HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/03291
Datum 10 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 18 augustus 2023, nummer 20-002801-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat B.J.P. van Gils bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, teneinde op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingesteld.
De stukken houden in dat de verdachte op 8 januari 2021 door de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, bij verstek is veroordeeld, de mededeling van dat vonnis op 19 augustus 2022 aan de verdachte in persoon is uitgereikt en namens de verdachte hoger beroep is ingesteld op 8 december 2022.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in:
“De voorzitter stelt allereerst de ontvankelijkheid van het door de verdachte ingestelde hoger beroep aan de orde.
De raadsman deelt mede:
Er heeft zich een probleem voorgedaan bij het gerechtsgebouw te Tilburg . Aangezien het gerechtsgebouw in verband met corona was gesloten, heeft mijn cliënt de brief in de postbus gedaan. Hij is er toen vanuit gegaan dat hij tijdig heeft laten weten hoger beroep te willen instellen. Op 19 augustus 2022 heeft een inspecteur van de politie de mededeling van de uitspraak met parketnummer 96-238491-19 aan mijn cliënt uitgereikt. Deze brief is mijn cliënt helaas kwijtgeraakt. Op 6 december 2022 is hij naar mij toegekomen, waarna ik op 8 december 2022 namens mijn cliënt hoger beroep heb ingesteld. Hij was niet bij de zitting in eerste aanleg aanwezig en had eerder niet het geld om een advocaat te kunnen betalen. Mijn cliënt was in de veronderstelling dat het allemaal wel goed zou komen. Later kwam hij er pas achter dat er iets verkeerd was gegaan. Ik vraag u de termijn verschoonbaar te achten.
De verdachte verklaart:
Ik ben niet goed met papieren, ik kan dat allemaal niet bijhouden. Ik ben alleenstaand dus ik heb geen vrouw of kinderen die mij hierbij kunnen helpen.
De voorzitter deelt mede:
Uit de akte van uitreiking blijkt dat op 19 augustus 2022 de mededeling van de uitspraak in de zaak met parketnummer 96-238491-19 aan u in persoon is uitgereikt. Ik zie dat u al eerder met justitie in aanraking bent gekomen. U kunt Nederlands lezen, maar u vindt de taal nog wel moeilijk, begrijp ik.
De raadsman deelt mede:
Mijn cliënt heeft aannemelijk gemaakt dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij tijdig appel zou hebben ingesteld.”
Het hof heeft het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en daartoe overwogen:
“Bij vonnis van de politierechter van 8 januari 2021 is de verdachte veroordeeld ter zake van het tenlastegelegde. De mededeling van deze einduitspraak is op 19 augustus 2022 aan de verdachte in persoon uitgereikt. De verdachte kon volgens de wet gedurende veertien dagen tegen dat vonnis van de politierechter hoger beroep instellen. Hij heeft echter hoger beroep ingesteld op 8 december 2022. Verdachte voert aan dat hij niet goed is met papieren. Dit is echter geen omstandigheid die de termijnoverschrijding verschoonbaar maakt. Nu het hoger beroep eerst na het verstrijken van die termijn is ingesteld, namelijk op 8 december 2022, en niet is gebleken dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, dient de verdachte niet-ontvankelijk te worden verklaard in het hoger beroep.”
Nadat de voorzitter van het hof op de terechtzitting in hoger beroep de ontvankelijkheid van het door de verdachte ingestelde hoger beroep aan de orde heeft gesteld, heeft de raadsman opgemerkt dat zich een probleem heeft voorgedaan bij het gerechtsgebouw in Tilburg en dat de verdachte de brief in de bus heeft gedaan en ervan uitging dat hij zo tijdig heeft laten weten hoger beroep te willen instellen.
Het oordeel van het hof dat het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, is niet toereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat het hof bij het oordeel over de tijdigheid van het instellen van het hoger beroep de onder 2.3.1 genoemde opmerking niet kenbaar in zijn overwegingen heeft betrokken, waardoor het hof de mogelijkheid heeft opengelaten dat de verdachte tijdig hoger beroep heeft ingesteld.
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2026.