HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/00562 H
Datum 14 april 2026
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 1 augustus 2017, nummer 18-930249-15, ingediend door de advocaten N. van Schaik en H. Brentjes,
namens
[aanvraagster] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de aanvraagster.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De rechtbank heeft de aanvraagster veroordeeld voor ‘opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken, meermalen gepleegd’ tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand en een taakstraf van 120 uren.
2. De aanvraag tot herziening
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). In de aanvraag wordt daartoe in de kern aangevoerd dat sprake is van het ernstige vermoeden dat de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou hebben verklaard in de vervolging van de aanvraagster – zoals het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden deed in de uitspraak in de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: de medeverdachte) die is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2024:7367 – als de rechtbank bekend was geweest met wat is gebleken bij de behandeling van die zaak in hoger beroep over de vormverzuimen in verband met de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 2] .
3. De conclusie van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot afwijzing van de aanvraag tot herziening.
De raadslieden van de aanvraagster hebben daarop schriftelijk gereageerd.
4. Waar het in deze zaak om gaat
De conclusie van de advocaat-generaal houdt als beschrijving van de achtergrond van de aanvraag in:
“4. De zaak van de aanvraagster is één van de strafzaken die het Openbaar Ministerie startte op basis van het opsporingsonderzoek ‘Maggiora’. Dit onderzoek richtte zich op de internationale handel in cocaïne, de exploitatie van een amfetamine- en/of MDMA-laboratorium en het witwassen van de opbrengsten. Het Openbaar Ministerie stelde vervolging in tegen in totaal acht verdachten. Op 1 augustus 2017 deed de rechtbank Noord-Nederland uitspraak in dit cluster strafzaken en werd de aanvraagster veroordeeld. Zij ging niet in hoger beroep en haar veroordeling werd onherroepelijk. In het hoger beroep van vijf voormalige medeverdachten deed het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof) op 28 november 2024 uitspraak.
5. In de uitspraak waarvan herziening wordt aangevraagd, baseerde de rechtbank de veroordeling van de aanvraagster mede op de verklaringen van [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] is in het onderzoek Maggiora een van de voormalige medeverdachten van de aanvraagster. Nadat [medeverdachte 2] op 18 september 2015 was aangehouden, beriep hij zich aanvankelijk bij verschillende verhoren op zijn zwijgrecht. Vanaf 14 oktober 2015 legde hij bekennende verklaringen af, waarbij hij tevens belastend verklaarde over de medeverdachten in het onderzoek. Ook [medeverdachte 2] werd op 1 augustus 2017 veroordeeld door de rechtbank Noord-Nederland. De officier van justitie [naam 1] (hierna ook: de zaaksofficier) had bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaken in zijn requisitoir benadrukt dat er geen sprake was van een deal met [medeverdachte 2] .
6. Op [datum] 2019 zond het nieuws- en actualiteitenprogramma [...] op tv een reportage uit waaraan [medeverdachte 2] meewerkte en waarin [medeverdachte 2] vertelde dat hij contacten had gehad met het Openbaar Ministerie over een deal in het kader van het onderzoek Maggiora. Het hof heeft in het hoger beroep van de medeverdachten van de aanvraagster vervolgens nader onderzoek verricht naar de contacten tussen het Openbaar Ministerie en [medeverdachte 2] met betrekking tot (afspraken over) zijn verklaringen bij de politie en in het strafproces. Het proces in hoger beroep is in alle vijf de strafzaken van het onderzoek Maggiora geëindigd in de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de betreffende verdachte. Tegen deze uitspraken heeft het Openbaar Ministerie géén cassatieberoep ingesteld.”
