ECLI:NL:PHR:2025:1065

ECLI:NL:PHR:2025:1065, Parket bij de Hoge Raad, 04-11-2025, 23/02844

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 04-11-2025
Datum publicatie 13-01-2026
Zaaknummer 23/02844
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2026:50

Samenvatting

Conclusie AG. Medeplegen inbraak en poging inbraak. M1 en M2: bewijsklachten over de verwerping van alternatief scenario en het niet door verdachte voldoen aan een signalement. M3: eerste deelklacht over strafoplegging, nl. dat het hof ten onrechte twee vrijheidsstraffen heeft opgelegd. Tweede deelklacht over redelijke termijn. Conclusie strekt tot verwerping van M1, M2 en de tweede deelklacht M3 (art. 81 lid 1 RO), tot verbeterde lezing van het dictum vanwege de eerste deelklacht van M3, en tot vernietiging van de bestreden uitspraak vanwege schending redelijke termijn, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, en tot vermindering daarvan.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 23/02844

Zitting 4 november 2025

CONCLUSIE

P.H.P.H.M.C. van Kempen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,

hierna: de verdachte

1. Inleiding

De verdachte is bij arrest van 10 juli 2023 door het gerechtshof Den Haag (rolnr. 22-002301-21) in de zaak met parketnr. 09-296609-20 wegens 1. “poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak” en 2. “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak” en in de zaak met parketnr. 05-093992-20 wegens “poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak” veroordeeld tot een gevangenisstraf van 156 dagen, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, onder de algemene en bijzondere voorwaarden zoals in het arrest vermeld. Daarnaast heeft het hof teruggave gelast aan de verdachte van een in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een geldbedrag. Tot slot heeft het hof in de zaak met parketnr. 09-296609-20 onder 2 de vordering van benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en voor het toegewezen bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. D. Simo, advocaat in Culemborg, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

2. Waar het in cassatie om gaat

Het hof heeft in deze strafzaak bewezenverklaard dat de verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan een voltooide bedrijfsinbraak (gepleegd op 20 november 2020) en twee pogingen tot bedrijfsinbraken (gepleegd op 3 april 2020 en 20 november 2020). De verdachte en zijn medeverdachten zijn op 20 november 2020 in een voertuig aangetroffen met daarin − onder andere − inbrekerswerktuigen. De verdediging heeft in hoger beroep een alternatieve lezing gegeven van de feiten, namelijk dat de verdachte later in het voertuig is ingestapt en dat hij niet betrokken is geweest bij de poging inbraak en inbraak op 20 november 2020. De eerste twee middelen gaan over de bewezenverklaring van deze strafbare feiten, in het bijzonder over de verwerping door het hof van een door de verdediging geschetst alternatief scenario en van een verweer over een signalement van een van de betrokkenen. Het derde middel valt uiteen in twee deelklachten. De eerste daarvan betreft de strafoplegging en stelt aan de orde dat het hof tegelijkertijd een onvoorwaardelijke en een voorwaardelijke gevangenisstraf heeft opgelegd. De tweede klacht houdt in dat het hof niet heeft gereageerd op het beroep dat namens de verdachte is gedaan op overschrijding van de redelijke termijn.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het eerste middel, het tweede middel en de tweede deelklacht van het derde middel. De eerste deelklacht van het derde middel slaagt maar dit hoeft niet tot cassatie te leiden.

3. Het eerste en het tweede middel

De eerste twee middelen verzetten zich tegen de bewezenverklaring van feit 1 en 2 in de zaak met parketnr. 09-296609-20. Volgens de steller van de middelen is het hof ontoereikend gemotiveerd afgeweken van het door de verdachte gepresenteerde alternatieve scenario, inhoudende dat hij later in het voertuig is ingestapt en dus niet bij de inbraak en poging inbraak betrokken is geweest. Het eerste middel klaagt in het bijzonder dat het hof ten onrechte zou hebben aangenomen dat door de verdediging is aangevoerd dat het signalement van ‘persoon 1’ geen onderscheidende kenmerken bevat. Bij het tweede middel staat centraal dat het hof niet heeft gereageerd op een in het kader van feit 2 ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Nu beide middelen naar de kern genomen gaan over (de verwerping van) het alternatieve scenario en het niet door verdachte voldoen aan een signalement lenen zij zich voor een gezamenlijke bespreking.

Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnr. 09-296609-20 bewezenverklaard dat:

“1.

hij op 20 november 2020 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om uit een bedrijfspand (perceel [a-straat 1] ) goederen of geldbedragen van hun gading die aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders toebehoorden, te weten aan [A] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en die weg te nemen goederen onder hun bereik te brengen door middel van braak

- naar het bedrijf [A] zijn gereden en

- het hek hebben open gebroken en (vervolgens)

- de voordeur hebben geforceerd met een koevoet en (vervolgens)

- voornoemd bedrijfspand in zijn gegaan en het pand hebben doorzocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.hij op 20 november 2020 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen uit een bedrijfspand (perceel) [b-straat 1] ) een geldbedrag dat aan een ander dan aan de verdachte en zijn mededaders toebehoorde, te weten aan [B] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of dat weg te nemen geldbedrag onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.”

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende in een bijlage bij het arrest opgenomen bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):

“1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 23 november 2020 van de Politie Eenheid Den Haag […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in […]:

als de op 23 november 2020 afgelegde verklaring van [aangever 1] :

Ik ben werkzaam als CEO Managing Director bij [B] , gevestigd aan de [b-straat 1] te [plaats] . Ik ben namens het bedrijf gerechtigd om aangifte te doen. Het bedrijf waar stroopwafels worden gebakken, is gelegen op bedrijfsterrein [C] . Wij hebben op het bedrijventerrein een vijftal gezamenlijke camera's.

Op 20 november 2020, omstreeks 17:45 uur, heeft het laatste personeelslid het kantoorgedeelte verlaten. Ik ben op 23 november 2020, omstreeks 01:30 uur, bij het bedrijf aangekomen. Toen ik binnen kwam, zag ik dat er boven diverse kasten open stonden. Ik zag dat er op diverse deuren die met een tack geopend moeten worden, beschadigingen zaten. Ik zag dat het bureau van onze financieel medewerker was opengebroken en dat een blauw geldkistje was weggenomen. In dit geldkistje zat een geldbedrag. Ik stel u een specificatie van de telling van vorige week beschikbaar. Wij zijn buiten gaan kijken en zagen dat het middelste uitklapraam van het eerste kantoor was opengebroken.

2. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 20 november 2020 van de Politie Eenheid Den Haag […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in […]:

als de op 20 november 2020 afgelegde verklaring van [aangever 2] :

Ik ben de eigenaar van het bedrijf [A] , gevestigd op de [a-straat 1] in [plaats] , en ik ben gerechtigd tot het doen van aangifte.

