HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04185
Datum 17 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 oktober 2023, nummer 21-003165-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat L.E.G. van der Hut bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad zal verstaan dat de door het hof vastgestelde proeftijd twee jaren beloopt en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat de strafmotivering en het dictum innerlijk tegenstrijdig zijn.
Om de redenen die staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2, is het cassatiemiddel terecht voorgesteld maar bestaat geen grond voor cassatie. De Hoge Raad zal de door het hof opgelegde ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen verstaan zoals onder 4 is weergegeven.
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van veertig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verstaat dat het hof aan de verdachte de bevoegdheid heeft ontzegd tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van acht maanden, waarvan zeven maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;
- verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2026.