HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/00334 B
Datum 10 maart 2026
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 30 mei 2024, nummer RK 23/028299, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klaagster],
gevestigd in [plaats] (België),
hierna: de klaagster.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze hebben de advocaten G.J.M.E. de Bont, C.J.M. Perraud en M. Prins bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beschikking en tot terugwijzing naar de rechtbank Oost-Brabant, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
De raadslieden De Bont en Prins hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat de rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift een onjuiste maatstaf heeft toegepast.
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de beschikking die de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 25/00328 B, ECLI:NL:HR:2026:337.
3. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het tweede tot en met het zesde cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Oost-Brabant, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2026.