HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/04461 B
Datum 7 april 2026
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 26 november 2024, nummer RK 24/022241, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de klager.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft de advocaat L.E.G. van der Hut bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank, en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Midden-Nederland, teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.
2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van de rechtbank dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de inbeslaggenomen motorfiets zal worden verbeurdverklaard.
De rechtbank heeft het klaagschrift van de klager dat strekt tot teruggave van de onder hem inbeslaggenomen motorfiets ongegrond verklaard en daartoe onder meer overwogen:
“Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken:
1. onder klager is op 23 augustus 2024 op de voet van artikel 94 Sv in beslag genomen: een motor, BMW F 900 Xr met [kenteken] ;2. klager heeft geen afstand gedaan van hetgeen in beslag is genomen;3. klager heeft gesteld rechthebbende te zijn van hetgeen in beslag is genomen;4. het beslag is gelegd in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen de bestuurder van de motor op 23 augustus 2024 als verdachte.
(...)
De raadkamer stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de raadkamer niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofd- of ontnemingszaak te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, doorgaans nog niet compleet is. Daarnaast moet worden voorkomen dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of ontnemingszaak te geven oordeel. Het beperkte karakter van de beklagprocedure komt tot uitdrukking in enkele van de aan te leggen toetsingsmaatstaven (Hoge Raad 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654).
(...)
Maatstaf bij de beoordeling van het onderhavige klaagschrift is of het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van in beslag genomen voorwerp. Nu beslag is gelegd op de voet van artikel 94 Sv is daarbij in dit geval van belang of het voortduren van het beslag nodig is voor het aan de dag brengen van de waarheid in een strafzaak, het voortduren van het beslag nodig is voor het aantonen van het wederrechtelijk verkregen voordeel en/of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het voorwerp zal verbeurd verklaren of onttrekken aan het verkeer.
Gelet op de aard van de overtredingen (met name het met hoge snelheid op een fietspad rijden), is het niet hoogst onwaarschijnlijk dat een verbeurdverklaring van de motor zal volgen, al dan niet met een compensatie op grond van artikel 33c Sr.
Op grond van het feit dat klager geen medewerking wilde verlenen aan de politie kan de later oordelende rechter mogelijk concluderen dat klager wilde verhullen dat hij de aanmerkelijke kans aanvaardde dat de motor zou worden gebruikt voor strafbare feiten.
Ten slotte is mogelijk dat de motor, ondanks de registratie op klagers naam, toebehoorde aan de bestuurder.
De raadkamer is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag.
Naar het oordeel van de raadkamer is hetgeen namens klager is aangevoerd onvoldoende om aan te nemen dat voortduring van het beslag niet in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De belangen van klager wegen op dit moment niet op tegen het strafvorderlijk belang bij voortduring van het beslag.
Het beklag zal daarom ongegrond worden verklaard.”
Artikel 33a lid 1, aanhef en onder b, en lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt:
“1. Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn:
(...)
b. voorwerpen met betrekking tot welke het feit is begaan.
(...)
2. Voorwerpen als bedoeld in het eerste lid onder a tot en met e die niet aan de veroordeelde toebehoren kunnen alleen verbeurd worden verklaard indien:
a. degene aan wie zij toebehoren bekend was met hun verkrijging door middel van het strafbare feit of met het gebruik of de bestemming in verband daarmede, dan wel die verkrijging, dat gebruik of die bestemming redelijkerwijs had kunnen vermoeden, of
b. niet is kunnen worden vastgesteld aan wie zij toebehoren.”
De rechtbank heeft vastgesteld dat onder de klager op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) beslag is gelegd op de in het klaagschrift genoemde motorfiets. Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene dat is gericht tegen een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv, moet de rechter a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert en, zo nee, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het belang van strafvordering vordert onder meer het voortduren van het beslag als niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen.
Aan het hanteren van het criterium of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter tot verbeurdverklaring overgaat, ligt ten grondslag dat het onderzoek in raadkamer doorgaans plaatsvindt op een moment dat het onderzoek nog loopt, dus voordat de strafzaak inhoudelijk wordt behandeld. Daarbij heeft het onderzoek in raadkamer een summier karakter, waarbij de beoordeling van het beklag plaatsvindt op grond van de informatie die op dat moment voorhanden is over de strafzaak. De rechter die oordeelt over het beklag, kan slechts in zeer beperkte mate vooruitlopen op de beslissingen die zullen worden genomen in de strafzaak. (Vgl. HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128, rechtsoverweging 2.3.)
De rechtbank heeft vastgesteld dat de motorfiets is inbeslaggenomen in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar de onbekende bestuurder van die motorfiets ter zake van een verdenking van onder meer het met hoge snelheid op een fietspad rijden met die motorfiets. Daarnaast ligt in de onder 2.2 weergegeven overwegingen als oordeel van de rechtbank besloten dat de klager, onder wie de motorfiets diezelfde nacht nog werd aangetroffen, door geen medewerking te verlenen aan de politie vooralsnog kennelijk heeft willen voorkomen dat nader onderzoek zou worden gedaan ten aanzien van de vraag of de klager bekend was met het gebruik van de motorfiets voor het strafbare feit, dan wel dat gebruik redelijkerwijs had kunnen vermoeden, terwijl niet is uitgesloten dat deze bekendheid of dat vermoeden uit nader onderzoek zal volgen.
Het mede op deze – niet onbegrijpelijke – vaststellingen en overwegingen gebaseerde oordeel van de rechtbank dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter de verbeurdverklaring van de motorfiets op grond van artikel 33a lid 2 Sr zal bevelen is, mede in het licht van wat hiervoor onder 2.4.2 is vooropgesteld, toereikend gemotiveerd.
Het cassatiemiddel faalt in zoverre. Dat brengt mee dat bespreking van de klacht over het kennelijke oordeel van de rechtbank dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter de motorfiets zal verbeurdverklaren op grond van artikel 33a lid 1 Sr, omdat “mogelijk” is dat de motorfiets toebehoorde aan de bestuurder, niet nodig is.
3. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 april 2026.