HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04525
Datum 31 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 8 november 2023, nummer 22-001482-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat B. Kizilocak bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 november 2023 in strijd met artikel 327 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) niet is vastgesteld en ondertekend.
Bij de stukken bevinden zich:(i) een aantekening van het mondeling arrest als bedoeld in artikel 426 lid 1 Sv van 8 november 2023, en(ii) een schriftelijke verklaring van [betrokkene 1], senior-secretaris van het hof Den Haag. Deze verklaring houdt onder meer in:
“Nu de voorzitter en de griffier niet langer werkzaam zijn bij dit hof, is het aantekening mondeling arrest, alsmede het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 november 2023 niet uitgewerkt.”
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 326 lid 1 Sv:
“De griffier houdt het proces-verbaal der terechtzitting, waarin achtereenvolgens aanteekening geschiedt van de in acht genomen vormen en van al hetgeen met betrekking tot de zaak op de terechtzitting voorvalt.”
- Artikel 327 Sv:
“Het proces-verbaal wordt door den voorzitter of door een der rechters, die over de zaak heeft geoordeeld, en den griffier vastgesteld en zoo spoedig mogelijk na de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting en in elk geval binnen den in het eerste lid van artikel 365 vermelden termijn onderteekend. Voor zoover de griffier tot een en ander buiten staat is, geschiedt dit zonder zijne medewerking en wordt van zijne verhindering aan het slot van het proces-verbaal melding gemaakt.”
De onder 2.2 weergegeven verklaring houdt in dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 november 2023 niet is uitgewerkt. Daardoor ontbreekt een proces-verbaal dat door de rechter die over de zaak heeft geoordeeld en door de griffier is vastgesteld en ondertekend overeenkomstig artikel 327 Sv. Dat de betrokken raadsheer en de griffier niet meer werkzaam zijn bij het hof, vormt niet een zodanig bijzondere omstandigheid dat het aan zo’n verzuim te verbinden gevolg van nietigheid van het onderzoek op de terechtzitting en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak achterwege kan blijven (vgl. HR 13 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1605).
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 maart 2026.