HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/04820
Datum 3 november 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden van 23 december 2024, nummer 21-002241-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Boksem bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden , opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak.
De verdachte is in eerste aanleg aanwezig geweest op de terechtzitting van 20 april 2023. Op 4 mei 2023 heeft hij tegen het vonnis van de rechtbank hoger beroep ingesteld. De verdachte is gedagvaard om op de terechtzitting in hoger beroep van 9 december 2024 te verschijnen. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in dat de verdachte daar niet is verschenen. Het houdt verder in:
“Als raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. [betrokkene 1] .
Voorts zijn verschenen [betrokkene 2] en diens moeder, [betrokkene 3] , bijgestaan door [betrokkene 4] , alsmede bijgestaan door een tolk in de Arabisch-Saoedische taal. Hetgeen ter terechtzitting is gesproken of voorgelezen door [betrokkene 3] is door de tolk vertaald.
[betrokkene 1] voert aan, zakelijk weergegeven:
Ik ben gemachtigd. Cliënt komt uit [plaats] en is verkeerd gereisd. Hij staat nu in [plaats] . Hij moet nu nog naar [plaats] reizen. Primair wil ik dat cliënt hier aanwezig is, maar ik weet ook dat de zittingsruimte van het gerechtshof schaars is. Ik verzoek aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting. Wellicht is wachten op de komst van cliënt nu een optie?
De advocaat-generaal reageert, zakelijk weergegeven:
Ik voel wel mee met [betrokkene 1] , maar vorder dat het gerechtshof de behandeling van de zaak nu wél door zal laten gaan, gelet op het belang daarvan voor het slachtoffer dat vandaag aanwezig is ter zitting. Het is de verantwoordelijkheid van de verdachte om op tijd aanwezig te zijn ter terechtzitting.
Daarnaar gevraagd door de voorzitter delen [betrokkene 2] en diens moeder mee dat zij vinden dat de zitting nu doorgang moet vinden. [betrokkene 4] deelt mee hen te steunen in dat standpunt.
Het gerechtshof onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting ten behoeve van beraad over de hierboven weergegeven standpunten in verband met het gedane aanhoudingsverzoek, waarna het onderzoek ter terechtzitting wordt hervat en de voorzitter de beslissing van het gerechtshof meedeelt, zakelijk weergegeven:
Het gerechtshof heeft een belangenafweging gemaakt en acht het belang van de minderjarige [betrokkene 2] en zijn moeder bij het doorgang laten vinden van de behandeling ter terechtzitting zwaarder wegen dan het belang van de verdachte bij aanhouding daarvan. Het verzoek van de raadsvrouw van de verdachte tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting wordt daarom afgewezen. Mogelijk verschijnt de verdachte vandaag alsnog ter terechtzitting, maar we gaan dat nu niet afwachten.”
Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden met een proeftijd van 3 jaren en een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, voor het plegen van ontuchtige handelingen met een twaalfjarige jongen op 16 januari 2022.
Een verzoek tot aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting (hierna: aanhoudingsverzoek) kan op de terechtzitting worden gedaan door de verdachte of door zijn raadsman die daartoe door de verdachte op grond van artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is gemachtigd. Ook de raadsman die niet is gemachtigd tot het voeren van de verdediging van de verdachte die op de terechtzitting niet is verschenen, kan daar een aanhoudingsverzoek doen voor zover dat verzoek wordt gedaan met het oog op het effectueren van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of om de in artikel 279 lid 1 Sv bedoelde machtiging alsnog te verkrijgen. Op grond van artikel 329 en 330 Sv wordt beslist op het verzoek nadat het openbaar ministerie daarover is gehoord. De verdachte of zijn raadsman moet concreet de omstandigheid aanvoeren die aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag ligt.Als zo’n omstandigheid niet wordt aangevoerd, mag de rechter het verzoek om die reden afwijzen. In de regel mag van de verdachte of zijn raadsman worden gevergd dat hij (alsnog) de gegevens verstrekt die de rechter met het oog op de te nemen beslissing noodzakelijk acht. Als de rechter de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet zonder meer aannemelijk acht, kan hij gevolgen verbinden aan de omstandigheid dat het verzoek onvoldoende met bewijsstukken is onderbouwd en/of niet (voldoende) aan de door hem gevraagde aanvulling is voldaan. Voor het oordeel dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is, volstaat echter niet steeds de vaststelling dat die omstandigheid onvoldoende is onderbouwd. Het is immers mede afhankelijk van de aard van de aangevoerde reden - in het bijzonder of het gaat om een omstandigheid die zich onverwacht aandient, bijvoorbeeld in verband met ziekte van de verdachte - of, voordat wordt beslist op het verzoek, gelegenheid moet worden geboden het verzoek nader toe te lichten en/of op een later moment (alsnog) bewijsstukken over te leggen. De rechter kan echter het bieden van die gelegenheid en het nemen van een beslissing over de aannemelijkheid van de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, achterwege laten op grond van zijn oordeel dat wat is aangevoerd - als dat juist zou zijn - in de hierna weer te geven belangenafweging niet tot toewijzing van het verzoek leidt. Nadat in voorkomende gevallen gelegenheid is geboden voor een nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek al - dat wil zeggen: zonder tot die belangenafweging over te gaan - afwijzen op de grond dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is. Als zich niet het geval voordoet dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is geoordeeld, moet de rechter een afweging maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in artikel 6 lid 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde aanwezigheidsrecht - waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid op de terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen - en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van deze afweging, waarbij de aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegde omstandigheden moeten worden betrokken, moet de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk geven in de motivering van zijn beslissing. (Vgl. in iets andere bewoordingen HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1737).
De raadsvrouw van de verdachte heeft aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegd dat de verdachte op weg naar de terechtzitting verkeerd is gereisd, waardoor hij in [plaats] staat en nog naar [plaats] moet reizen. Daarbij heeft de raadsvrouw als mogelijkheid genoemd dat de komst van de verdachte zou worden afgewacht, waarbij de raadsvrouw te kennen gaf dat zij wist dat de zittingsruimte van het gerechtshof schaars is. Het hof heeft het aanhoudingsverzoek afgewezen op de grond dat het belang van het minderjarige slachtoffer en zijn moeder bij het doorgang laten vinden van de behandeling van de terechtzitting in hoger beroep zwaarder weegt dan het belang van de verdachte bij aanhouding daarvan.
Het hof heeft de door de raadsvrouw aangevoerde omstandigheid kennelijk aannemelijk gevonden. Het hof heeft de afwijzing gegrond op een belangenafweging, waarin het hof het belang van het minderjarige slachtoffer en zijn moeder bij het doorgang laten vinden van de behandeling van de terechtzitting in hoger beroep en het belang van de verdachte bij aanhouding daarvan heeft betrokken en waarbij het hof heeft geoordeeld dat het eerstgenoemde belang in dit geval zwaarder weegt. Uit deze motivering van het hof blijkt niet dat het hof onder ogen heeft gezien of het zittingsrooster van het hof een schorsing van het onderzoek tot een later tijdstip op de dag mogelijk maakte (vgl. HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:65), terwijl het hof bij de onder 2.4.1 genoemde belangenafweging ook andere factoren die (mede) relevant zijn in verband met het belang van de verdachte om zijn aanwezigheidsrecht te kunnen uitoefenen – zoals het procesverloop en het gewicht van de zaak – niet kenbaar in de afweging heeft betrokken. Het hof heeft daarom de afwijzing van het aanhoudingsverzoek ontoereikend gemotiveerd.
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 november 2026.