Op 20 november 2020, omstreeks 18.30 uur, had ik het bedrijf afgesloten. Het bedrijf is omheind door metalen hekken van 2 meter hoog. Op 20 november 2020, omstreeks 20.30 uur, werd ik gebeld dat er was ingebroken in het bedrijf. Ter plaatse zag ik dat de voordeur was open gebroken. Ik zag dat het aluminium kozijn van de deur was beschadigd en ik zag dat de voorplaat van het slot was verbogen. Men is in het kantoor geweest en hier alle lades en kasten doorzocht. Men is ook op de bovenste etage geweest waar een kantoor en het magazijn is gesitueerd. Zowel in het kantoor als in het magazijn had men alles doorzocht. Toen een medewerker genaamd [getuige] ter plaats was, hoorde ik van hem dat hij op 20 november 2020, omstreeks 20:00 uur, ter hoogte van het bedrijf een personenauto zag staan. Hij zag dat dit voertuig geparkeerd stond met de achterzijde richting het bedrijf en met de voorzijde in de richting van de weg. Deze parkeerplaats behoort toe aan het bedrijf.

3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 november 2020 van de Politie Eenheid Den Haag […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in […]:

als relaas van de opsporingsambtenaar D. [getuige] :

Op 24 november 2020 belde ik [aangever 2] . Ik vroeg hem of er nog iets ontvreemd was uit zijn pand. Ik hoorde hem zeggen dat er niets ontvreemd was.

4. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 20 november 2020 van de Politie Eenheid Den Haag […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in […]:

als de op 20 november 2020 afgelegde verklaring van J.M. [getuige] :

Ik ben werkzaam bij het bedrijf [A] , gevestigd op de [a-straat 1] te [plaats] . Op 20 november 2020 omstreeks 20:15 uur kwam ik aan bij het kantoor en ben ongeveer 5 á 10 minuten binnen geweest. Ik heb vervolgens de deur weer dicht gedaan. Omstreeks 20:30 uur reed ik via [a-straat] naar huis. Toen ik langs de parkeerplaatsen reed, zag ik dat er een donkere grijskleurige auto in een parkeervak stond. Ik zag dat het voertuig met de neus naar de weg geparkeerd stond. Ik zag dat er personen in het voertuig zaten. Diezelfde dag om 21:37 uur werd ik gebeld door mijn collega dat er was ingebroken. Ik ben vervolgens terug gereden. Ik zag, nadat de politie ter plaatse was, dat er op de parkeerplaats waar ik het eerder genoemde voertuig had gezien oliesporen aanwezig waren. Ik zag dat het nog natte [verbalisant 4] was. De plaats waar ik de [verbalisant 4] zag is dezelfde plaats als waar ik het voertuig heb geparkeerd zien staan. Ik zag hierna ook direct dat de ingang van het toegangshek geforceerd was. Dit is het toegangshek naast de parkeerplaats.

5. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 november 2020 van de Politie Eenheid Den Haag […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in […]:

als relaas van de opsporingsambtenaren:

Op 20 november 2020 om 20:50 uur zagen wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , op het industrieterrein [D] in [plaats] een voertuig, met het [kenteken] , rijden in de richting van [plaats] . Wij zijn het voertuig aan het einde van het industrieterrein uit het zicht verloren. Op het moment dat wij [plaats] weer inreden, op de plek waar we het voertuig uit het zicht waren verloren, zagen wij een voertuig rijden op het industrieterrein. Op het moment dat wij achter het voertuig reden zagen wij dat het hetzelfde voertuig betrof voorzien van [kenteken] . Wederom zijn wij achter het voertuig aangereden. Wij hebben op [c-straat] te [plaats] het voertuig een stopteken gegeven. Ik, [verbalisant 1] , sprak de bestuurder aan. Deze bestuurder bleek mij later genaamd te zijn:

[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1973.

Ik, [verbalisant 2] , liep naar de rechterzijde van het voertuig. Ik zag dat er vier personen in het voertuig zaten. Ik zag dat alle vier de personen volledig in het zwart gekleed waren.

Ik heb de bijrijder rechtsvoor verzocht uit te stappen. Ik heb de bijrijder zijn zakken laten leegmaken. Ik zag dat de bijrijder een muts, handschoenen en een zwartkleurige pet, in de politiebus legde. De bijrijder bleek genaamd te zijn:

[medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] -1972 te [plaats]

Ik, [verbalisant 2] , zag dat alle inzittenden uit het voertuig waren gehaald voor controle door de collega’s. Ik keek in het voertuig en zag dat er een geel object onder de achterbank uitstak. Ik zag dat dit het uiteinde van een koevoet betrof.

Collega [verbalisant 4] had de persoon die linksachter in het voertuig zat, onderworpen aan een fouillering. Ik hoorde dat hij zei dat die persoon twee lichtgrijze handschoenen opgerold bij zich had. De persoon vertelde dat hij heette:

[medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum] 1985.

Op 20 november 2020 om 21:24 uur hield ik, [verbalisant 1] , alle vier de inzittenden van het voertuig aan.

Verdachte: [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] 1972;

Verdachte: [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedatum] 1976;

Verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1973;

Verdachte: [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum] 1985.

6. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 december 2020 van de Politie Eenheid Den Haag […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in […]:

als relaas van de opsporingsambtenaren:

Op 2 december 2020 deden wij, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , onderzoek naar de camerabeelden.

Op 20 november omstreeks 20:13 uur heeft een bedrijfsinbraak plaatsgevonden bij [E] B.V. (hierna: [E] ) op de [b-straat 1] te [plaats] . Dit betreft een bedrijventerrein. Op dit bedrijventerrein zijn verschillende locaties waar camera’s gevestigd zijn, waaronder de camera gericht op [E] B.V.

Eigenschappen camerabeelden

Op 2 december 2020 bekeken wij de ter beschikking gestelde beelden. Wij zagen dat de gegevensbestanden de volgende namen hadden:

− [wijk] − 1

De werkelijke tijd komt overeen met de tijd aangegeven op de camerabeelden.

Locatie en zicht van de camerabeelden

Ik zag dat de kwaliteit van de camerabeelden redelijk is. Het was gefilmd in het donker. De beelden zijn in zwart-wit. Het was op het moment van opnemen droog weer.

Uitkijken camerabeelden (chronologisch)

[wijk]1:

Ik, [verbalisant 2] , zag links bovenin op de beelden, een datum/tijdstempel staan, lopend van: 20-11-2020 19:50:01 tot aan 20-11-2020 20:49:21.