Bij de behandeling van de zaak tegen de medeverdachte door het hof is naar voren gekomen dat in de periode waarin [medeverdachte 2] zich in voorarrest bevond in verband met de zaak Maggiora, met hem ook gesprekken zijn gevoerd (aangeduid als ‘het TBG-traject’ (de Hoge Raad begrijpt: Team Bijzondere Getuigen)) om te bezien of [medeverdachte 2] kroongetuige kon worden in een aantal andere zaken, onder meer betreffende levensdelicten. Daarbij is aanvankelijk ook onderzocht of een verband kon worden gelegd met de zaak Maggiora, zodat (naar de Hoge Raad begrijpt: na uitbreiding van de tenlastelegging) in die zaak met [medeverdachte 2] een afspraak als bedoeld in artikel 226g lid 1 Sv gemaakt zou kunnen worden. Deze gesprekken hebben ertoe geleid dat [medeverdachte 2] in het TBG-traject kluisverklaringen heeft afgelegd. Een afspraak met [medeverdachte 2] overeenkomstig artikel 226g lid 1 of 226k Sv is niet tot stand gekomen. De kluisverklaringen zijn dus geheim gebleven, en vormen geen onderdeel van een (nieuwe) strafzaak. De verklaringen die [medeverdachte 2] in dezelfde periode heeft afgelegd over de zaak Maggiora zijn aan het dossier in die zaak toegevoegd.
Het hof heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar de totstandkoming van de belastende verklaringen die [medeverdachte 2] heeft afgelegd over zijn medeverdachten in de zaak Maggiora en naar de verdere contacten tussen [medeverdachte 2] en het openbaar ministerie. In dat onderzoek door het hof is onder meer de officier van justitie in de zaak Maggiora op de terechtzitting van 13 oktober 2022 als getuige gehoord, waarna op 23 januari 2023 de opname van het gesprek van 14 oktober 2015 tussen [medeverdachte 2] en onder anderen de zaaksofficier van justitie woordelijk is uitgewerkt en aan het dossier is toegevoegd. Ook zijn in het onderzoek van het hof door politieambtenaren nader opgemaakte processen-verbaal aan het dossier toegevoegd over het verwijderen van een verklaring van [medeverdachte 2] uit het (digitale) systeem van de politie, het in verband daarmee hernummeren van één of meer processen-verbaal met een verklaring van [medeverdachte 2] en het opnieuw door hem ondertekenen van een verklaring. Daarnaast zijn over de gang van zaken diverse getuigen gehoord door de raadsheer-commissaris, onder wie [medeverdachte 2] zelf op 27 januari, 16 en 17 februari 2023, de officier van justitie van het landelijk parket die op enig moment de leiding over het TBG-traject kreeg op 20 februari 2023 en de rechercheofficier van het arrondissementsparket Noord-Nederland op 27 mei 2024. Op de terechtzitting van het hof van 3, 6 en 10 juni 2024 zijn onder anderen de officier van justitie van het landelijk parket die op enig moment de leiding over het TBG-traject kreeg en de zaaksofficier van justitie nogmaals als getuigen gehoord. De zaaksofficier van justitie is bij de inhoudelijke behandeling op de terechtzitting van 16, 17, 20, 23 en 24 september 2024 opnieuw door het hof als getuige gehoord. Ook zijn interne aantekeningen (mutaties uit het journaal van het TBG en mutaties uit het journaal van het arrondissementsparket Noord-Nederland) en e-mails van het landelijk parket over het traject rond de door [medeverdachte 2] afgelegde kluisverklaringen toegevoegd aan het dossier in de zaak van de medeverdachte.
5. Beoordeling van de aanvraag
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, volgens artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv alleen dienen een met stukken onderbouwd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat, als dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie.
