HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04894 P
Datum 17 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 14 december 2023, nummer 22-002130-19, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben de advocaten J.C. Reisinger en M.N. Greeven bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Den Haag, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat de schatting van het wederrechtelijk voordeel dat door middel van of uit de baten van het in de strafzaak bewezenverklaarde gewoontewitwassen is verkregen, ontoereikend is gemotiveerd.
Het hof heeft het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 613.260,92 en heeft daartoe overwogen:
“Procesgang
Bij arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van dit gerechtshof van 14 december 2023 is de betrokkene, voor zover hier van belang, ter zake van het in zijn strafzaak onder 1 bewezenverklaarde, gekwalificeerd als:
gewoontewitwassen,
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden met aftrek van voorarrest.
(...)
Grondslag voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Het hof stelt vast dat het in de strafzaak bewezenverklaarde feit is begaan in de periode van 1 oktober 2016 tot en met 29 november 2017. Dit feit betreft een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Gelet op het dossier is het naar het oordeel van het hof aannemelijk geworden dat het feit waarvoor de betrokkene in de strafzaak is veroordeeld of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat hij wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Immers volgt uit het dossier dat de betrokkene de beschikking heeft gehad over bitcoins die in totaal een waarde vertegenwoordigen die niet kan worden verklaard door het van hem vastgestelde legale inkomen en bezit.
Het hof zal op grond van artikel 36e, derde lid, Sr de verplichting opleggen tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Het hof leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden af.
In november 2017 is informatie ontvangen van [A] waaruit blijkt dat de betrokkene daar een account had. Verder blijkt uit de informatie van [A] dat door de betrokkene verschillende transacties zijn uitgevoerd via zijn account. In totaal zijn er 625,3 bitcoins gestort op het account van de betrokkene bij [A] . Deze bitcoins zijn op verschillende wijzen omgezet in chartaal geld:
- In de maand oktober 2017 is een totaalbedrag van € 5.412,00 overgeschreven naar een tweetal bankrekeningen. Deze bankrekeningen staan op naam van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] .
- In de maanden oktober 2016 tot en met september 2017 zijn er 193,1 bitcoins, met een tegenwaarde van € 199.326,85, overgeboekt naar bitcoinadressen die behoren bij [B] . De kaart met [nummer 1] is met deze bitcoins geladen.
- In de maanden november en december 2016 zijn in totaal 107,47 bitcoins met een tegenwaarde van € 76.165,00 naar een onbekend bitcoinadres verstuurd.
- Aan het [A] account van de betrokkene zijn twee Visa prepaid debetkaarten gekoppeld, te weten de prepaid USD kaart met [nummer 2] en de prepaid EUR kaart met [nummer 3] . Beide kaarten zijn geladen doordat de bitcoins zijn omgezet in euro's en dollars. Op de kaart met [nummer 2] hebben in de maanden maart tot en met juni 2017 stortingen plaatsgevonden tot een totaal geldbedrag van $ 20.695,45 (omgerekend in Euro op basis van de slotkoers op de dag van de respectieve transacties: € 19.012,30). Op de kaart met [nummer 3] hebben in de maanden oktober 2016 tot en met november 2017 stortingen plaatsgevonden tot een totaal geldbedrag van € 313.344.
In totaal vertegenwoordigen de omgezette bitcoins derhalve een geldwaarde van € 5.412,00 + € 199.326,85 + € 76.165,00 + € 313.344,77 + € 19.012,30 = € 613.260,92.
Er is onderzoek gedaan naar het inkomen, de bezittingen en de eenmanszaak van de betrokkene. Daaruit blijkt het volgende. De laatst bekende loongegevens van de betrokkene dateren uit 2011. De betrokkene ontving toen een UWV-uitkering van € 3.802. Vanaf 2012 zijn er geen loongegevens of andere legale inkomsten bekend van de betrokkene. Verder had de betrokkene in de jaren 2014 en 2015 een bankrekening. Het saldo op die rekening bedroeg in beide jaren € 0,-. Sinds 2015 zijn er geen bankrekeningen meer bekend van de betrokkene in Nederland. Van de betrokkene zijn evenmin andere bezittingen bekend. Weliswaar heeft de betrokkene blijkens informatie van de Kamer van Koophandel vanaf 1 april 2000 een eenmanszaak gehad die zich zou bezighouden met de verkoop van auto's, maar de KvK-inschrijving van die eenmanszaak is op 10 januari 2011 ambtshalve doorgehaald wegens opheffing van de onderneming.
Voorts heeft de betrokkene naar het oordeel van het hof geen afdoende verklaring gegeven over de legale herkomst van de bitcoins.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de wederrechtelijke opbrengst € 613.260,92 bedraagt. Op basis van het dossier is het hof van oordeel dat er geen sprake is van kosten die in mindering moeten worden gebracht op deze wederrechtelijke opbrengst. Derhalve stelt het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 613.260,92.
Het hof zal tevens de betrokkene de verplichting opleggen het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat aan de Staat te betalen.”
In de strafzaak die met deze ontnemingsprocedure samenhangt, is bewezenverklaard dat de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – gewoontewitwassen en Opiumwetdelicten, meermalen gepleegd.