Ik zag dat de camera ongeveer 4 meter hoog hing en zicht geeft op [b-straat] te [plaats] . Ik zag dat aan de rechterzijde van de straat een bedrijfspand gevestigd was. Ik weet dat dit het bedrijfspand van [E] is.

20:02:41 Ik zag dat er een hatchback model voertuig in beeld verscheen.

Ik zag dat het voertuig langzaam reed.

20:03:20 Ik zag dat het voertuig op tot stilstand kwam voor de deur van [E] .

20:03:36 Ik zag dat de bestuurdersportier en het portier rechtsachter open gingen. Ik zag dat twee personen uit de personenauto stapten. Ik zag dat zij beiden naar de deur van [E] liepen.

Signalement bestuurder:

−Donkerkleurige jas;

−donkerkleurige broek;

−droeg een pet.

Signalement bijrijder rechtsachter:

−Donkerkleurige jas;

−donkerkleurige broek

−lichtkleurige capuchon;

−schoenen met lichtkleurige accenten.

Noot verbalisant:

[medeverdachte 3] , één van de 4 verdachten van de inbraken gepleegd bij [E] en [A] gepleegd op 20 november 2020, droeg bij aanhouding schoenen met witte accenten en zat rechts achterin het voertuig voorzien van [kenteken] .

Ik zag dat de bestuurder een prikkende beweging maakte met zijn rechterhand richting de deur. Ik zag dat de bestuurder ook zijn linkerhand bij zijn rechterhand voegde en een krachtige beweging naar voren maakte. Ik zag dit doordat het bovenlichaam in een snelle beweging naar voren bewoog en hij licht door zijn knieën boog. Ik zag dat de bijrijder bij de bestuurder kwam staan. Ik zag dat beide personen direct tegen de deur aanstonden. Ik zag dat de bestuurder met zijn hand richting de deur ging. Ik zag dat beide personen hun voeten wijder van elkaar af op de grond zetten waardoor het op mij overkwam dat zij zich schrap zetten of kracht zetten. Ik zag dat beide personen lichtelijk door hun knieën gingen tijdens het schrap zetten.

20:04:11Ik zag dat beide personen richting het voertuig liepen.

Ik zag dat de bestuurder een langwerpig glimmend voorwerp in zijn linkerhand vasthield. Ik zag de bestuurder weer instapte bij de bestuurdersstoel. Ik zag dat ook de bijrijder weer in het voertuig stapte bij het portier rechtsachter.

Ik zag dat het voertuig wegreed.

20:08:50Ik zag dat er meerdere personen in donkerkleurige kleding aan kwamen gelopen. Ik zag dat de eerste persoon even stilstond voordat hij de hoek omging en vervolgens doorliep in de richting van de deur van [E] . Ik zag vier personen, in donkerkleurige kleding, achter elkaar aanlopen. Ik zag dat de laatste drie personen donkerkleurige schoenen aanhadden en dat de voorste schoenen aanhad met lichtkleurige accenten.

20:09:05Ik zag dat alle vier de personen bleven staan ter hoogte van raam 3 en 4 (vanaf de deur gezien). Ik zag dat de vier personen voor de ramen langs heen en weer liepen.

20:13:35Ik zag dat raam 3 naar boven kantelde. Ik zag dat het raam open was.

20:13:45Ik zag de persoon met de schoenen met lichtkleurige accenten, door het geopende raam uit beeld verdween. Ik zag dat hij de tweede persoon was die door het. raam het pand inging.

20:13:56Ik zag dat de meest linker persoon, na de andere drie personen ook door het geopende raam klom en uit beeld verdween.

20:14:03Ik zag dat het geopende raam dichtviel en dat niemand meer voor het pand stond.

20:16:26 Ik zag dat op de eerste verdieping verlichting aanging achter 2 ramen.

20:16:32 Ik zag een schim verschijnen achter het linker raam op de eerste verdieping.

20:16:43Ik zag dat het licht, bij de 2 ramen op de eerste verdieping, uitging.

20:17:23 Ik zag dat op de eerste verdieping verlichting aanging achter 3 ramen.

20:20:40 Ik zag, dat aan de andere zijde het meest rechter raam op de eerste verdieping, beweging te zien was.

20:21:07 Ik zag dat het licht achter de 3 rechter ramen op de eerste verdieping uitgingen.

20:22:04 Ik zag dat 4 personen, allen in donkerkleurige kleding, de deuropening uitliepen en langs het pand liepen in de richting waar zij vandaan kwamen.

7. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 december 2020 van de Politie Eenheid Den Haag […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in […]:

als relaas van de opsporingsambtenaar [verbalisant 3] :

Op 21 november 2020 was ik belast met het uitkijken van camerabeelden aangeleverd door aangever [aangever 2] naar aanleiding van de inbraak in zijn bedrijf [A] .

Door [getuige] werd verklaard dat de tijd van de camera’s nog op zomertijd stond. De daadwerkelijke tijd is dus een uur eerder dan vermeld staat op de camerabeelden.

Ik zag dat camera 1 zicht gaf vanaf de buitenzijde op de voorzijde van het pand. Ik zag dat camera 2 zicht gaf vanaf de binnenzijde van het pand op ingang.

Camera 1

Ik zag dat vanaf omstreeks 21:32:59 uur een viertal personen in beeld kwamen. Ik zag dat al deze personen een jas met capuchon droegen en hun gezicht bedekt hadden. Ik zag dat alle personen een pet droegen. Ik zal de personen vanaf nu benoemen als persoon 1, persoon 2, persoon 3 en persoon 4.

Ik zag dat persoon 1 en persoon 2 een groot breekijzer vasthielden en naar deur toe liepen. Ik zag dat persoon 1 en persoon 2 de deur van het pand forceerden met de breekijzers. Ik zag dat persoon 3 in beide handen een langwerpig voorwerp vasthield gelijkend op schroevendraaiers.

Ik zag dat om 21:34:43 uur de personen allemaal naar binnen gingen.

Ik zag dat om 21:36:21 uur persoon 1 als eerste weer naar buiten kwam gevolgd door persoon 4, persoon 2 en persoon 3.

Camera 2

Ik zag dat omstreeks 21:33:00 uur persoon 1 en persoon 2 bij de deur verschenen. Ik zag dat persoon 2 als eerste zijn breekijzer aan de onderzijde tussen de deur en het kozijn plaatste. Ik zag dat persoon 1 hierna zijn breekijzer hier ook bij plaatste. Ik zag dat beiden wrikten om de deur open te breken. Ik zag dat om 21:34:34 uur de onderzijde van de deur opengebroken was. Ik zag dat persoon 1 zijn breekijzer hiertussen hield en dat persoon 2 zijn breekijzer verplaatste naar een. hoger punt en daar begon te wrikken.

