HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/04701
Datum 14 april 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 19 december 2024, nummer 20-000882-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat H.C. Ingelse bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het derde cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de strafoplegging, in het bijzonder over de oplegging van een gevangenisstraf. Het voert daartoe onder meer aan dat het hof heeft nagelaten te motiveren hoe de omstandigheid dat de bewezenverklaarde doodslag in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend, is betrokken bij de strafmaat.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:
“feit 1:
op 26 september 2021 te [plaats] , gemeente [plaats] , [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met kracht de hals van die [slachtoffer] (met een stuk stof of sjaal) dicht te knijpen en enige tijd dichtgeknepen te houden, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;
feit 2:
op 26 september 2021 te [plaats] , gemeente [plaats] , opzettelijk een dier (zijnde een hond) behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen diersoorten of diercategorieën (zoals genoemd in artikel 1.9 Besluit houders van dieren) heeft gedood, immers heeft hij, verdachte, met opzet een hond aan diens halsband met hondenriem opgehangen, ten gevolge waarvan de hond is komen te overlijden.”
Het hof heeft de verdachte voor deze feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf van veertien jaren en zes maanden, en tot een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking. Het arrest van het hof houdt onder meer in:
“Strafbaarheid van de verdachte
De verdediging heeft bepleit dat het hof de verdachte zal ontslaan van alle rechtsvervolging wegens de volledige ontoerekeningsvatbaarheid van de verdachte.
Het hof overweegt als volgt.
Ter terechtzitting van dit hof op 26 oktober 2023 heeft het hof het verzoek van de verdediging om de NIFP-deskundigen [deskundige 1] en [deskundige 2] te laten benoemen teneinde hen vragen te laten beantwoorden in het licht van de eerder in deze zaak opgemaakte deskundigenrapporten en hetgeen die dag door de deskundigen [deskundige 3] (psycholoog) en [deskundige 4] (psychiater) ter terechtzitting was verklaard, toegewezen. Dit heeft geresulteerd in het pro justitia rapport psychiatrisch onderzoek d.d. 18 juni 2024, opgemaakt door prof. dr. mr. [deskundige 1] en het pro justitia rapport psychologisch onderzoek d.d. 24 juni 2024, opgemaakt door drs. [deskundige 2] .
De psychiater [deskundige 1] heeft in zijn rapport het volgende over het geestesvermogen van de verdachte gerelateerd:
“Bij betrokkene is er sprake van narcistische, vermijdende, passief-agressieve, antisociale en mogelijk dwangmatige persoonlijkheidstrekken die pathologisch expressief werden in de aanloop naar en tijdens het tenlastegelegde. Tevens was er op dat moment bij hem sprake van een aanpassingsstoornis met een gemengde stoornis van emoties en gedrag. Tijdens het tenlastegelegde en de aanloop daarnaartoe waren voornoemde persoonlijkheidstrekken pathologisch expressief en speelde ook genoemde aanpassingsstoornis. Voornoemde persoonlijkheidstrekken en aanpassingsstoornis werkten door in de gedragskeuzen en gedragingen van betrokkene in de aanloop naar en tijdens het tenlastegelegde. Uitgaande van een driepuntschaal is het advies om betrokkene ten aanzien van het tenlastegelegde, mits bewezen geacht, verminderd toerekeningsvatbaar te achten, met de nuancering dat indien een vijfpuntschaal gehanteerd zou worden er eerder uitgekomen zou zijn op licht verminderd toerekeningsvatbaar. Er is weliswaar sprake van doorwerking van de psychische stoornis in het delict en daardoor enige belemmering om te komen tot vrije gedragskeuzen, maar deze belemmering was zeker niet volledig. Zoals eerder gesteld heeft ondergetekende geconcludeerd dat er bij betrokkene tijdens het tenlastegelegde geen sprake was van een dissociatieve stoornis die het tenlastegelegde beïnvloedde. Kort en duidelijk: er is geen evidentie voor enige dissociatieve stoornis bij betrokkene tijdens het tenlastegelegde noch eerder in zijn leven. Hij heeft tijdens het tenlastegelegde, mits bewezen geacht, gestoord gedrag vertoond mede ingegeven door tekortschietende copingstijlen (samenhangend met de pathologische expressie van persoonlijkheidstrekken) en toenemende negatieve emoties. Echter genoemd (complex en doelgericht) gedrag kan niet verklaard worden vanuit een dissociatieve stoornis. Betrokkene had een gedragsalternatief. Weliswaar beperkten de doorwerking van de persoonlijkheidstrekken en aanpassingsstoornis zijn gedragskeuzen, maar die waren er wel degelijk. Er was kort voor en/of tijdens het tenlastegelegde bij betrokkene geen sprake van een enige psychotische en/of dissociatieve stoornis.”
