HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/00560
Datum 10 april 2026
ARREST
In de zaak van
EG RETAIL (NETHERLANDS) B.V.,
gevestigd te Breda,
EISERES tot cassatie,
hierna: huurster,
advocaten: P.A. Fruytier en J.P. Jas,
tegen
[verhuurster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: verhuurster,
advocaten: J.H.M. van Swaaij en R.J. ter Rele.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak 10240922 \ CV EXPL 22-6888 van de rechtbank Noord-Nederland van 28 februari 2023 en 5 september 2023;
b. het arrest in de zaak 200.336.315/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 november 2024.
Huurster heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Verhuurster heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De advocaten van huurster hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van het middel
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt EG Retail (Netherlands) B.V. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verhuurster] B.V. begroot op € 905,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien EG Retail (Netherlands) B.V. deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren S.J. Schaafsma, F.R. Salomons, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 10 april 2026.