Ik zag dat persoon 1 zijn breekijzer hier ook bij plaatsteen dat de deur omstreeks 21:34:40 uur geheel opengebroken werd.

Ik zag dat persoon 1, persoon 2 en persoon 3 het pand betraden om 21:34:43 uur. Ik zag dat persoon 1 en persoon 3 via de trap naar boven gingen en dat persoon 2 doorliep in de hal in de richting van de camera. Hierbij komt persoon 2 duidelijk in beeld. Ik zag dat persoon 4 enkele seconden laten het pand ook betrad en achter persoon 2 aanliep.

Ik zag dat alle personen om 21:36:16 uur weer in de hal waren en alles doorzochten. Ik zag dat alle personen om 21:36:25 uur het pand verlieten via de opengebroken deur.

Omschrijving personen

Persoon 1:

Houdt een breekijzer vast. Draagt een halflange jas met capuchon.

Persoon 2:

Draagt een gewatteerde jas met een opvallende afdruk/logo op zijn linkerborst. Aan de jas zit tevens een capuchon. Verder draagt hij een pet met rond logo aan de voorzijde. Ook deze persoon draagt een breekijzer.

Persoon 3:

In postuur de kleinste persoon. Draagt handschoenen met iets reflecterend op de buitenzijde van de hand, een halflange jas met capuchon en een pet. De capuchon draagt de persoon over de pet. Tevens draagt de persoon sneakers met opvallende betekening aan de buitenzijde.

Persoon 4:

In lengte lijkt het de langste van de vier personen. De persoon draagt een halflange jas met capuchon. De persoon draagt een pet met daarover de capuchon. Aan de capuchon aan de voorzijde zijn duidelijk aan weerszijden elastieken met gesp te zien.

Breekijzers

De breekijzers die door persoon 1 en persoon 2 gebruikt worden zijn opvallend lang. Ik zag dat deze ongeveer een beenlengte waren. Verder zag ik dat beide breekijzers een opvallende opdruk of iets dergelijks in het midden hadden. Deze leek onderbroken/gescheurd te zijn.

8. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 november 2020 van de Politie Eenheid Den Haag […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in […]:

als relaas van de opsporingsambtenaar [verbalisant 4] :

Op 21 november 2020 onderzocht ik een bruine Opel Astra met het [kenteken] , die betrokken was bij de aanhouding van de vier mannen in [plaats] .

In de auto heb ik diverse goederen aangetroffen. Hieronder staat daarvan de opsomming:

- grote zwarte lege tas. Aangetroffen in de kofferbak van de auto;

- kleine koevoet met geel uiteinde. Aangetroffen geklemd onder de achterbank ter hoogte van de zitplaats rechts;

- 1 grote platte rode schroevendraaier. Aangetroffen op de bestuurdersstoel;

- 1 bruin petje met daarin een zwarte bivakmuts en één paar grijze handschoenen. Aangetroffen voorin onder de armsteun tussen beide stoelen;

- 1 zwarte zaklamp. Aangetroffen in het vakje van het linker achterportier;

- 1 zwart petje. Aangetroffen op de achterbank;

- 1 tas van Albert Heijn met daarin kleingeld. Aangetroffen in het vakje van de deur van de bijrijder;

- 2 grote breekijzers en 5 schroevendraaiers. Aangetroffen tussen de laadvloer en de onderkant van de achterkant van de zitting.

9. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 december 2020 van de Politie Eenheid Den Haag […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in […]:

als relaas van de opsporingsambtenaar [verbalisant 1] :

Het voertuig voorzien van [kenteken] is voorzien van een track en trace systeem waarmee de locatie van het voertuig wordt vastgelegd. Er is een vordering opgemaakt van de gegevens van dit track en trace systeem in de periode waarin de inbraken bij [E] en [A] zijn gepleegd.

Locatiegegevens

42: 20.04 uur tot 20.23 uur; [b-straat 1] , [plaats]

0,1 km.

43: 20.24 uur tot 20.28 uur; [d-straat] , [plaats]

0,8 km.

44 : 20.29 uur tot 20.37 uur; [d-straat] , [plaats]

14,6 km.

45: 21.03 uur tot 2020−11−26 10.47 uur; [e-straat] , [plaats] .

10. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 december 2020 van de Politie Eenheid Den Haag […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in […]:

als relaas van de opsporingsambtenaren:

Er is een vordering naar de track en trace gegevens gedaan van het voertuig met [kenteken] . Hierop was te zien dat het voertuig op 20 november 2020 om 20:04 uur uitstraalde op de [b-straat 1] te [plaats] . Dit bleek het adres te zijn van [E] B.V. Dit komt op de minuut overeen met hetgeen wij, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , zagen op de camerabeelden.

11. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 november 2020 van de Politie Eenheid Den Haag […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in […]:

als relaas van de opsporingsambtenaar [verbalisant 3] :

Op 22 november 2020 was ik belast met het onderzoek naar de inbraak in het bedrijf [A] . Ik vergeleek de camerabeelden, kleding van verdachten en de aangetroffen goederen in de personenauto waarin de verdachten reden, met elkaar.

Ik vergeleek de kleding van de verdachten en aangetroffen petjes met de camerabeelden van [A] .

Op de camerabeelden van [A] is te zien dat persoon 2 een gewatteerde jas draagt met een logo/afdruk op de linkerborst. Ook draagt persoon 2 een petje met rond logo. De jas van [medeverdachte 2] werd gefotografeerd. Duidelijk is te zien is een onduidelijk gemaakt Nike-logo op de linkerborst. Op één van de petjes die op de achterbank van de personenauto was aangetroffen, is het Geus (het hof begrijpt: Deus) logo zichtbaar. Zowel de jas met het logo en de pet met het Deus logo vertonen overeenkomsten met de jas en het petje die gedragen werd door persoon 2. Het lijkt hierdoor aannemelijk dat persoon 2 [medeverdachte 2] is.

Persoon 3 draag schoenen met een opvallende betekening aan de zijkanten. Dit betreft het logo van het merk Asics. De schoenen van [medeverdachte 3] werden gefotografeerd tijdens het onderzoek. De schoenen van [medeverdachte 3] vertonen, door het opvallende logo, overeenkomsten met de schoenen die gedragen worden door persoon 3. Hierdoor is er een redelijk vermoeden dat persoon 3 [medeverdachte 3] betreft.

Te zien is dat persoon 4 een jas draagt met in de capuchon een elastiek met wat aan weerzijde uitsteekt met een gesp. De jas van de [medeverdachte 1] werd gefotografeerd. De jas van [medeverdachte 1] heeft net als de jas van persoon 4 uitstekende elastieken met gesp ter hoogt van de hals. De jassen van de overige verdachten hadden dit niet. Zodoende vertoond de jas van [medeverdachte 1] overeenkomsten met die van persoon 4.

