HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/03808
Datum 31 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 september 2023, nummer 21-002146-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat de afwijzing door het hof van het door de verdediging gedane verzoek tot het horen van [aangeefster] en [getuige 1] als getuigen, niet verenigbaar is met het door artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gewaarborgde recht op een eerlijk proces.
De verdachte is in hoger beroep onder meer veroordeeld voor de onder 1 tenlastegelegde mishandeling van [aangeefster] . De procesgang in deze zaak, de stukken, de bewezenverklaring en de bewijsvoering zijn, voor zover voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang, weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3 en 4. De procesgang houdt – kort samengevat – in dat de verdediging op de terechtzitting in hoger beroep van 8 september 2023 het verzoek heeft gedaan om [aangeefster] en [getuige 1] als getuigen te horen over de tenlastegelegde mishandeling. De aan het proces-verbaal van die zitting gehechte pleitnota houdt daarover in:
“Mishandeling
Vrijspraak
Ten aanzien van de mishandeling heb ik wat meer opmerkingen.
- Cliënt ontkent dat hij [aangeefster] geslagen heeft.
- Getuige [getuige 1] ziet een ‘schermutseling’ en hij zag dat cliënt iets in het water gooide. Wat hij concreet mee bedoelt met schermutseling wordt niet duidelijk.
- [getuige 2] verklaart dat zij een woordenwisseling hoorde en dat zij cliënt een zag beweging maken alsof hij iets weggooide.
- Aangeefster verklaart: ‘Ik voelde dat hij met de vlakke hand tegen mijn achterhoofd en mijn linkeroor kwam. Dit deed mij erg pijn’. Er zitten twee foto’s in het dossier.
Voldoende steunbewijs voor aangifte?
Het is merkwaardig dat getuigen [getuige 1] en [getuige 2] het gooien wel duidelijk hebben waargenomen, maar dat zij dan niet een klap tegen het hoofd hebben gezien. De enige die verklaart over het slaan/stompen is [aangeefster] . Ter ondersteuning van die verklaring laat zij twee foto’s opnemen in het dossier.
Onvoldoende steunbewijs
Het letsel kan een andere oorzaak hebben dan een geweldshandeling en biedt dus onvoldoende steun voor de aangifte. Eerst wil ik al zeggen over dat rode oor dat ik echt betwijfel in hoeverre er nou echt sprake is van een verkleuring, aangezien de foto op blz. 6 een heel andere belichting heeft dan de foto op blz. 5. Bovendien, het rode oor - als dat er al is - kan ook door andere oorzaken zijn veroorzaakt, bijvoorbeeld door kou of stress. Als de persoon van mijn cliënt - een getraind vechter en kickbokser - een klap had uitgedeeld, dan had het letsel er vermoedelijk wel heftiger uitgezien.
Gelukkig voor aangeefster is dat niet het geval, maar daarmee kan ook niet worden uitgesloten dat het “letsel” is ontstaan door een andere oorzaak. Het letsel past wat mij betreft niet zonder meer bij de verklaring van aangeefster, want het lijkt me sterk dat een oor na één klap er dan zo uitziet.
Daarnaast, als we kijken naar andere steun voor de aangifte dan het letsel, de getuigenverklaring van [getuige 1] , die door de politierechter is gebezigd voor het bewijs, is onvoldoende specifiek voor de tenlastegelegde mishandeling. Hij ziet een ‘schermutseling’, wat dat dan ook moge wezen. Hij ziet wel dat cliënt de telefoon in het water gooit, maar hij zou dan niet zien dat cliënt aangeefster slaat. Dat is toch merkwaardig. Als je één zwaai met de arm, die een telefoon het water ingooit, kunt waarnemen, dan zou je toch zeggen dat diezelfde ogen ook een zwaai met de arm, die tegen het hoofd van aangeefster aanslaat, zou moeten kunnen waarnemen?
Alternatief scenario
Stel dat het oor wel rood is en dat dat komt door een handeling van cliënt, is dit niet door een handeling waarbij cliënt opzet had op het toebrengen van pijn, immers, cliënt verklaart dat hij het oor van aangeefster mogelijk heeft geraakt toen hij haar telefoon afpakte. Ook in dat scenario kan het rode oor zich hebben gemanifesteerd, maar in dat geval heeft client geen opzet gehad. Ook in dit scenario past de verklaring van [getuige 1] , aangezien hij het heeft over een schermutseling; hij kan gezien hebben dat cliënt probeerde de telefoon van aangeefster af te pakken. Hij ziet immers een schermutseling en daarna ziet [getuige 1] dat cliënt iets in het water gooide.
