HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04841
Datum 17 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 december 2023, nummer 20-001456-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van het opgelegde beroepsverbod en tot bepaling van die duur op negen jaren, wat betreft de aangehaalde toepasselijke wettelijke voorschriften en tot vermelding van artikel 28 Sr en artikel 31 Sr als wettelijke voorschriften waarop de strafoplegging mede berust, en wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase en tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) het onder 6 bewezenverklaarde.
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.
3. Beoordeling van het derde cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over de duur van de aan de verdachte opgelegde ontzetting van het recht op uitoefening van het beroep van beroepsmatige dienstverlening in het vreemdelingenrechtelijke domein.
Het hof heeft de verdachte voor, kort gezegd, mensensmokkel van vluchtelingen door in de uitoefening van een beroep hen behulpzaam te zijn bij hun illegale verblijf in Nederland, veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren en een ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van beroepsmatige dienstverlening in het vreemdelingenrechtelijke domein voor de duur van tien jaren.
Artikel 31 lid 1, aanhef en onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht houdt in dat bij veroordeling tot een tijdelijke gevangenisstraf de duur van de ontzetting van een recht de duur van de hoofdstraf ten minste twee en ten hoogste vijf jaren te boven gaat. De door het hof bepaalde duur van de ontzetting van het recht een bepaald beroep uit te oefenen is met dit voorschrift in strijd. Het cassatiemiddel klaagt daarover terecht. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen door de duur van de opgelegde ontzetting te verminderen.
4. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vier jaren.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en de duur van de ontzetting van het recht op uitoefening van het beroep van beroepsmatige dienstverlening in het vreemdelingenrechtelijke domein;
- vermindert de opgelegde gevangenisstraf in die zin dat deze drie jaren en tien maanden beloopt;
- vermindert de duur van de ontzetting van het recht op uitoefening van het beroep van beroepsmatige dienstverlening in het vreemdelingenrechtelijke domein in die zin dat deze acht jaren en tien maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2026.