De psycholoog [deskundige 2] heeft in zijn rapport het volgende over het geestesvermogen van de verdachte gerelateerd:
“Bij betrokkene was ten tijde van het ten laste gelegde sprake van een aanpassingsstoornis met een gemengde stoornis van emoties en gedrag en narcistische, vermijdende, passief agressieve en antisociale persoonlijkheidstrekken. Bovenstaande pathologische persoonlijkheidskenmerken waren ook aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde.
Daarnaast was er ten tijde van de tenlastegelegde feiten ook sprake van een aanpassingsstoornis met een gemengde stoornis van emoties en gedrag. Hoewel betrokkene op het laatste moment wellicht weinig controle over zijn handelen ervaart, is er van volledige doorwerking van de stoornissen geen sprake. Het feitelijke risico zit immers in de geleidelijke opbouw van spanningen en frustraties en langs die route had betrokkene vele mogelijkheden om andere afslagen te nemen. Op basis van bovenstaande adviseert ondergetekende om betrokkene feit 1 in (licht) verminderde mate toe te rekenen. Een weging ten aanzien van feit 2 is moeilijker te geven. Gezien het meer planmatige handelen bij dit feit ziet ondergetekende echter geen reden om meer doorwerking te veronderstellen dan bij de doding van zijn vrouw. Eerder minder.
Een dissociatieve toestand kan weliswaar getriggerd worden door stress, maar dan dient de stoornis wel aanwezig te zijn. Bij betrokkene is hiervan geen sprake. De stoornis treedt niet spontaan op. Het door betrokkene geclaimde geheugenprobleem zou in theorie kunnen wijzen op het optreden van dissociatieve amnesie in reactie op en niet voorafgaand aan en/of ten tijde van het ten laste gelegde. Ook hiervoor vindt ondergetekende overigens geen aanwijzingen. Overigens is het verschijnsel ‘explosie’ en/of ‘kortsluiting’ in het hoofd niet kenmerkend voor een dissociatief beeld. Hoewel betrokkene op het laatste moment wellicht weinig controle over zijn handelen ervaarde, is er van volledige doorwerking van de stoornissen geen sprake. Er was bij betrokkene kort voor het ten laste gelegde geen sprake van een psychotische en/of dissociatieve stoornis.”
Het hof volgt deze bevindingen en conclusies van de deskundigen, maakt deze tot de zijne en legt deze ten grondslag aan zijn beslissing dat de verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar is te beschouwen ten aanzien van het bewezenverklaarde. Gelet op vorenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte niet in zodanige staat was dat hij in het geheel niet in vrijheid keuzes kon maken en de gevolgen en strafbaarheid van zijn daden in het geheel niet meer kon overzien, zoals dit is gesteld door de raadsman. Dit maakt dat er naar het oordeel van het hof onvoldoende grond aanwezig is om de conclusie te rechtvaardigen dat verdachte geen enkel verwijt in strafrechtelijke zin kan worden gemaakt.
Nu voor het overige geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de verdachte (volledig) uitsluiten, is de verdachte, zij het in verminderde mate, strafbaar voor het bewezenverklaarde.
Op te leggen straf en maatregel
De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren met aftrek van het voorarrest. Tevens heeft de rechtbank de maatregel tot terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met dwangverpleging opgelegd.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte veroordeelt tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof aan de verdachte de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking zal opleggen.