Als cliënt bij dat handelen het oor van aangeefster heeft geraakt, kan mijns inziens niet worden gesteld dat cliënt met dat handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangeefster pijn zou hebben. Als je iemands telefoon uit de hand grist die hij/zij bij het oor houdt, is de kans niet aanmerkelijk dat diegene daardoor pijn krijgt. Bovendien was het doel van cliënt een andere, namelijk de telefoon afpakken, dus dat biedt een contra-indicatie dat hij die aanmerkelijke kans - die dus wat mij betreft niet aanmerkelijk is - bewust heeft aanvaard. Daarbij wijs ik nog op een arrest van het gerechtshof Amsterdam, waarin het hof overweegt dat er bijvoorbeeld bij getrek aan en om een deken sprake kan zijn geweest van een onhandige, afwerende beweging van de verdachte; waardoor opzet op mishandeling niet bewezen kan worden (GHAMS:2014:1795).
De lezing van cliënt over de mogelijke oorzaak van de verkleuring is niet minder aannemelijk dan de door aangeefster geschetste gang van zaken en de getuigenverklaring van [getuige 1] past in beide scenario's. In het scenario van cliënt kan opzet niet bewezen worden, dus dient vrijspraak te volgen.
Voorwaardelijk verzoek
Als u komt tot een bewezenverklaring waarbij de verklaring van aangeefster en [getuige 1] voor het bewijs worden gebruikt, dan doe ik het voorwaardelijke verzoek om aangeefster [aangeefster] en getuige [getuige 1] als getuige te horen. Zij hebben allebei een belastende verklaring afgelegd, waarbij het belang van de verdediging in beginsel moet worden verondersteld. Ik merk op dat ik aangeefster onder andere nader zou willen bevragen over de door haar genoemde geweldshandeling en ik zou [getuige 1] onder andere nader willen bevragen over waar hij stond tijdens zijn waarneming, wat hij vanaf daar wel en niet heeft gezien/heeft kunnen zien en wat hij bedoelt met schermutseling.”
Dat proces-verbaal houdt verder in:
“De voorzitter merkt op, zakelijk weergegeven:
Waarom heeft u dit voorwaardelijke verzoek niet eerder ingediend?
De raadsvrouw deelt mede, zakelijk weergegeven:
Vrijspraak was hoe dan ook aangewezen.”
Het hof heeft het verzoek tot het horen van [aangeefster] en [getuige 1] als getuigen afgewezen. Het hof heeft deze afwijzing als volgt gemotiveerd:
“Voorwaardelijk verzoek verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting ten behoeve van het horen van getuigen indien het hof overgaat tot een veroordeling. Zij verzoekt in dat geval tot het horen van het slachtoffer [aangeefster] en de getuige [getuige 1] door de raadsheer-commissaris. Beiden hebben een voor verdachte belastende verklaring afgelegd, waardoor het verdedigingsbelang kan worden verondersteld. Het slachtoffer wenst zij nadere vragen te stellen over de genoemde geweldshandeling en getuige [getuige 1] over waar hij stond tijdens de handeling, wat hij precies wel en niet heeft kunnen zien en waar hij precies op doelt met ‘schermutseling’.
Het verzoek dient, anders dan het door de verdediging veronderstelde verdedigingsbelang, getoetst te worden aan het noodzakelijkheidscriterium. Dit aangezien er niet binnen twee weken na het instellen van het hoger beroep een appelschriftuur is ingediend, waarin een verzoek is neergelegd of de mogelijkheid om in een later stadium een verzoek in te dienen is voorgehouden.
Het hof wijst het voorwaardelijke verzoek af. Gelet op de zeer beperkte onderbouwing door de verdediging en de voorhanden processtukken die voldoende duidelijk zijn ontbreekt de noodzaak tot het horen van de getuigen. Het hof acht het horen van de getuigen niet noodzakelijk met oog op de volledigheid van het onderzoek.