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 oktober 2023 heeft de raadsman van de betrokkene daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt in:
“Juist bij bitcoins geldt: het digitale spoor is gewoon te herleiden – dat is hét ‘USP’ van de bitcoin/ (betere) ‘cryptocoins’: de blockchain – en dus raakt de overweging dat cliënt geen inzicht heeft gegeven in de niet-criminele herkomst van de bitcoins die hij van [betrokkene 3] heeft gekocht en die uit het FIOD-dossier, althans in de link tussen die twee, kant noch wal.
(...)
We kennen immers de borgstellingsverklaring en de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] en [getuige 3] en – inmiddels – ook [getuige 4] bij de [C] . Cliënt kocht in 2012 voor 12.000 euro zo’n 2.000 bitcoins (zie voor de exacte getallen de borgstelling). Niet gesteld (in het veroordelend vonnis), noch gebleken (in het procesdossier) is dat cliënt die uitgave, in 2012, niet heeft kunnen doen. Integendeel, we kennen inmiddels zijn (financiële) positie in 2012 als autohandelaar (waar hij later weer mee begonnen is, al dan niet succesvol) en die uitgave kon hij toen, in 2012, doen en vervolgens van de vruchten daaruit (al dan niet contant en al dan niet via een bevriende derde) genieten. [getuige 2] verklaarde bij de FIOD al dat hij daar vanuit ging.
(...)
Het is pas nu, anno 2023, dat we – (bijna) als feit van algemene bekendheid – de onvoorstelbare, exponentiële waardevermeerdering kennen die de bitcoin vanaf 2012 tot aan het FIOD-onderzoek, eind 2017, heeft doorgemaakt en dat heeft betekenis voor de vraag: kan de verklaring van cliënt worden weerlegd? Of kan die simpelweg kloppen?
(...)
Ook wat betreft de vele, kleine (deel)transacties geeft cliënt een verklaring: dat doet ‘de bitcoin’ zelf, automatisch. Of dat juist is, kan onderzocht worden, maar dat is niet gebeurd, terwijl het overigens ook niet redengevend is voor de criminele verkrijging/ dat het ‘niet anders kan’ dan dat de herkomst van de bitcoin illegaal is.
(...)
Ontneming: volgt de strafzaak (en dus ook de verweren, zoals in elk geval: de legale herkomst bitcoin, althans niet gebleken illegale herkomst – deze verweren gelden hier mutatis mutandis).”
Artikel 36e lid 1 tot en met 3 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt:
“1. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
2. De verplichting kan worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde feit of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.
3. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. In dat geval kan ook worden vermoed dat:
a. uitgaven die de veroordeelde heeft gedaan in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van dat misdrijf, wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen, tenzij aannemelijk is dat deze uitgaven zijn gedaan uit een legale bron van inkomsten, of;
b. voorwerpen die in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van dat misdrijf aan de veroordeelde zijn gaan toebehoren voordeel belichamen als bedoeld in het eerste lid, tenzij aannemelijk is dat aan de verkrijging van die voorwerpen een legale bron van herkomst ten grondslag ligt.”
Het hof heeft blijkens zijn overwegingen de ontnemingsmaatregel opgelegd op grond van artikel 36e lid 3 Sr, waarbij het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft geschat aan de hand van een kasopstelling. Het oordeel dat aannemelijk is dat het misdrijf waarvoor de betrokkene is veroordeeld – waaronder gewoontewitwassen – of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, heeft het hof hierop gebaseerd dat de betrokkene in de periode van oktober 2016 tot en met november 2017 de beschikking heeft gehad over omgezette bitcoins met een geldwaarde van in totaal € 613.260,92, dat er van de betrokkene – met uitzondering van een UWV-uitkering van € 3.802 in 2011 – geen legale inkomsten en ook geen bezittingen zijn gebleken, dat de KvK-inschrijving van de eenmanszaak van de betrokkene in 2011 is doorgehaald en dat de betrokkene geen afdoende verklaring heeft gegeven voor de herkomst van de bitcoins.
De verdediging heeft aangevoerd dat de betrokkene, rond 2012, 1.982 bitcoins van [betrokkene 3] heeft verkregen tegen betaling van € 12.000, en dat hij die uitgave kon doen uit geld dat hij had verdiend uit de handel in auto’s. Ook heeft de verdediging gesteld dat de bitcoins in de periode van 2012 tot eind 2017 een “exponentiële waardevermeerdering” hebben doorgemaakt en dat daaruit kan worden verklaard dat de betrokkene in 2017 voor € 613.260,92 aan bitcoins bezat. Ter ondersteuning van deze stellingen heeft de verdediging onder meer gewezen op een borgstellingsverklaring en getuigenverklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] .
De verwerping van dit verweer door het hof op de onder 2.4.1 weergegeven gronden, is niet zonder meer begrijpelijk. Weliswaar heeft het hof, wat betreft de autohandel door de betrokkene, verwezen naar de doorhaling van de KvK-inschrijving van de eenmanszaak van de betrokkene, maar het hof heeft daarbuiten niet kenbaar aandacht besteed aan wat de verdediging heeft aangevoerd.
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het tweede, het derde, het vierde en het vijfde cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2026.