HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/02800
Datum 13 maart 2026
BESCHIKKING
op een vordering tot cassatie in het belang der wet, ingesteld door de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden en gericht tegen de beschikking in de zaken HV 200.143.472/01 en HV 200.143.963/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 8 mei 2014.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar
a. de beschikking in de zaak C/01/13/376 F van de rechtbank Oost-Brabant van 13 december 2013;
b. de beschikking in de zaak C/01/260045 / FT-RK 13-363 van de rechtbank Oost-Brabant van 31 januari 2014;
c. de beschikking in de zaken HV 200.143.472/01 en HV 200.143.963/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 8 mei 2014.
Tegen de beschikking van het gerechtshof heeft de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad beroep in cassatie ingesteld in het belang der wet.
De vordering van de Procureur-Generaal strekt ertoe dat de Hoge Raad de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 8 mei 2014 in het belang der wet zal vernietigen, met bepaling dat de vernietiging geen nadeel toebrengt aan de door partijen verkregen rechten.
2. Uitgangspunten
In deze procedure tot cassatie in het belang der wet is de vraag aan de orde of de rechter die een gefailleerde op de voet van art. 87 lid 1 Fw in verzekerde bewaring laat stellen (hierna: inbewaringstelling), daarbij contactbeperkingen aan de gefailleerde kan opleggen.
In deze zaak heeft de rechtbank, op verzoek van de curatoren van de gefailleerde, bepaald dat de gefailleerde tijdens de inbewaringstelling alleen contact mag hebben met zijn advocaten, curatoren en de rechter-commissaris.
Het hof heeft, voor zover van belang, de beschikking van de rechtbank vernietigd voor zover daarin is bepaald dat de gefailleerde tijdens de inbewaringstelling alleen contact mag hebben met zijn advocaten, curatoren en de rechter-commissaris. Daartoe heeft het hof overwogen:
“3.21. Voor iedere inbreuk op het recht van persoonlijke vrijheid is op grond van artikel 5 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens een wettelijke basis vereist. Noch de Faillissementswet, noch enige andere wettelijke bepaling verleent de rechter de bevoegdheid om naast de beperkingen die reeds gelden voor een in bewaring gestelde gefailleerde in het huis van bewaring en eventuele door de directeur van de inrichting op grond van de Penitentiaire beginselenwet op te leggen aanvullende beperkingen, een (extra) contactbeperking op te leggen. Het hof zal daarom de beschikking van de rechtbank van 31 januari 2014 ook vernietigen voor zover daarbij is bepaald dat [de gefailleerde] tijdens de inbewaringstelling alleen contact mag hebben met zijn advocaten, curatoren en de rechter-commissaris.”
Tegen de beschikking van het hof is geen gewoon rechtsmiddel ingesteld.
3. Beoordeling van het middel
Het middel klaagt dat het hof in rov. 3.21 ten onrechte heeft geoordeeld dat noch de Faillissementswet, noch enige andere wettelijke bepaling, de rechter de bevoegdheid verleent om de gefailleerde die in verzekerde bewaring is gesteld, beperkingen op te leggen in contacten met andere personen. Dit oordeel is volgens het middel onjuist omdat de bevoegdheid tot het opleggen van contactbeperkingen inherent is aan de bevoegdheid van art. 87 lid 1 Fw om de gefailleerde in verzekerde bewaring te stellen, in het geval dat het doel waarvoor die bewaring plaatsvindt in de gegeven omstandigheden meebrengt dat die beperkingen noodzakelijk zijn.
Uitgangspunt is dat het opleggen van contactbeperkingen aan een gefailleerde die in verzekerde bewaring is gesteld (bijvoorbeeld in die zin dat de gefailleerde uitsluitend contact mag hebben met zijn advocaat, de curator en de rechter-commissaris), een ingrijpende maatregel is, die een inmenging vormt in het privéleven, familie- en gezinsleven en de correspondentie van de gefailleerde, als bedoeld in art. 8 EVRM. Een dergelijke inmenging moet op grond van art. 8 lid 2 EVRM bij wet zijn voorzien, op een wijze die voor de betrokkene voldoende kenbaar en in haar toepassing voorzienbaar is.
Art. 87 lid 1 Fw bepaalt, voor zover hier van belang, dat de rechtbank bij het vonnis van faillietverklaring of te allen tijde daarna, kan bevelen dat de gefailleerde wegens het niet nakomen van verplichtingen die de wet hem in verband met zijn faillissement oplegt, dan wel wegens gegronde vrees voor het niet nakomen van zodanige verplichtingen, in verzekerde bewaring wordt gesteld. Noch art. 87 lid 1 Fw, noch enige andere wettelijke bepaling voorziet uitdrukkelijk in de mogelijkheid om bij een op de voet van art. 87 lid 1 Fw bevolen inbewaringstelling contactbeperkingen aan de gefailleerde op te leggen, zoals de beperking dat de gefailleerde uitsluitend contact mag hebben met zijn advocaat, de curator en de rechter-commissaris.
Uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 87 lid 1 Fw (zie de vordering tot cassatie in het belang der wet, onder 3.1-3.3) blijkt evenmin dat de wetgever heeft beoogd dat bij een inbewaringstelling op de voet van deze bepaling aan de gefailleerde contactbeperkingen kunnen worden opgelegd. Dat blijkt ook niet uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet versterking positie curator, waarbij onder meer (in de art. 105 en 105a Fw) de inlichtingenplicht en de medewerkingsplicht van de gefailleerde zijn uitgebreid. In de memorie van toelichting bij deze wet is opgemerkt dat de curator nakoming van de uitgebreide inlichtingen- en medewerkingsplicht van de gefailleerde onder meer kan afdwingen door middel van een vordering tot inbewaringstelling van de gefailleerde op de voet van art. 87 lid 1 Fw, maar er zijn geen aanwijzingen dat de wetgever is uitgegaan van de mogelijkheid om daarbij ook contactbeperkingen aan de gefailleerde op te leggen.
Uit hetgeen hiervoor in 3.3-3.4 is overwogen volgt dat noch art. 87 lid 1 Fw, noch enige andere wettelijke bepaling een grondslag biedt voor het opleggen van contactbeperkingen aan een gefailleerde die op de voet van deze bepaling in verzekerde bewaring is gesteld. Een zodanige inmenging in het privéleven, familie- en gezinsleven en de correspondentie van de gefailleerde is dus niet bij wet voorzien, als bedoeld in art. 8 lid 2 EVRM (zie hiervoor in 3.2). Dat het opleggen van contactbeperkingen onder omstandigheden dienstbaar zal kunnen zijn aan het bereiken van het doel van de inbewaringstelling – nakoming door de gefailleerde van de verplichtingen die de wet hem in verband met zijn faillissement oplegt – leidt niet tot een ander oordeel. Het middel faalt.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, S.J. Schaafsma, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 13 maart 2026.