Breekijzers

Op de camerabeelden van [A] is te zien dat persoon 1 en persoon 2 beiden een breekijzer vasthouden. Dit zijn grote breekijzers aangezien persoon 2 deze met een zijde op de grond houdt en de andere zijde reikt tot zijn middel. Tevens is op de op de camerabeelden te zien dat erop beide breekijzers halverwege een sticker of beplakking zit. In de personenauto waarin de verdachten, zaten werden een tweetal breekijzers aangetroffen. Deze breekijzers bleken een beenlengte lang te zijn en op beide breekijzers zat in het midden een gescheurde sticker. Gezien de gelijkende overeenkomsten in lengte en beplakking alsmede de gehele situatie, is het aannemelijk dat de aangetroffen breekijzers gebruikt zijn bij de inbraak in het bedrijf [A] .

12. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 november 2020 van de Politie Eenheid Den Haag […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in […]:

als relaas van de opsporingsambtenaren:

Op 23 november2020 hebben wij, verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , het bij de verdachten van de inbraak van 20 november 2020, gepleegd op de [a-straat 1] te [plaats] aangetroffen muntgeld, vergeleken met het Telformulier Kas van [B] .

Bij de verdachten van inbraak aangetroffen muntgeld:

− 66 x 0,05 euro

− 59 x 0,10

− 45 x 0,20 euro

− 4 x 0,50 euro

− 24 x 1,00 euro

− 32 x 2,00 euro

Totaal 108,20 euro

Telformulier Kas [B] d.d. 31 oktober 2020:

− 67 x 0,05 euro

− 64 x 0,10 euro

− 46 x 0,20 euro

− 3 x 0,50 euro

− 22 x 1,00 euro

− 24 x 2,00 euro

Totaal 90,45 euro

Opvallend is dat er per muntsoort maar kleine verschillen zijn. Het Telformulier wordt 1x per maand aan het einde van de maand opgemaakt en na 31-10-2020 hebben er diverse kastransacties plaatsgevonden.”

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 juni 2023 blijkt dat de verdachte de volgende verklaring heeft afgelegd:

“Ik ontken de in de dagvaarding met parketnummer 09-296609-20 onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten te hebben gepleegd. Ik ben pas later in de auto ingestapt en vervolgens werden we aangehouden door de politie. Ik was toen de bestuurder van de auto maar ik heb niets met die inbraken te maken.

Ik ben automonteur en ik moest op 20 november 2020 een auto omruilen. Het is nu bijna 2 jaar geleden en ik kan mij nu niet alles meer herinneren. Ik weet nu niet meer wat voor auto het was. Ik zou die auto terugbrengen naar iemand. Ik moest de auto omwisselen. De bijrijder van de persoon voor wie ik de auto had gerepareerd stuurde mij een WhatsApp bericht met daarin de locatie waar ik heen moest met de auto. Ik wil de naam van de bijrijder niet noemen.

U houdt mij voor dat de andere verdachten niet hebben verklaard dat ik later ben ingestapt. Misschien gaan ze dat vandaag verklaren.

Toen wij op 20 november 2020 werden aangehouden door de politie was ik de bestuurder van de auto en ik was toen op weg naar huis.

U houdt mij voor dat het wel toevallig was dat mijn neef toen ook in de auto zat. Ik heb aan mijn neef niet gevraagd wie de andere personen in de auto waren.

Ik had met de bestuurder afgesproken en hij is later uitgestapt. Hij was geen vriend van mij. Wij kenden elkaar gewoon.

U vraagt mij waarom ik destijds bij de politie, niets heb verklaard over het feit dat ik later ben ingestapt. Dat is gewoon stom van mij. U houdt mij voor dat ik zojuist heb verklaard dat wij via de telefoon een locatie hadden afgesproken en u houdt mij voor dat ik dat WhatsApp bericht aan de politie had kunnen laten zien.

Ja, dat klopt. Ik heb dat bericht niet aan de politie laten zien. Ik heb dat bericht nu niet meer omdat ik inmiddels een nieuwe telefoon heb. Ik kan het bericht nu niet meer tonen.”

De raadsvrouw van de verdachte heeft op de terechtzitting in hoger beroep van 26 juni 2023 het woord tot verdediging gevoerd aan de hand van de door haar overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:

“Feiten:

26. Met betrekking tot feit 1 wordt aangevoerd dat in het dossier personen 2, 3 en 4 zijn beschreven. Hiervan wordt aangegeven dat het signalement van deze personen overeenkomen met het signalement en kleding van de medeverdachten. Met betrekking tot persoon 1 zit eveneens een beschrijving in het dossier. Deze persoon draagt een zwarte jas en heeft een pet op met een groot embleem aan de voorzijde (p.102). De ovj haalde in eerste aanleg aan dat niet vast staat dat het cliënt ook niet is. De verdediging is het hiermee niet eens. De rechtbank heeft ten onrechte geconcludeerd dat de omstandigheid dat het dossier geen herkenning ter zake de kleiding van cliënt bevat niet maakt dat hij niet betrokken is geweest bij het plegen van het tll feit. Vaststaat derhalve dat cliënt persoon 1 niet kan zijn en derhalve niet op de locatie is geweest. Dit blijkt ook uit onderzoek naar de telefoongegevens. In het dossier zijn derhalve geen stukken voorhanden waaruit blijkt dat cliënt binnen het bedrijf en op de locatie is geweest. De rechter-commissaris heeft reeds vastgesteld dat deze persoon qua signalement niet overeenkomt met dat van cliënt. In dat kader verwijs ik naar pagina's 70 t/m 72 waaruit blijkt wat de kleding van cliënt is geweest. Cliënt had een andere jas aan, namelijk een jas zonder koortjes en ook een opvallend andere pet op dan persoon 1 die is afgebeeld.

27. Cliënt is aangehouden in de auto kort nadat hij de medeverdachten heeft opgehaald. De exacte locatie weet cliënt niet, omdat hij niet bekend is in de regio. Hij is op verzoek van een jongen − waarmee later van auto is geswitcht − naar de medeverdachten toe gereden. Deze jongen is verder gegaan met de auto waarmee cliënt is gekomen en cliënt heeft de auto waarin hij is aangehouden verder bestuurd. Cliënt is benaderd in verband met een olie lek van de auto en gezien het gegeven dat cliënt automonteur is. In eerste instantie heeft cliënt anders verklaard, aangezien hij had afgesproken dat dit zou worden gezegd. Echter, zoals cliënt ook heeft aangegeven vandaag op de zitting en eerdere zitting heeft hij niets met deze zaak te maken. Hij acht het overigens kwalijk dat de medeverdachten zich op hun verschoningsrecht beroepen. Cliënt heeft een aannemelijke verklaring gegeven voor zijn aanwezigheid in het voertuig.

