HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/04239 H
Datum 10 februari 2026
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 15 mei 2023, nummer 03-059382-23, ingediend door J. Vermaat, advocaat in Rotterdam,
namens
[aanvrager],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003,
hierna: de aanvrager.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De politierechter in de rechtbank Limburg heeft de aanvrager veroordeeld voor overtreding van artikel 5a Wegenverkeerswet 1994 tot een gevangenisstraf van vier weken en een ontzegging van de rijbevoegdheid van zes maanden.
2. De aanvraag tot herziening
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). In de aanvraag wordt aangevoerd dat sprake is van een persoonsverwisseling.
3. De conclusie van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot gegrondverklaring van de herzieningsaanvraag en tot verwijzing van de zaak naar een gerechtshof dat daarvan nog geen kennis heeft genomen, opdat de zaak zal worden behandeld en afgedaan op de wijze als is voorzien in artikel 472 lid 2 Sv.
4. Beoordeling van de aanvraag
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, volgens artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv alleen dienen een met stukken onderbouwd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat, als dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
Op de door de advocaat-generaal in zijn conclusie vermelde gronden moet worden aangenomen dat sprake is geweest van een persoonsverwisseling.
Dat levert het ernstige vermoeden op dat de politierechter, als deze hiermee bekend zou zijn geweest, de aanvrager van het hem tenlastegelegde zou hebben vrijgesproken. Er is dus sprake van een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv, zodat de aanvraag gegrond is. Gelet op de bij de aanvraag gevoegde bijlagen en in het licht van de (eveneens bij die aanvraag gevoegde) brief van het openbaar ministerie waarin is toegelicht dat en waarom sprake is geweest van een foutieve koppeling door de politie van de aanvrager aan het strafdossier, is er na verwijzing geen ander oordeel mogelijk dan dat het vonnis van de politierechter van 15 mei 2023 zal worden vernietigd en de aanvrager alsnog van het hem tenlastegelegde zal worden vrijgesproken. De Hoge Raad zal daarom zelf de aanvrager vrijspreken van het hem tenlastegelegde.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart de aanvraag tot herziening gegrond;
- vernietigt de uitspraak waarvan herziening is gevraagd;
- spreekt de aanvrager vrij van het hem tenlastegelegde.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2026.