De verdediging heeft het hof verzocht om de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf te matigen.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen sanctie gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast heeft het hof gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Gevangenisstraf
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het op gruwelijke wijze om het leven brengen van zijn echtgenote, [slachtoffer] . De verdachte heeft, toen [slachtoffer] nietsvermoedend in haar eigen woning op de bank televisie zat te kijken, zonder enige voor [slachtoffer] te vermoeden aanleiding, haar van achteren benaderd en vervolgens gewurgd met een lap (quilt)stof. Gelet op de afdrukken aan de achterzijde van de bank heeft de verdachte forse kracht moeten uitoefenen bij het wurgen van zijn echtgenote. De laatste minuten van haar leven heeft [slachtoffer] naar alle waarschijnlijkheid een helse strijd voor haar leven moeten voeren, welke strijd zij uiteindelijk heeft verloren. Dit terwijl [slachtoffer] zich op dat moment bevond op een plek, te weten op de bank in haar eigen woning, waar zij zich het meest veilig mocht wanen. Hetzelfde geldt voor de persoon met wie zij in haar woning was, namelijk haar echtgenoot. De verdachte heeft met zijn handelen [slachtoffer] het meest fundamentele recht dat haar toekwam, namelijk het recht op leven, ontnomen. Bijzonderheid in deze zaak is dat de enkele oorzaak voor het ontnemen van het leven van [slachtoffer] is gelegen in het feit dat de verdachte te kampen had met schulden, die hij overigens zelf had veroorzaakt door op een te grote voet en ver boven zijn stand te leven. Een relatief kleine trigger, te weten het feit dat op de televisie een item was waar het woord deurwaarder viel waarop [slachtoffer] opmerkte dat zij hoopte dat er nooit een deurwaarder bij hen voor de deur zou staan, was voor de verdachte voldoende om [slachtoffer] van het leven te beroven.
Daarnaast heeft de verdachte door zijn daad een onherstelbaar verlies en groot verdriet toegebracht aan de nabestaanden, in het bijzonder aan de broer, schoonzus en nichtje van [slachtoffer] . Dit blijkt onder meer uit de ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen slachtofferverklaring van het nichtje van [slachtoffer] , [betrokkene 1] , waarin zij op indringende wijze het verlies en het verdriet van de familie heeft verwoord.
De verdachte heeft zich bovendien niet tot deze huiveringwekkende daad beperkt. Nadat hij het leven van zijn echtgenote had genomen, heeft hij hun hondje meegenomen naar de berging bij de woning. In de berging heeft hij vervolgens het hondje om het leven gebracht door hem aan zijn riem op te hangen. Zelfs het luide piepen van het hondje heeft er niet voor kunnen zorgen dat de verdachte medelijden kreeg met het dier en heeft er evenmin voor gezorgd dat de verdachte terugkwam op zijn daad. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat deze onbegrijpelijke, ijzingwekkende feiten ieder voorstellingsvermogen te boven gaan. De verdachte noch de deskundigen hebben hiervoor een verklaring kunnen geven.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op het vorenstaande en de ernst van het bewezenverklaarde, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor lange duur met zich brengt.
Bij het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstraf heeft het hof in de eerste plaats acht geslagen op de straffen die doorgaans in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Door dit hof worden in de regel voor een enkelvoudige doodslag gevangenisstraffen opgelegd met een duur van tussen de 8 en 12 jaren. Bij deze straffen is er overigens geen sprake van recidive.
Dit is anders bij de verdachte. Blijkens de voorhanden zijnde stukken heeft de verdachte zich in 1997 schuldig gemaakt aan de moord op zijn eerste echtgenote. Ook toen heeft de verdachte zijn echtgenote om het leven gebracht door verwurging, destijds middels een stropdas. Daarnaast was de oorzaak van zijn handelen dezelfde als in deze zaak, namelijk dat de verdachte kampte met schulden die door zijn eigen toedoen waren veroorzaakt. Dat de verdachte in zijn leven een tweede maal is gekomen tot een levensdelict begaan jegens zijn echtgenote, weegt voor het hof zwaar mee. Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden een gevangenisstraf voor de maximum wettelijke duur in beginsel is aangewezen. Bovendien heeft de verdachte zich naast de doodslag eveneens schuldig gemaakt aan het doden van een ander levend wezen, namelijk hun hond.
In het voordeel van de verdachte heeft het hof tot slot laten meewegen dat in ieder geval de doodslag in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend.
Al het vorenstaande overziend, acht het hof met de advocaat-generaal de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Het hof komt hiermee tot een hogere gevangenisstraf dan is opgelegd door de rechtbank, omdat het hof de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder zij zijn begaan dermate ernstig vindt, dat naar het oordeel van het hof om die reden een hogere gevangenisstraf dan door de rechtbank is opgelegd, passend en geboden is.
Tot slot overweegt het hof nog het volgende.