28. Gelet op het voorgaande kan slechts worden geconcludeerd dat er geen sprake is van wettig en overtuigend bewijs. Derhalve verzoek ik u cliënt van dit feit vrij te spreken.

29. Ten aanzien van feit 2 wordt aangevoerd dat op grond van het dossier eveneens kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van wettig en overtuigend bewijs, zodat cliënt dient te worden vrijgesproken. Cliënt was niet aanwezig bij het plegen van feit 1 waarbij wederom wordt verwezen naar het signalement van de personen, zodat hij ook niet bij feit 2 aanwezig kan zijn geweest.

30. Bij de beoordeling van feit 1 is door de officier in eerste aanleg o.a. gewezen op de oliesporen die op de locatie waren aangetroffen. In dit geval − aangaande dit feit − zijn op de locatie geen oliesporen aangetroffen. Dit betekent derhalve dat niet kan worden vastgesteld dat dit voertuig betrokken is geweest bij het plegen van dit feit. Verder voert de verdediging aan dat uit het dossier kan worden opgemaakt dat het voertuig dat is afgebeeld rond 20:23:15 uur wegrijdt. [A] is 1 min verderop. Dit strookt niet met elkaar. Voorts valt op dat het voertuig linksaf slaat. Rechtsaf is richting [A] . Ook dit strookt niet met elkaar. Merkwaardig is nog dat het voertuig dat is afgebeeld niet qua beschrijving overeenkomt met het voertuig waarin cliënt is aangehouden. Het voertuig pp de beelden lijkt naar zeggen van cliënt op een Golf 7. Wat opvalt − en niet is geverbaliseerd − is dat de lengte van de personen met wie cliënt is aangehouden (1 persoon 1.90 en andereen rond 1.70) en de personen die staan afgebeeld op beeld komen niet met elkaar overeen. De personen die staan afgebeeld op de beelden hebben dezelfde lengte. Ook op grond van het voorgaande kan worden vastgesteld dat cliënt niet betrokken is geweest bij dit feit. Bovendien heeft één van de personen een grijze en/of lichtkleurige capuchon op. Dit is ook geverbaliseerd door de verbalisant in het aanvullende proces-verbaal. Er is een beschrijving gegeven van de kleding, die cliënt en medeverdachten aan hebben gehad ten tijde van de aanhouding. Opvallend is dat ook het voorgaande niet overeenkomt. Op grond van het voorgaande kan eveneens worden vastgesteld dat cliënt hierbij niet betrokken is geweest. En als wordt aangenomen dat de personen ook bij feit 1 betrokken waren, bevestigt het voorgaande wat cliënt betreft eveneens dat hij niet bij feit 1 betrokken was en dus ook niet feit 2.

31. Verder benadrukt de verdediging dat de transportstaat over gaat in de [d-straat] ( [A] ). Dit betekent dus niet dat het voertuig bij [E] is geweest.

32. Ook het weggenomen geldbedrag komt niet overeen met de bij verdachten aangetroffen gelden. Dat cliënt en medeverdachten muntgeld bij zich hebben is wat de verdediging betreft niet bevreemdend. Het betreft een betaalmiddel. Je krijgt vaak wisselgeld terug bij het afrekenen van goederen. Dit betreft de verklaring van aanwezigheid van muntgeld.

33. De hierboven genoemde verweren zijn ten onrechte door de rechtbank gepasseerd. Hierop ontbreekt ook de toelichting waarom de verweren zijn verworpen dan wel deze zijn gepasseerd.

34. Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat er geen wettig en overtuigend bewijs is dat cliënt dit feit heeft gepleegd. Ik verzoek u het vonnis te vernietigen en cliënt vrij te spreken.”

Het hof heeft onder het kopje “Bespreking alternatief scenario” het volgende overwogen:

“De raadsvrouw heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de zich in het dossier bevindende herkenning van de verdachte, zijnde ‘persoon 1’, onvoldoende specifiek onderscheidend is om op basis daarvan met zekerheid te kunnen vaststellen dat ‘persoon 1’ de verdachte is. In het kader hiervan heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte pas later in het voertuig is ingestapt, waardoor de verdachte niet betrokken kan zijn geweest bij de tenlastegelegde inbraken.

Het hof acht het door de verdediging geschetste scenario niet aannemelijk geworden en overweegt hieromtrent als volgt.

Op de zich in het dossier bevindende camerabeelden zijn vier personen te zien. Tussen de gepleegde inbraak en poging tot inbraak en het moment van aantreffen van de verdachte en de drie medeverdachten in het voertuig zit een zeer korte tijdsspanne. Uit de camerabeelden van het bedrijf [A] volgt immers dat de vier personen omstreeks 20:37 uur het bedrijfspand verlieten. Kort hierna, om 20:50 uur, zijn de vier verdachten in onderhavige strafzaak door de verbalisanten voor het eerst gezien op het industrieterrein [D] in [plaats] . De locatie waar de verdachte en de drie medeverdachten zijn aangetroffen ligt op ongeveer 7 kilometer van de bedrijven [B] en [A] .

Gelet op het genoemde korte tijdsverloop en de afgelegde afstand acht het hof het niet aannemelijk geworden dat de verdachte op een later moment in het voertuig is ingestapt. Het hof neemt hierbij mede in beschouwing dat de verdachte desgevraagd geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die het alternatieve scenario op enigerlei wijze enigszins aannemelijk kunnen maken. Zo heeft hij niet verklaard waar en wanneer hij in het betreffende voertuig is gestapt. De verdachte heeft weliswaar ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de locatie waar hij van auto zou wisselen via Whatsapp had gekregen, maar deze verklaring kan mede doordat de verdachte deze whatsapp niet kon achterhalen niet meer geverifieerd worden.

Het door de verdediging geschetste alternatieve scenario, dat de verdachte op een later moment het voertuig is ingestapt, acht het hof aldus niet aannemelijk geworden. Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte de tenlastegelegde inbraken heeft gepleegd. De enkele omstandigheid dat het in het dossier bevindende signalement van ‘persoon 1’, zijnde de verdachte, geen specifieke en onderscheidende kenmerken bevat, doet aan voornoemd oordeel niet af.”

