HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/00797
Datum 17 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 februari 2024, nummer 21-001684-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat Th.J. Kelder bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel keert zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van het door de verdachte ingestelde hoger beroep. Het voert daartoe aan dat het hof ten onrechte niet in een door de verdachte verzonden e-mail een grief als bedoeld in artikel 410 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) heeft gelezen.
De verdachte is door de kantonrechter voor – kort gezegd – onverzekerd rijden bij verstek veroordeeld tot een geldboete van € 700, subsidiair 14 dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen van vier maanden. De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Het hof heeft het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en heeft daartoe overwogen:
“Het hof ziet in deze zaak aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte geen bezwaren heeft opgegeven tegen het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 27 maart 2023, dat is gewezen in de zaak met parketnummer 96-126377-22, en het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van de zaak noodzakelijk maken. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep.”
Bij de stukken bevindt zich een e-mail van de verdachte, die is gehecht aan de ‘Akte instellen hoger beroep’ en die op 4 april 2023 is ingekomen bij de griffie van de rechtbank Midden-Nederland. Deze e-mail houdt in:
“Onderwerp: 96-126377-22
Mijn naam is [verdachte] en doormiddel van deze email zal ik hoger beroep wilel aanvragen in de zaak mwt het bovengenoemde parketnummer.
Helaas kon ik niet bij deze rechtzaak aanwezig zijn en heb ik ool niet tijdig kunnen afzeggen.
Ik zal de zaak nummer nogmaals vermelden 96-126377-22.”
De volgende bepalingen zijn van belang:
- artikel 410 lid 1 Sv:
“1. De officier van justitie dient binnen veertien dagen na het instellen van hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, in op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen. De verdachte kan aldaar binnen veertien dagen na de instelling van het hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, indienen. (...)”
- artikel 416 lid 1 en 2 Sv:
"1. (...) Na de voordracht van de advocaat-generaal wordt de verdachte die hoger beroep heeft ingesteld, in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven.
2. Indien de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft, kan het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard.”
Op grond van artikel 410 lid 1 Sv moet een appelschriftuur de grieven tegen het vonnis in eerste aanleg bevatten. Ook een volmacht tot het instellen van het hoger beroep kan dergelijke grieven bevatten. Onder ‘grieven’ kunnen zowel bezwaren direct gericht tegen het oordeel van de rechter in eerste aanleg als andersoortige gronden voor het instellen van het beroep vallen. Dit geldt ook voor de in artikel 416 leden 1 en 2 Sv genoemde mondelinge ‘bezwaren tegen het vonnis’. Aan de formulering van de grieven – die ook door de verdachte zelf kunnen worden ingediend – worden geen hoge eisen gesteld. Wel moeten de opgegeven grieven of mondelinge bezwaren voldoende duidelijk maken wat de inzet van het hoger beroep is. (Vgl. HR 2 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1213.)
Het hof heeft toepassing gegeven aan artikel 416 lid 2 Sv. Het hof heeft in dat verband kennelijk geoordeeld dat de e-mail waarmee de verdachte aan de griffie van de rechtbank volmacht heeft verleend tot het instellen van hoger beroep, met de daarin opgenomen zin “Helaas kon ik niet bij deze rechtzaak aanwezig zijn en heb ik ool niet tijdig kunnen afzeggen”, niet kan worden opgevat als grief als bedoeld in artikel 410 Sv. Dat oordeel geeft, gelet op wat hiervoor onder 2.4 is overwogen, blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de bestreden uitspraak;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2026.