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
In beginsel heeft als redelijke termijn in hoger beroep te gelden dat het hof binnen 16 maanden na het instellen van appel arrest wijst, nu de verdachte preventief is gehecht. Omdat zijdens de verdachte op 20 april 2022 appel is ingesteld en het hof meer dan 16 maanden later, te weten op 19 december 2024, in deze zaak uitspraak doet, is de redelijke termijn bij de behandeling in hoger beroep geschonden en wel met een periode van circa 16 maanden.
Nu slechts een beperkt deel van de vertraging in hoger beroep te wijten is aan verzoeken zijdens de verdediging, is het hof van oordeel dat bij de strafvervolging van de verdachte de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM, in hoger beroep is geschonden.
Zoals hiervoor overwogen zou zonder schending van de redelijke termijn een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek van voorarrest passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn in hoger beroep is geschonden, zal het hof volstaan met de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren en 6 maanden met aftrek van het voorarrest.
De tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
TBS en/of GVM
Over de persoon van de verdachte zijn er meerdere rapporten uitgebracht. Ook zijn in eerste aanleg en in hoger beroep tijdens de behandeling op de terechtzitting gedragsdeskundigen gehoord.
In het multidisciplinair onderzoek van 15 februari 2022 hebben de gedragsdeskundigen [deskundige 5] (psychiater), [deskundige 6] (GZ-psycholoog) en [deskundige 7] (forensisch milieuonderzoeker) gerapporteerd over de verdachte.
In het rapport wordt geconcludeerd dat een langer durende klinische behandeling, gevolgd door een eveneens langer durend toezicht, noodzakelijk wordt geacht om de hardnekkige persoonlijkheidsproblematiek bij de verdachte te kunnen bewerken. Hierbij wordt door de deskundigen een voorwaardelijk kader, zoals een terbeschikkingstelling met voorwaarden, als voldoende beschermend en haalbaar ingeschat.
Gelet op het bepaalde in artikel 38, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht kan aan een verdachte slechts een tbs met voorwaarden worden opgelegd als de gevangenisstraf die wordt opgelegd niet meer dan vijf jaren bedraagt. Nu het hof hiervoor reeds heeft overwogen dat het een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren en 6 maanden passend en geboden acht, is een veroordeling mede tot de door de voornoemde deskundigen geadviseerde maatregel geen mogelijkheid.
Voorts overweegt het hof dat blijkens de meest recent opgemaakte rapporten, te weten van prof. dr. mr. [deskundige 1] (psychiater) d.d. 18 juni 2024 en drs. [deskundige 2] (klinisch psycholoog) d.d. 24 juni 2024, het recidiverisico als laag wordt ingeschat, mits voorzien wordt in adequaat risicomanagement. Met de deskundigen gaat het hof ervan uit dat het risico dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt laag is en pas onder specifieke omstandigheden met een lange aanloop kan oplopen, voornamelijk in het geval dat de verdachte een nieuwe partnerrelatie aangaat, opnieuw financiële problemen krijgt en daar dan niet adequaat mee omgaat. Dat die specifieke omstandigheden zich in de toekomst zullen voordoen, nadat de verdachte de opgelegde gevangenisstraf heeft uitgezeten, is thans niet voorzienbaar, maar – gelet op zijn leeftijd – is die kans niet uitermate groot. Daarbij relateert [deskundige 1] dat het actuele recidiverisico zeer laag is, nu de verdachte gedetineerd is, hij geen partnerrelatie heeft en zijn schulden worden afgebouwd.
Ook de reclassering schat het recidiverisico in haar advies van 19 juli 2024 als laag in. Zowel laatstgenoemde gedragsdeskundigen als de reclassering adviseren om aan de verdachte de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking op te leggen.
Het hof volgt deze bevindingen en conclusies van de deskundigen [deskundige 1] en [deskundige 2] en de reclassering, en maakt deze tot de zijne.
Het hof ziet zich thans voor de vraag gesteld of de door de rechtbank opgelegde tbs met dwangverpleging ook in hoger beroep moet worden opgelegd door het hof of dat volstaan kan worden met de oplegging van de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking. Volgens de wettekst van artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht kan de rechter de tbs met dwangverpleging bevelen indien de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verpleging eist. Er moet sprake zijn van dusdanig gevaar voor ernstige recidive dat maakt dat dwangverpleging geboden is.
