HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/02844
Datum 13 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 10 juli 2023, nummer 22-002301-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat D. Simo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot het verstaan dat de verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 246 dagen waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest als bedoeld in artikel 27 lid 1 Sr en verder tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het derde cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof in strijd met artikel 57 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) niet één straf heeft opgelegd.
Het cassatiemiddel klaagt hierover terecht, maar leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.2 tot en met 4.7. De Hoge Raad zal verstaan dat de verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 246 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 lid 1 Sr.
3. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 246 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- verstaat dat de verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 246 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 lid 1 Sr;
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 239 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 lid 1 Sr beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 januari 2026.