HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/01880
Datum 27 maart 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: de vrouw,
advocaat: C.S.G. Janssens,
tegen
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de man,
advocaat: M.W. van der Heijden.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikkingen in de zaken C/13/719372 / FA RK 22-3940 en C/13/729099 / FA RK 23-743 van de rechtbank Amsterdam van 4 september 2023 en 14 maart 2024;
b. de beschikkingen in de zaak 200.342.522/01 van het gerechtshof Amsterdam van 18 februari 2025 en 18 maart 2025.
De vrouw heeft tegen de beschikking van het hof van 18 februari 2025 beroep in cassatie ingesteld.
De man heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van de vrouw heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
In deze procedure hebben partijen, die in 2018 met elkaar zijn gehuwd, echtscheiding verzocht met nevenvoorzieningen.
Voor zover in cassatie van belang heeft de rechtbank bij tussenbeschikking de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de man toegelaten tot bewijslevering in het kader van twee nevenverzoeken van de man. De rechtbank heeft bij eindbeschikking van 14 maart 2024 geoordeeld dat de man niet is geslaagd in de bewijsopdrachten en zijn verzoeken afgewezen.
De man heeft tegen de eindbeschikking hoger beroep ingesteld. Hij heeft daartoe op 13 juni 2024 per gewone (onbeveiligde) e-mail een beroepschrift aan de griffie van het hof gestuurd. Het hof (de griffie) heeft de papieren versie van het beroepschrift per post ontvangen op 17 juni 2024.
Na een mondelinge behandeling over de vraag of de man tijdig hoger beroep heeft ingesteld, heeft het hof de man ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft het, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen.
“3.4 (…) De bestreden beschikking dateert van 14 maart 2024. Hiertegen had de man, die in eerste aanleg de inleidende verzoeker was, uiterlijk op 14 juni 2024 (…) hoger beroep moeten instellen. De man heeft zijn beroepschrift op 13 juni 2024 per gewone mail aan de griffie van het hof toegezonden. De papieren versie van het beroepschrift is per post door de griffie van het hof ontvangen op 17 juni 2024, dus na het verstrijken van de beroepstermijn.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad zijn rechtsmiddelentermijnen van openbare orde en moeten deze door de rechter ambtshalve worden toegepast. In het belang van een goede rechtspleging moet duidelijkheid bestaan omtrent het tijdstip waarop een termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel aanvangt en eindigt. Aan rechtsmiddeltermijnen dient dan ook strikt de hand te worden gehouden.
In artikel 1.1.4 van het toepasselijke Procesreglement (13e versie, Stcrt. 2023, 32702) staat een uitputtende lijst van manieren waarop processtukken en berichten bij het hof kunnen worden ingediend. Eén van de vier genoemde manieren betreft het indienen van processtukken via Veilig Mailen. In het geval van toezending via Veilig Mailen moet het beroepschrift met eventuele bijlage(n) direct per post aan de griffie worden nagezonden of afgegeven aan de Centrale Balie van het hof, onder de uitdrukkelijke vermelding dat het reeds eerder via Veilig Mailen ingediende stukken betreft. De andere drie manieren van indienen zijn per post, afgifte aan de Centrale Balie en indiening ter zitting. Indiening van procestukken of berichten op een andere wijze dan in het artikel beschreven is niet toegestaan.
De wijze waarop de man zijn beroepschrift heeft toegezonden aan de griffie, per gewone mail, staat niet opgenomen in het Procesreglement en kan niet worden aangemerkt als een geldige wijze van indienen. De man heeft weliswaar het processtuk per post aan de griffie van het hof nagezonden, maar dit stuk is pas op 17 juni 2024 door het hof ontvangen. Zoals hiervoor bij punt 3.4 beschreven, verstreek de beroepstermijn op 14 juni 2024.
(…)
Wel stelt het hof ambtshalve vast dat vóór 1 juli 2024 een eenduidige handelwijze ter zake van processtukken die per gewone mail aan de griffie van team familie- en jeugdrecht werden toegezonden ontbrak. In sommige gevallen werden die stukken immers aanvaard in weerwil van de geldende regeling. Onder die omstandigheden is het hof in redelijkheid van oordeel dat in dit concrete geval niet-ontvankelijkheid in deze zaak een te zware sanctie is.
Het hof concludeert dat de man kan worden ontvangen in het door hem ingestelde beroep tegen de bestreden beschikking.”
3. Beoordeling van het middel
Onderdeel 1.1 van het middel klaagt dat het hof met zijn oordeel in rov. 3.9-3.10 heeft miskend dat beroepstermijnen van openbare orde zijn en dat aan de toepassing daarvan strikt de hand moet worden gehouden. De rechter heeft geen discretionaire bevoegdheid ten aanzien van de toepassing van de zwaarte van de sanctie, noch kan hij (de gevolgen van) de beslissing over de ontvankelijkheid op grond van de redelijkheid mitigeren. Nu geen sprake is van een apparaatsfout heeft het hof de man ten onrechte niet niet-ontvankelijk verklaard, aldus het onderdeel.
In dit geval heeft de man het beroepschrift met de gronden tijdig, dus binnen de appeltermijn, ingediend bij het hof. Het beroepschrift is evenwel op gebrekkige wijze ingediend omdat het per gewone (onbeveiligde) e-mail is ingediend en niet per beveiligde e-mail (‘Veilig Mailen’) zoals voor de indiening van processtukken per e-mail is voorgeschreven in het in deze zaak toepasselijke procesreglement.
Uitgangspunt in een dergelijk geval is dat de rechter de indienende partij in de gelegenheid stelt om dit gebrek te herstellen door binnen een door de rechter te bepalen termijn hetzelfde beroepschrift alsnog via Veilig Mailen in te dienen. Maakt de indienende partij van deze gelegenheid geen gebruik, dan kan de rechter haar niet-ontvankelijk verklaren. De rechter kan evenwel in een geval als dit in de omstandigheid dat het alsnog indienen van het beroepschrift via Veilig Mailen geen zinvol herstel is van het eerdere onbeveiligd mailen, aanleiding zien om deze herstelmogelijkheid achterwege te laten en de indienende partij zonder herstel ontvankelijk te verklaren. Het voorgaande strookt met het sinds 1 juli 2025 geldende art. 33 lid 6 Rv, dat een algemene herstelmogelijkheid in geval van elektronisch procederen behelst.
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2 is overwogen, faalt onderdeel 1.1.
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 27 maart 2026.