van onrechtmatigheid, waarbij niet op voorhand aan een van deze gezichtspunten doorslaggevende betekenis toekomt. Als een van deze gezichtspunten geen duidelijke indicatie voor het aannemen van onrechtmatigheid geeft, kan onrechtmatigheid desondanks worden aangenomen als de omstandigheden daarvoor, bezien vanuit de overige gezichtspunten, voldoende zwaarwegend zijn.
Het recht op vergoeding van schade die is veroorzaakt door het onrechtmatig teweegbrengen van een hevige emotionele schok is – zoals hiervoor in 3.4 reeds overwogen – beperkt tot de schade die volgt uit geestelijk letsel. Voor de toewijzing van schadevergoeding ter zake van dat geestelijk letsel is vereist dat het bestaan van dat geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. In de rechtspraak over schokschade is in dat verband steeds overwogen dat dit in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld.
Als sprake is van geestelijk letsel als hier bedoeld, komt zowel de materiële als de immateriële schade die daarvan het gevolg is voor vergoeding in aanmerking.
(...)
Naast een aanspraak op vergoeding van de immateriële schade die het gevolg is van het hiervoor bedoelde, door een hevige emotionele schok veroorzaakte geestelijk letsel, kan een secundair slachtoffer ook, als naaste van het primaire slachtoffer, een aanspraak hebben op een vaste vergoeding op grond van de artikelen 6:107 lid 1, aanhef en onder b, Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en 6:108 lid 1 in verbinding met artikel 6:108 lid 3 BW (‘affectieschade’). In zo’n geval van samenloop van deze aanspraken zal de rechter aan de hand van de omstandigheden van het geval naar billijkheid en schattenderwijs moeten afwegen in hoeverre bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding van de immateriële schade die het gevolg is van het hiervoor bedoelde, door de hevige emotionele schok veroorzaakte geestelijk letsel, rekening wordt gehouden met die aanspraak op affectieschade.
In cassatie kunnen de oordelen over de omvang van de hiervoor besproken verplichting tot vergoeding van schade in beginsel slechts op hun begrijpelijkheid worden onderzocht. Bij dit onderzoek kan van belang zijn in hoeverre blijkt dat de feitenrechter bij zijn oordeel acht heeft geslagen op beslissingen van (Nederlandse) rechters in vergelijkbare gevallen.”
In zijn arrest van 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:644 heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:
“3.3.2 Dat in het strafproces enkele processuele waarborgen van de gewone civielrechtelijke procedure ontbreken, brengt mee dat de strafrechter zich ervan moet vergewissen dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij genoegzaam naar voren te brengen. Gelet op de eigen verantwoordelijkheid van de partijen voor het naar voren brengen en onderbouwen van hun stellingen, vergt deze verplichting doorgaans geen zelfstandige aandacht (in de motivering) van de strafrechter, maar dat kan onder omstandigheden anders zijn, bijvoorbeeld als het gaat om een substantiële vordering van complexe aard waarvan de omvang zich niet eenvoudig laat vaststellen.”
In zijn bewijsvoering heeft het hof over de aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het (primaire) slachtoffer [slachtoffer] gepleegde onrechtmatige daad vastgesteld, kort gezegd, dat het door de aanmerkelijk onvoorzichtige en onzorgvuldige gedragingen van de verdachte veroorzaakte verkeersongeval – waarbij de door de verdachte bestuurde vrachtwagen tegen de linkerzijde van de door het slachtoffer bestuurde personenauto is gebotst, waarna deze auto is meegesleept en onder de vrachtwagen is beland en bij het slachtoffer sprake was van uiterlijke verwondingen die zijn veroorzaakt door een beknellingstrauma – heeft geleid tot de dood van het slachtoffer.
Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde 3] heeft het hof vastgesteld dat hij het verkeersongeval niet direct heeft waargenomen, maar dat wel sprake was van een directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het verkeersongeval, nu hij kort na dat ongeval het slachtoffer, zijn broer, heeft moeten identificeren en zijn ouders op de hoogte heeft moeten stellen van het overlijden van hun kind, terwijl hij ook op de plaats van het ongeval is geweest en de toegezonden filmpjes van het ongeval – waarin duidelijk te zien is hoe het ongeval heeft plaatsgevonden en hoe de omstandigheden ter plaatse waren – heeft gezien. Het hof heeft verder vastgesteld dat deze directe confrontatie bij de benadeelde partij [benadeelde 3] een hevige emotionele schok heeft teweeggebracht en dat de confrontatie met de ernstige gevolgen van het verkeersongeval heeft geleid tot geestelijk letsel in de vorm van een posttraumatische stressstoornis, hallucinaties en herbelevingen. Volgens de vaststellingen van het hof is de benadeelde partij hiervoor behandeld en gebruikt hij medicatie.