Vooropgesteld moet worden dat de uitleg van een in hoger beroep gevoerd verweer of uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in beginsel is voorbehouden aan de feitenrechter en dat in cassatie slechts op begrijpelijkheid van deze uitleg kan worden getoetst. Verder komt voor de mate waarin de weerlegging van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dient te worden gemotiveerd, betekenis toe aan de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten. De in art. 359 lid 2 tweede volzin Sv voorgeschreven motiveringsplicht houdt niet in dat op elk detail van de argumentatie moet worden ingegaan.

Allereerst de klacht dat door de verdediging niet is aangevoerd dat, zoals het hof overweegt, “de zich in het dossier bevindende herkenning van de verdachte, zijnde ‘persoon 1’, onvoldoende specifiek onderscheidend is om op basis daarvan met zekerheid te kunnen vaststellen dat ‘persoon 1’ de verdachte is”. De strekking van het onder 3.5 weergegeven verweer is dat gelet op het signalement van persoon 1 vaststaat “dat cliënt persoon 1 niet kan zijn en derhalve niet op de locatie is geweest”. Uit het slot van de onder 3.6 weergegeven overweging door het hof volgt dat het hof als omstandigheid heeft aangenomen “dat het in het dossier bevindende signalement van ‘persoon 1’, zijnde de verdachte, geen specifieke en onderscheidende kenmerken bevat”. Dit impliceert dat het hof niet het standpunt van de verdediging deelt dat gelet op het signalement van persoon 1 vaststaat dat de verdachte die persoon niet kan zijn. Het hof heeft bovendien vastgesteld dat op de camerabeelden vier personen zijn te zien, dat tussen de gepleegde inbraak en poging tot inbraak en het moment van aantreffen van de verdachte en de drie medeverdachten in het voertuig (met het inbrekersgereedschap) een zeer korte tijdsspanne zat, dat zij zich toen op ongeveer zeven kilometer bevonden van de locaties waar de poging inbraak en de inbraak hadden plaatsgevonden en dat het niet aannemelijk is geworden dat de verdachte op een later moment in het voertuig is ingestapt onder meer erop gelet dat de verdachte desgevraagd geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die het alternatieve scenario op enigerlei wijze enigszins aannemelijk kunnen maken. Met deze niet onbegrijpelijke vaststellingen heeft het hof het verweer – waarvan de kern is dat de verdachte niet op de delictslocaties is geweest – voldoende gemotiveerd verworpen.

Wat betreft de vaststelling door het hof dat de verdachte desgevraagd geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die het alternatieve scenario op enigerlei wijze enigszins aannemelijk kunnen maken, wijs ik nog op het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 juni 2023. Daaruit blijkt dat de verdachte is voorgehouden dat de andere verdachten niet hebben verklaard dat hij later is ingestapt, dat de verdachte op de vraag waarom hij destijds bij de politie er niets over heeft verklaard dat hij later is ingestapt heeft geantwoord “Dat is gewoon stom van mij” en dat de verdachte heeft verklaard: “U houdt mij voor dat ik zojuist heb verklaard dat wij via de telefoon een locatie hadden afgesproken en u houdt mij voor dat ik dat WhatsApp bericht aan de politie had kunnen laten zien. Ja, dat klopt. Ik heb dat bericht niet aan de politie laten zien. Ik heb dat bericht nu niet meer omdat ik inmiddels een nieuwe telefoon heb. Ik kan het bericht nu niet meer tonen.” Op grond van de verklaring van de verdachte heeft het hof vastgesteld dat de verdachte niet heeft verklaard waar en wanneer hij in het betreffende voertuig is gestapt en dat de verklaring van de verdachte over het Whatsappbericht bij gebreke aan dat bericht niet meer kan worden geverifieerd.

Uit hetgeen is opgenomen onder 3.8 en 3.9 volgt dat het hof van oordeel is dat de lezing van de verdediging dat de verdachte later in het voertuig zou zijn gestapt niet aannemelijk is geworden. Ook wat betreft de verwerping door het hof van dit alternatieve scenario is de motivering niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend, mede erop gelet dat de verdachte geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die het alternatieve scenario aannemelijk maken. Voor zover het alternatieve scenario indirect steunt op het standpunt van de verdediging dat vaststaat “dat cliënt persoon 1 niet kan zijn”, ligt de verwerping daarvan zoals uiteengezet onder 3.8 voldoende besloten in de door het hof gebezigde bewijsvoering. Het signalementsverweer doet ook overigens niet af aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat de verdachte de tenlastegelegde inbraken heeft gepleegd. Ook wanneer de verdachte ‘persoon 1’ waarschijnlijk niet is, betekent dit op zichzelf niet dat verdachte niet betrokken is geweest bij de feiten en doet dit ook niet af aan de begrijpelijkheid van het gemotiveerde oordeel van het hof dat verdachte de feiten heeft medegepleegd. Daarbij merk ik op dat in hoger beroep en trouwens ook in cassatie niet door de verdediging is aangevoerd dat de betrokkenheid van de verdachte – die de bestuurder van het voertuig was waarin de medeplegers en het inbrekersgereedschap zich bevonden – te gering was om als medeplegen te kunnen worden gekwalificeerd. Nu de in art. 359 lid 2 tweede volzin Sv voorgeschreven motiveringsplicht niet inhoudt dat op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan, was het hof ook niet gehouden tot een nadere motivering omtrent het signalement in relatie tot het alternatieve scenario.

De eerste twee middelen falen.

4. Het derde middel

Het derde middel bevat twee deelklachten. De eerste daarvan houdt in dat het hof ten onrechte naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een voorwaardelijke gevangenisstraf heeft opgelegd. In de tweede plaats klaagt de steller van het middel dat het hof niet heeft gereageerd op een door de verdediging gevoerd uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de overschrijding van de redelijke termijn.

Eerste deelklacht

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 juni 2023 houdt in:

“De voorzitter merkt op dat de verdachte in de onderhavige zaak 156 dagen in voorarrest heeft doorgebracht.”

Voor zover van belang voor de bespreking van de eerste deelklacht, luidt de strafmotivering van het hof als volgt:

“Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur - waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest - een passende en geboden reactie vormt. Aan het voorwaardelijk gedeelte van gevangenisstraf, zal het de hierna te noemen bijzondere voorwaarden verbinden, die minder uitgebreid zijn dan in eerste aanleg opgelegd en rekening houden met de vorderingen, die de verdachte in de afgelopen periode met behulp van Amsta heeft gemaakt.”

Het dictum van het bestreden arrest luidt:

“BESLISSING

[…] Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 156 (honderdzesenvijftig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.”