De aanvraag is gebaseerd op als ‘nova’ aangeduide stukken die grotendeels zijn ontleend aan de behandeling in hoger beroep die heeft geleid tot voormeld arrest van het hof. Op grond van deze stukken, waarvan de inhoud samengevat is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 9, wordt in de aanvraag, kort gezegd, aangevoerd dat sprake is van de volgende vormverzuimen. (i) De verbaliseringsplicht van artikel 226g lid 4 Sv is geschonden en het openbaar ministerie heeft bewust de waarheidsvinding gefrustreerd, omdat van het gunstbetoon waarvan blijkt uit de woordelijke uitwerking van het gesprek dat [medeverdachte 2] had met onder anderen de zaaksofficier van justitie op 14 oktober 2015 geen proces-verbaal bij de stukken is gevoegd, en omdat een proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] , waaruit bleek van dit gesprek, uit het door de politie voor dossiervorming gebruikte systeem is verwijderd, met aanpassing van de nummering van één of meer processen-verbaal.(ii) Het openbaar ministerie is niet transparant geweest tegenover de verdediging en de rechter over toezeggingen die aan [medeverdachte 2] zijn gedaan door de officier van justitie van het landelijk parket belast met getuigenbescherming over de strafeis in de zaak Maggiora, over de manier waarop [medeverdachte 2] de in die zaak opgelegde straf mocht uitzitten en over de aan die toezeggingen verbonden voorwaarden – te weten dat [medeverdachte 2] moest blijven meewerken in de zaak Maggiora en dat hij niet mocht verklaren over de contacten die hij met het openbaar ministerie had in het kader van de verklaringen die hij aflegde. (iii) Door de verklaringen van [medeverdachte 2] toe te voegen aan het dossier Maggiora heeft het openbaar ministerie wettelijke voorschriften met betrekking tot afspraken met (mede)verdachten omzeild die mede strekken tot bescherming van de belangen van de aanvraagster. Zo heeft de verdediging [medeverdachte 2] niet over zijn op grond van toezeggingen tot stand gekomen verklaringen kunnen ondervragen, omdat hij zich bij zaaksinhoudelijke vragen grotendeels op zijn verschoningsrecht beriep.
In de aanvraag in de zaak van de aanvraagster wordt gesteld dat de toetsing van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 2] door de verdediging en de rechtbank niet heeft kunnen plaatsvinden en dat, omdat het ook in hoger beroep in de zaak tegen de medeverdachte lang heeft geduurd voordat enig inzicht is verkregen in de gang van zaken rondom de totstandkoming van de verklaringen van [medeverdachte 2] , de waarheidsvinding door het openbaar ministerie is belemmerd en onmogelijk gemaakt. Door tijdsverloop zijn inmiddels de mogelijkheden voor de verdediging om kritische vragen te stellen aan de betrokken getuigen ernstig beperkt. Daarom compenseert de in hoger beroep bekend geworden informatie de gebreken in het handelen van het openbaar ministerie onvoldoende. Volgens de aanvraag heeft al met al in de zaak van de aanvraagster geen sprake kunnen zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Dit moet volgens de aanvraagster tot het oordeel leiden dat het ernstige vermoeden bestaat dat de rechtbank in de zaak van de aanvraagster het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou hebben verklaard in de vervolging als de rechtbank op de hoogte was geweest van de door de aanvraagster aangeleverde informatie.
In zijn arrest van 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889 heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:
“2.5.1 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, rechtsoverweging 3.6.5 de volgende maatstaf geformuleerd met betrekking tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie:
“Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.”
De Hoge Raad verduidelijkt de toepassing van deze maatstaf als volgt. De strekking van deze maatstaf is dat in het geval dat een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging plaatsvindt. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – “the proceedings as a whole were not fair”. In het zeer uitzonderlijke geval dat op deze grond de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging in beeld komt, hoeft echter niet – in zoverre stelt de Hoge Raad de eerder gehanteerde maatstaf bij – daarnaast nog te worden vastgesteld dat de betreffende inbreuk op het recht op een eerlijk proces doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte heeft plaatsgevonden. Aanleiding voor niet-ontvankelijkverklaring op deze grond kan bijvoorbeeld bestaan in het geval dat de verdachte door een opsporingsambtenaar dan wel door een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, is gebracht tot het begaan van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd, terwijl zijn opzet tevoren niet al daarop was gericht (vgl. HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0655), of waarin gedragingen van politie en justitie ertoe hebben geleid dat de waarheidsvinding door de rechter onmogelijk is gemaakt (vgl. HR 8 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1239).
In gevallen waarin zich een of meerdere vormverzuimen hebben voorgedaan die aanvankelijk het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van de zaak in het gedrang hebben gebracht, maar die in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen, biedt de onder 2.5.2 besproken maatstaf in beginsel geen ruimte voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. Het is echter niet uitgesloten, zoals onder 2.3.4 is overwogen, dat in zo’n geval strafvermindering ter compensatie van het daadwerkelijk ondervonden nadeel plaatsvindt.”