Tegen de achtergrond van wat onder 3.3 is vooropgesteld, geeft de op deze vaststellingen gebaseerde toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] tot vergoeding van schokschade niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De toewijzing – met het oog waarop het hof onder meer de gezichtspunten heeft betrokken die zijn genoemd in overweging 3.5 van de onder 3.3.2 weergegeven uitspraak – is, ook in het licht van wat door de verdediging naar voren is gebracht, toereikend gemotiveerd.
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, faalt het.
Ten aanzien van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] heeft het hof overwogen dat uit de door hen gegeven onderbouwing van hun vorderingen duidelijk naar voren komt dat de confrontatie met de gevolgen van het verkeersongeval, waaronder het identificeren van het slachtoffer (hun zoon), bij hen een hevige emotionele schok heeft teweeggebracht. Daarnaast heeft het hof vastgesteld dat die hevige schok heeft geleid tot aanhoudende psychische klachten. Volgens de vaststellingen van het hof lijdt [benadeelde 1] aan gecompliceerde rouw en is bij hem een stemmingsstoornis vastgesteld. De benadeelde partij [benadeelde 2] lijdt aan gecompliceerde rouw. Daarnaast zijn bij haar een stemmingsstoornis en een posttraumatische stressstoornis vastgesteld.
Tegen de achtergrond van wat onder 3.3 is vooropgesteld, is de op deze vaststellingen gebaseerde toewijzing van de vorderingen van deze benadeelde partijen tot vergoeding van schokschade, niet toereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat door de verdediging is aangevoerd dat onduidelijk is hoe deze benadeelde partijen zijn geconfronteerd met de gevolgen van het ongeval, en dat de verdediging heeft betwist dat sprake is geweest van een onverhoedse confrontatie met het ongeval en de gevolgen daarvan, terwijl het hof geen vaststellingen heeft gedaan over de manier waarop deze benadeelde partijen zijn geconfronteerd met het tegen het (primaire) slachtoffer gepleegde strafbare feit en de gevolgen daarvan.
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, slaagt het.
Het cassatiemiddel klaagt verder dat het hof bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding van de schokschade ten behoeve van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] geen rekening heeft gehouden met de door hen gemaakte aanspraak op vergoeding van affectieschade.
Op de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte onder meer aangevoerd dat deze benadeelde partijen al aanspraak hebben gemaakt op vergoeding van affectieschade, dat aan hen een bedrag van ieder € 17.500 is toegekend en dat die vergoeding geheel of gedeeltelijk in mindering moet komen op de vergoeding van de schokschade.
In zijn onder 3.2.4 weergegeven overwegingen heeft het hof niet kenbaar betrokken of en, zo ja, in hoeverre het bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding van de schokschade rekening heeft gehouden met die aanspraak op vergoeding van affectieschade. Daarom is het oordeel van het hof dat telkens het gevorderde bedrag van € 15.000 in verband met schokschade volledig voor toewijzing in aanmerking komt, niet toereikend gemotiveerd.
Opmerking verdient dat in het bijzonder in gevallen waarin de benadeelde partij die aanspraak maakt op vergoeding van schokschade niet direct ter plaatse is geconfronteerd met de gebeurtenis en haar gevolgen, de vraag of de vergoeding van schokschade niet geheel of voor een deel samenvalt met de vergoeding van affectieschade, aandacht verdient in de motivering door de rechter.
Ook voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, slaagt het.
Het voorgaande brengt mee dat het cassatiemiddel ook slaagt voor zover dat opkomt tegen de oplegging van de schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] .
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig.
4. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft (i) de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] , voor zover het betreft de toewijzing van € 15.000 voor schokschade, (ii) de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] , (iii) de veroordeling van de verdachte in de door de benadeelde partij [benadeelde 1] en de benadeelde partij [benadeelde 2] gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, en (iv) de oplegging van de schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] ;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C. Caminada als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 november 2026.