Bovendien had in een eerder onderzoeksfase verzocht moeten worden tot het horen van de getuigen. Door het verzoek pas bij de zitting ter inhoudelijke behandeling in te dienen levert strijd op met de procesorde. Dat in voldoende mate de mogelijkheid heeft bestaan tot het indienen van onderzoekswensen blijkt uit het onderstaande. Op 20 mei 2022 is de zaak, in aanwezigheid van de raadsvrouw, behandeld door de politierechter. Op 23 mei 2022 is door de gevolmachtigde hoger beroep ingesteld waarbij geen appelschriftuur met mogelijke onderzoekswensen is ingediend. Dit is ook niet in een later stadium gebeurd. In hoger beroep is de zaak op 10 oktober 2022 op een rolzitting behandeld, waarbij de raadsvrouw onderzoekswensen moest opgeven maar heeft volstaan met een toelichting op het doel van het hoger beroep. Vervolgens is de zaak op verzoek van de verdediging aangehouden op 20 januari 2023 en 23 mei 2023 wegens respectievelijk verhindering van de raadsman en ziekte van de verdachte. Daarbij heeft telkens de verdediging per e-mail contact gelegd, maar geen onderzoekswensen ingediend. Ook in aanloop naar de inhoudelijke behandeling op 8 september 2023 zijn door de verdediging geen verzoeken ingediend. De raadsvrouw heeft, gevraagd naar de reden waarom zij pas aan het slot van haar pleidooi in hoger beroep voor het eerst met de (voorwaardelijke) onderzoekswensen is gekomen, daarvoor geen aannemelijke verklaring gegeven. Het hof is van oordeel dat de rechtspraak van het EHRM (EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16 (Keskin tegen Nederland)) en in navolging daarvan de Hoge Raad over het horen van belastende getuigen onder deze omstandigheden niet in de weg staan aan de afwijzing van het voorwaardelijke verzoek.
Bij deze stand van zaken oordeelt het hof dat het voorwaardelijke verzoek moet worden afgewezen.”
Het hof heeft het verzoek van de verdediging tot het horen van [aangeefster] en [getuige 1] als getuigen bij arrest afgewezen omdat de noodzaak daartoe ontbreekt. Daartoe heeft het hof onder meer overwogen dat de verdediging het verzoek zeer beperkt heeft onderbouwd en dat de voorhanden processtukken voldoende duidelijk zijn. Het hof heeft verder bij die afwijzing betrokken dat de verdediging in een eerdere onderzoeksfase – bij het indienen van de appelschriftuur, tijdens de rolzitting of in samenhang met eerdere aanhoudingsverzoeken – had moeten verzoeken tot het horen van de getuigen en niet pas bij de inhoudelijke behandeling.
Dit oordeel van het hof is niet zonder meer begrijpelijk. Aan het verzoek is immers ten grondslag gelegd dat de verdachte, zoals blijkt uit het onder 2.2.1 weergegeven verweer, het onder 1 tenlastegelegde betwist en dat de eerder afgelegde verklaringen van [aangeefster] en [getuige 1] een belastende strekking hebben. Daarbij is onder meer van belang dat de rechtbank en het hof de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde hebben aangenomen mede op grond van die door de verdachte betwiste verklaringen zonder dat de verdediging deze getuigen heeft kunnen ondervragen, terwijl het hof niet ervan blijk heeft gegeven te hebben nagegaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces (vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576).
In verband met wat het hof heeft overwogen over de tijdigheid van het verzoek is van belang dat de stukken niets inhouden waaruit kan worden afgeleid dat a) de verdediging desgevraagd uitdrukkelijk heeft gesteld geen getuigenverzoeken (meer) te hebben, of dat b) aan de verdediging in een eerder stadium van de appelfase uitdrukkelijk is gevraagd of zij onderzoekswensen had waarbij er op dat moment duidelijk op is gewezen dat het niet-opgeven van dergelijke wensen zou worden opgevat als het niet hebben van die wensen, en op die vraag door de verdediging niet is gereageerd (vgl. HR 14 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1519, rechtsoverweging 3.4 tot en met 3.7.3). Ook in zoverre is het oordeel van het hof niet begrijpelijk.
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging, in welke vernietiging niet is begrepen de aan de verdachte wegens het onder 2 bewezenverklaarde opgelegde schadevergoedingsmaatregel;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 maart 2026.