De stukken die aan de aanvraag ten grondslag zijn gelegd, wekken het ernstige vermoeden dat het openbaar ministerie heeft verzuimd van het aan [medeverdachte 2] verleende gunstbetoon een proces-verbaal zoals bedoeld in artikel 226g lid 4 Sv, aan het dossier van de zaak Maggiora toe te voegen en dat een aanvankelijk opgemaakt proces-verbaal is verwijderd uit het systeem van de politie, met aanpassing van de nummering van één of meer processen-verbaal. Van het gesprek van 14 oktober 2015 tussen [medeverdachte 2] en onder anderen de zaaksofficier van justitie is een opname gemaakt, die woordelijk is uitgewerkt. Daardoor is de inhoud van en de gang van zaken rondom dit gunstbetoon bekend geworden. Daarmee is het verzuim om het genoemde proces-verbaal op te maken en de aanpassing van de nummering in die mate hersteld dat geen grond bestaat om te oordelen dat, als de rechtbank bekend was geweest met deze feiten en omstandigheden, het onderzoek van de zaak van de aanvraagster zou hebben geleid tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging.
Ook voor zover aan de aanvraag ten grondslag is gelegd, kort gezegd, dat het openbaar ministerie ten onrechte niet de in de wet voorgeschreven procedure heeft doorlopen in relatie tot de verklaringen die [medeverdachte 2] heeft afgelegd in de zaak Maggiora, en dat het openbaar ministerie [medeverdachte 2] ervan zou hebben weerhouden openheid te verschaffen over zijn contacten met het openbaar ministerie met betrekking tot de door hem in de zaak Maggiora afgelegde verklaringen, doet zich niet een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv voor. Daarvoor is van belang dat in de onder 4.2 genoemde strafzaak in hoger beroep tegen de medeverdachte onderzoek is gedaan naar de manier waarop de verklaringen van [medeverdachte 2] tot stand zijn gekomen en welke rol het openbaar ministerie daarbij heeft gespeeld. Zo is onder meer de officier van justitie van het landelijk parket die op enig moment de leiding over het TBG-traject kreeg als getuige gehoord, net als de zaaksofficier in de zaak Maggiora, de rechercheofficier van het arrondissementsparket Noord-Nederland en [medeverdachte 2] zelf. Verder zijn interne aantekeningen (mutaties uit het journaal van het TBG en mutaties uit het journaal van het arrondissementsparket Noord-Nederland) en e-mails van het landelijk parket over het traject rond de door [medeverdachte 2] afgelegde kluisverklaringen toegevoegd aan het dossier in de zaak van de medeverdachte. Ook als wordt uitgegaan van de vormverzuimen die aan de aanvraag ten grondslag zijn gelegd, zijn deze door de inmiddels ontstane mate van duidelijkheid over de totstandkoming van en de gang van zaken rondom de door [medeverdachte 2] afgelegde verklaringen, in die mate hersteld, dat niet het ernstige vermoeden wordt gewekt dat, als de rechtbank bekend was geweest met deze feiten en omstandigheden, het onderzoek van de zaak van de aanvraagster zou hebben geleid tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie.
Aan het vorenstaande doet niet af dat het hof in de zaak tegen de medeverdachte op grond van zijn oordeel over de begane vormverzuimen en zijn waardering van de ernst van die vormverzuimen, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging heeft verklaard. In deze herzieningsprocedure ligt immers niet dit arrest van het hof ter beoordeling voor. Het gaat er in deze procedure om of, in het licht van wat in de aanvraag naar voren wordt gebracht en gelet op wat bekend is geworden over de totstandkoming en de gang van zaken rondom de door [medeverdachte 2] afgelegde verklaringen, naar het oordeel van de Hoge Raad sprake is van een gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en, zo ja, of als dit gegeven bekend zou zijn geweest, het ernstig vermoeden bestaat dat het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot – voor zover hier van belang – de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie.
De aanvraag is dus ongegrond en moet op grond van artikel 470 Sv worden afgewezen.
6. Beslissing
De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 april 2026.