In het onderhavige geval levert het bewezenverklaarde meer dan één misdrijf op. Het hof heeft daarvoor in strijd met art. 57 lid 1 Sr in plaats van één vrijheidsstraf twee vrijheidsstraffen opgelegd, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van 156 dagen met aftrek van het voorarrest (dat volgens het hof eveneens 156 dagen is), en een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De eerste deelklacht slaagt. Vanwege het navolgende hoeft dat echter niet tot cassatie te leiden.

In onderling verband en samenhang bezien blijkt uit de onder 4.2 t/m 4.4 weergegeven overwegingen onmiskenbaar dat het hof heeft beoogd een deels onvoorwaardelijke en deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarvan het onvoorwaardelijke deel 156 dagen beloopt (gelijk aan de duur van het reeds ondergane voorarrest) en het voorwaardelijke deel 90 dagen met aftrek als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr. Gelet daarop meen ik dat de Hoge Raad het dictum zo kan verstaan dat de verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 246 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en aftrek als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr.

Tweede deelklacht

De pleitnota die de raadsvrouw tijdens de terechtzitting op 26 juni 2023 heeft overgelegd houdt onder meer het volgende in:

“Persoonlijke omstandigheden cq strafmaatverweer

[…] 40. Tijdsverloop. Zaken uit 2020.”

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 juni 2023 blijkt niet dat de verdediging tijdens de terechtzitting (aanvullende) opmerkingen over het tijdsverloop heeft gemaakt.

De strafmotivering luidt:

“Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een voltooide bedrijfsinbraak en twee pogingen tot bedrijfsinbraken. Bij de inbraak bij [B] is een geldbedrag weggenomen en bij alle drie de (pogingen tot) inbraken is flinke schade toegebracht. Door aldus te handelen heeft de verdachte een gebrek aan respect getoond voor andermans eigendommen. De verdachte en zijn mededaders hebben daar op geen enkele manier oog voor gehad, maar waren kennelijk uitsluitend uit op hun eigen financiële gewin.

Het hof heeft acht geslagen op onder meer het voortgangsverslag van de reclassering van 12 januari 2023 en het voortgangsverslag van Amsta van 19 juni 2023. Hieruit volgt dat de verdachte vanuit Amsta ondersteund wordt in zijn financiën, huisvesting en zijn psychosociaal functioneren. Ter terechtzitting in hoger beroep is eveneens naar voren gekomen dat de verdachte op verschillende leefgebieden orde op zaken aan het stellen is. Hij heeft twee banen en heeft - samen met zijn bewindvoerder - stappen gezet om zijn schuldenlast, die mede een aanleiding vormde voor het plegen van vermogensdelicten, te verlagen. Tevens is ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gekomen dat de verdachte weerbaarheidstherapie heeft gevolgd, hetgeen ertoe heeft geleid dat hij beter voor zichzelf kan opkomen.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 31 mei 2023, waaruit blijkt dat de verdachte niet alleen eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke en andersoortige strafbare feiten, maar dat de verdachte ook na 20 november 2020 nog is veroordeeld voor misdrijven.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest - een passende en geboden reactie vormt. Aan het voorwaardelijk gedeelte

van gevangenisstraf, zal het de hierna te noemen bijzondere voorwaarden verbinden, die minder uitgebreid zijn dan in eerste aanleg opgelegd en rekening houden met de vorderingen, die de verdachte in de afgelopen periode met behulp van Amsta heeft gemaakt.”

Vooropgesteld moet worden dat de rechter ambtshalve moet onderzoeken of inbreuk is gemaakt op het in art. 6 lid 1 EVRM omschreven recht op berechting binnen een redelijke termijn. De rechter dient in zijn uitspraak alleen in bepaalde gevallen blijkt te geven van dit onderzoek. Dat is onder meer het geval als ter terechtzitting door of namens de verdachte ter zake verweer is gevoerd, aangezien op een zodanig verweer een gemotiveerde beslissing dient te worden gegeven.

Ter bepaling van de omvang van de redelijke termijn gelden de volgende uitgangspunten. In eerste aanleg dient de zaak in beginsel binnen twee jaren te zijn afgerond met een eindvonnis nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. De termijn bedraagt in beginsel echter zestien maanden indien de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert en/of het jeugdstrafrecht is toegepast. Wat betreft de aanvang van de redelijke termijn in eerste aanleg is van belang dat onder meer de inverzekeringstelling van de verdachte als een handeling kan worden aangemerkt waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep geldt als uitgangspunt een termijn van twee jaren nadat het rechtsmiddel is ingesteld en van zestien maanden indien de verdachte in voorlopige hechtenis verkeert en/of het strafrecht voor jeugdigen is toegepast.

Het hof heeft het onder 4.8 aangevoerde kennelijk niet opgevat als een responsieplichtig verweer. Dat is niet onbegrijpelijk. Het verweer houdt slechts in dat sprake is van tijdsverloop en dat het gaat om zaken uit 2020. Dat sprake zou zijn van een schending van de redelijke termijn wordt niet gesteld. Evenmin wordt duidelijk gemaakt dat en op welke gronden het tijdsverloop problematisch zou zijn, of het daarbij gaat om het tijdsverloop in eerste aanleg, in hoger beroep of in beide fasen, en welk rechtsgevolg dat tijdsverloop zou moeten krijgen.

Overigens is van een schending van de redelijke termijn geen sprake. Uit het strafdossier blijkt dat de verdachte op 21 november 2020 in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft uitspraak gedaan op 22 juli 2021. Het hoger beroep is ingesteld op 3 augustus 2021 en het hof heeft op 10 juli 2023 uitspraak gedaan. Uit de stukken blijkt niet dat de verdachte bij ommekomst van zestien maanden in eerste aanleg en/of in hoger beroep in voorlopige hechtenis heeft verkeerd of dat hij in eerste aanleg en/of in hoger beroep in totaal meer dan zestien maanden in voorlopige hechtenis heeft verkeerd. Dit betekent dat de onder 4.12 genoemde termijn van twee jaren in beide feitelijke instanties van toepassing was. Zowel de rechtbank als het hof hebben binnen die termijn uitspraak gedaan. Een schending van de redelijke termijn doet zich hier dus niet voor. Zelfs indien het verweer responsieplichtig zou zijn geweest, had het hof het dus alleen maar kunnen verwerpen.

De tweede deelklacht faalt.

5. Afronding

Het eerste middel, het tweede middel en de tweede deelklacht van het derde middel falen. Alle kunnen worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO. De eerste deelklacht van het derde middel slaagt, maar dit hoeft niet tot cassatie te leiden, omdat het dictum verbeterd kan worden gelezen.

Ambtshalve merk ik op dat namens de verdachte op 20 juli 2023 beroep in cassatie is ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dat betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering naar de gebruikelijke maatstraf.

Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad zal verstaan dat de verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 246 dagen waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr en verder tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?