Het hof heeft hiervóór overwogen dat het op grond van de conclusies van de gedragsdeskundigen uitgaat van een laag recidiverisico, dat onder specifieke omstandigheden met een lange aanloop kan oplopen, voornamelijk in het geval van een partnerrelatie en financiële problemen. De concrete situatie rondom de verdachte maakt dat hij niet, in ieder geval niet op korte termijn, een nieuwe partnerrelatie zonder toezicht daarop zal aangaan en in de financiële problemen zal komen. De verdachte wordt immers veroordeeld tot een lange gevangenisstraf en is op het moment dat hij eventueel kan terugkeren in de maatschappij al aanzienlijk op leeftijd, hetgeen risico verlagend is, mede gezien de lange aanloop naar het bewezenverklaarde handelen van de verdachte.
Het hof is van oordeel dat bij dit lage recidiverisico en de omstandigheden zoals die in onderhavige zaak gelden oplegging van tbs met dwangverpleging niet vereist is. Het hof zal daarom niet overgaan tot het opleggen van een tbs met dwangverpleging. Het hof gaat er op basis van de adviezen van de gedragsdeskundigen van uit dat voor het beperken van het recidiverisico kan worden volstaan met het opleggen van een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.
Nu het hof de gevangenisstraf aan de verdachte heeft opgelegd wegens een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, is aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z, eerste lid, Sr voldaan. Met deze maatregel wordt de mogelijkheid gecreëerd om de verdachte na afloop van de gevangenisstraf onder toezicht te stellen teneinde dreigende recidive te kunnen signaleren en daarop te kunnen acteren. De problematiek van de verdachte blijft zeer waarschijnlijk de rest van zijn leven aanwezig, waardoor gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden na de gevangenisstraf passend en geboden zijn. Het hof zal daarom tot de oplegging van de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking overgaan, zodat – indien aangewezen – na afloop van de gevangenisstraf en op vordering van het Openbaar Ministerie door de rechter, na beoordeling van de op dat moment actuele situatie, de tenuitvoerlegging van de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking kan worden bevolen.”
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 december 2024 heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“Verminderd toerekeningvatbaar: straf naar de mate van schuld
38. De rechtbank legde echter een gevangenisstraf van veertien jaar met aansluitend tbs dwang op. Hoe had de rechtbank zich dat voorgesteld: wel behandeling nodig vinden en dan nog daarmee beginnen als [verdachte] 88 jaar oud is (of 86 na vi), als hij dat al haalt, en dan nog behandeling met het oog op een terugkeer in de maatschappij? Het opleggen van een lange gevangenisstraf gevolgd door tbs voorwaarden is nadelig en op deze leeftijd zinloos. Dan heeft verdachte in feite levenslang. Daar waar deskundigen een zieke verdachte zien en behandeling nodig vinden, is niet goed te begrijpen dat er dan eerst nog een lange gevangenisstraf zou moeten worden uitgezeten. De rechtbank had hoogstens een straf naar de mate van schuld kunnen opleggen. Indien het hof zou menen dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was en dus strafbaar is, dan kan het hof dat recht zetten. Het hof kan mee wegen dat er een relatie is tussen stoornis en delict, waarbij concrete schuld van invloed is op de strafmaat.
(...)
42. Bij oplegging van een vrijheidsstraf vraagt de verdediging duidelijk te maken waarom nu nog vrijheidsstraf nodig wordt geacht. Ook vraagt de verdediging dan duidelijk te maken of en, zo ja, in welke mate verminderde toerekeningsvatbaarheid bij het bepalen van de strafmaat in overweging is genomen. Als het hof meent dat vergelding een factor is in het bepalen van de strafmaat dan vraagt de verdediging uit te leggen waarom en in welke mate vergelding de strafmaat beïnvloedt.”
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr):
“1. Bij samenloop van feiten die als op zichzelf staande handelingen moeten worden beschouwd en meer dan één misdrijf opleveren waarop gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, wordt één straf opgelegd.
2. Het maximum van deze straf is het totaal van de hoogste straffen op de feiten gesteld, doch – voor zover het gevangenisstraf of hechtenis betreft – niet meer dan een derde boven het hoogste maximum.”
- Artikel 287 Sr, zoals dat luidde ten tijde van het onder 1 bewezenverklaarde feit:
“Hij die opzettelijk een ander van het leven berooft, wordt, als schuldig aan doodslag, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
- Artikel 2.10 lid 1 van de Wet dieren, zoals dat luidde ten tijde van het onder 2 bewezenverklaarde feit:
“Het is verboden om dieren behorend tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen diersoorten of diercategorieën te doden, behoudens in gevallen waarin een dier wordt gedood voor de bedrijfsmatige productie van dierlijke producten of in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.”
- Artikel 8.11 lid 1 Wet dieren, zoals dat luidde ten tijde van het onder 2 bewezenverklaarde feit:
“Gedragingen in strijd met de voorschriften vastgesteld bij of krachtens de artikelen (...) 2.10, eerste lid (...) zijn misdrijven.”
- Artikel 8.12 lid 1 Wet dieren, zoals dat luidde ten tijde van het onder 2 bewezenverklaarde feit:
“Gedragingen in strijd met de voorschriften vastgesteld bij of krachtens de artikelen (...) 2.10, eerste lid (...) worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie.”
- Artikel 359 lid 2, 5 en 6 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv):
“2. De beslissingen vermeld in de artikelen 349, eerste lid, en 358, tweede en derde lid, zijn met redenen omkleed. Het vonnis geeft, indien de beslissing afwijkt van door de verdachte dan wel door de officier van justitie uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, in het bijzonder de redenen op die daartoe hebben geleid.
5. Het vonnis geeft in het bijzonder de redenen op, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid.
6. Bij de oplegging van een straf of maatregel die vrijheidsbeneming medebrengt, geeft het vonnis in het bijzonder de redenen op die tot de keuze van deze strafsoort, dan wel tot deze soort maatregel hebben geleid. Het vonnis geeft voorts zoveel mogelijk de omstandigheden aan, waarop bij de vaststelling van de duur van de straf is gelet. Het vonnis vermeldt welk gedeelte van een opgelegde vrijheidsstraf, gelet op de mogelijkheid van deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire Beginselenwet of de voorwaardelijke invrijheidstelling, bedoeld in artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht, in ieder geval ten uitvoer wordt gelegd.”
In zijn arrest van 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975 heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:
“3.4 In het Nederlandse strafrecht geldt dat de rechter die de zaak behandelt en op basis daarvan over de feiten oordeelt (hierna: de feitenrechter), beschikt over een ruime straftoemetingsvrijheid. Dat wil zeggen dat de feitenrechter binnen de grenzen die de wet stelt, vrij is in de keuze van de op te leggen straf – waaronder ook is te verstaan de strafsoort – en in de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. De beslissing over de straftoemeting wordt in sterke mate bepaald door de omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte. Mede gelet op de veelheid aan factoren die van belang (kunnen) zijn bij de keuze van de strafsoort en het bepalen van de hoogte van de straf kan de feitenrechter daarbij slechts tot op zekere hoogte inzicht verschaffen in en uitleg geven over de afwegingen die ten grondslag liggen aan zijn straftoemetingsbeslissing.
In artikel 359 leden 5 en 6 Sv zijn enkele motiveringsvoorschriften neergelegd die de rechter ambtshalve bij de oplegging van een straf in acht moet nemen. Het in artikel 359 lid 2 Sv neergelegde motiveringsvoorschrift heeft daarnaast zelfstandige betekenis. Dit voorschrift brengt met zich dat de rechter zijn beslissing over de strafoplegging nader moet motiveren als die beslissing afwijkt van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging of het openbaar ministerie.
De onder 3.4 genoemde straftoemetingsvrijheid stelt de feitenrechter in staat om bij de beslissing over de oplegging van straf zoals bedoeld in artikel 350 Sv, te komen tot een strafoplegging die is afgestemd op de ernst van het bewezenverklaarde feit, de persoon van de verdachte en alle overige betrokken belangen. De grote vrijheid die de feitenrechter bij deze beslissing heeft, brengt ook de verantwoordelijkheid van de feitenrechter mee om – met het oog op de begrijpelijkheid en de aanvaardbaarheid van de strafoplegging en mede in reactie op wat ter terechtzitting naar voren is gebracht over de strafoplegging – inzicht te bieden in de beweegredenen die in het concrete geval hebben geleid tot de opgelegde straf. In de feitenrechtspraak bestaat – gelet op diverse initiatieven die daartoe zijn ondernomen – in algemene zin ook ruim aandacht voor het belang van een behoorlijke strafmotivering.
Aan de rechtspraak van de Hoge Raad ligt ten grondslag dat de verantwoordelijkheid voor de inhoud en de motivering van de straftoemeting in het concrete geval in belangrijke mate bij de feitenrechter ligt. De Hoge Raad stelt zich daarom als cassatierechter terughoudend op bij de beantwoording van de vraag of de motivering van de beslissing over de straftoemeting toereikend is.
Waar het gaat om de motiveringsverplichting van de tweede volzin van artikel 359 lid 2 Sv past de hiervoor genoemde terughoudendheid van de Hoge Raad als cassatierechter bij de eisen die in de rechtspraak van de Hoge Raad in het algemeen worden gesteld aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en de invulling van de responsieplicht van de rechter als hij afwijkt van zo’n standpunt. Van belang hierbij is in het bijzonder het arrest van 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130. Zo levert een algemeen verzoek tot het matigen van de straf op basis van persoonlijke omstandigheden van de verdachte niet een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op. Dat geldt ook voor de enkele opsomming van factoren die bij de strafoplegging in de zaak van de verdachte een rol zouden moeten spelen en die zouden moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf.
Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt kan wel sprake zijn als het gaat om een betoog waarin beargumenteerd wordt aangevoerd waarom – gelet op de belangen die daarbij voor de verdachte op het spel staan – een bepaalde specifieke omstandigheid of een samenstel van specifieke omstandigheden zou moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf, of waarom de rechter daarvan juist zou moeten afzien. De rechter moet dan op grond van artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv nader motiveren waarom hij tot een van dat standpunt afwijkende beslissing komt. In zo’n geval gaat het bij de controle in cassatie in de kern om niet meer dan de vraag of de feitenrechter ervan blijk heeft gegeven dat acht is geslagen op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en of de feitenrechter, gelet op de strafmotivering als geheel, voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de door de verdediging voor zijn standpunt aangevoerde gronden niet opwogen tegen de door het hof genoemde gronden voor de opgelegde straf.”
Het cassatiemiddel geeft geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de Hoge Raad in het arrest van 15 juli 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC4252, waarin de Hoge Raad heeft overwogen dat “de mate van schuld” niet de enige factor is die de rechter in acht moet nemen bij de strafoplegging, maar “dat hij ook rekening kan houden met andere omstandigheden van feitelijke aard zoals de schok die een ernstig misdrijf in de rechtsorde heeft teweeggebracht en de generaal en speciaal preventieve werking welke van een dergelijke straf uitgaat”.
Dat neemt niet weg dat tot de factoren die van belang kunnen worden geacht bij de keuze van de op te leggen straf, kan worden gerekend de omstandigheid dat de rechter oordeelt dat het bewezenverklaarde feit in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend. Het ligt in zo’n geval in de rede dat de rechter een zekere matiging van de op te leggen (gevangenis)straf in overweging neemt. De rechter hoeft de beslissing of en, zo ja, hoe hij bij de strafoplegging met die omstandigheid rekening houdt, in beginsel niet te motiveren. Dat is anders als de verdediging of het openbaar ministerie een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inneemt over de concrete gevolgen van de verminderde toerekenbaarheid voor de straftoemetingsbeslissing. De rechter moet dan op grond van artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv nader motiveren waarom hij tot een van dat standpunt afwijkende beslissing komt.
Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar is te beschouwen ten aanzien van het bewezenverklaarde. Verder heeft het hof de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren als passend en geboden beschouwd. Daartoe heeft het onder meer in zijn overwegingen betrokken de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan, de persoon van de verdachte, de gevolgen van het onder 1 bewezenverklaarde feit voor de nabestaanden van het slachtoffer, de straffen die doorgaans in vergelijkbare zaken worden opgelegd, en de omstandigheid dat de verdachte zich in 1997 op een vergelijkbare manier heeft schuldig gemaakt aan de moord op zijn eerste echtgenote. Verder heeft het hof “in het voordeel van de verdachte (...) laten meewegen dat in ieder geval de doodslag in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend”. In verband met een overschrijding in hoger beroep van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, heeft het hof uiteindelijk onder meer een gevangenisstraf opgelegd van veertien jaren en zes maanden.
De strafoplegging is toereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat het hof heeft uiteengezet hoe – namelijk in het voordeel van de verdachte – het de omstandigheid dat de onder 1 bewezenverklaarde doodslag in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend, heeft meegewogen bij de strafoplegging. Gelet op wat door de verdediging is aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering dan de – onder 2.6.1 weergegeven – uitleg die het hof heeft gegeven.
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, faalt het.
3. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 april 2026.