HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 25/02834
Datum 10 april 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 15 juli 2025, nr. UTR 24/5898-V, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank van 29 januari 2025. De uitspraak van de Rechtbank op het verzet is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door J.W. Vugts, heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. De oordelen van de Rechtbank
Voor de Rechtbank was in geschil of belanghebbende het per e-mail verzonden bezwaarschrift tegen de aan hem gegeven WOZ-beschikking tijdig heeft ingediend. De Rechtbank heeft geoordeeld dat, gelet op de gemotiveerde betwisting door de heffingsambtenaar, het aan belanghebbende is om aannemelijk te maken dat de heffingsambtenaar het bezwaarschrift tijdig heeft ontvangen. Daarin is belanghebbende volgens de Rechtbank niet geslaagd met de enkele overlegging van een schermafbeelding van het e-mailbericht waarmee het bezwaarschrift is verzonden en waarop staat dat het emailbericht is verzonden en afgeleverd. De Rechtbank heeft het beroep met toepassing van artikel 8:54 Awb ongegrond verklaard.
Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Rechtbank in verzet gegaan. Hij heeft daarin opnieuw gewezen op de schermafbeelding. Hij heeft ter zitting verklaard dat hij geen nadere informatie of een ontvangst- of leesbevestiging kan overleggen. De heffingsambtenaar heeft ter zitting verklaard dat de systeembeheerder de ‘technische achterkant’ van het CRMsysteem van de gemeente heeft bekeken, maar dat die de e-mail van belanghebbende niet heeft gezien. De Rechtbank heeft in wat belanghebbende in verzet heeft aangevoerd, geen aanleiding gezien anders te oordelen dan de Rechtbank heeft gedaan in de uitspraak waarin het beroep met toepassing van artikel 8:54 Awb ongegrond is verklaard.
3. Beoordeling van de klachten
De klachten van belanghebbende komen erop neer dat hij met de overlegging van de schermafbeelding het van hem gevergde bewijs van ontvangst van het bezwaarschrift heeft geleverd en dat het hiervoor in 2.2 bedoelde oordeel van de Rechtbank daarom onjuist is, althans ontoereikend is gemotiveerd.
Bij de beoordeling van deze klachten stelt de Hoge Raad het volgende voorop.
Aangezien de verzending van e-mailberichten aan een bestuursorgaan als een vorm van elektronisch berichtenverkeer moet worden aangemerkt, is op de verzending van dergelijke berichten afdeling 2.3 van de Awb van toepassing.
Op grond van artikel 2:17, lid 2, (oud) Awb geldt als tijdstip waarop een e-mailbericht door een bestuursorgaan is ontvangen, het tijdstip waarop dat bericht zijn systeem voor gegevensverwerking heeft bereikt.
Indien, zoals in dit geval, een bestuursorgaan stelt een e-mailbericht niet te hebben ontvangen, is het in beginsel aan de belanghebbende om aannemelijk te maken dat het emailbericht op het e-mailadres van de geadresseerde is ontvangen. De verzender van het emailbericht kan daartoe in eerste instantie volstaan met het bewijs van verzending naar het juiste e-mailadres. Indien de verzending aan het juiste e-mailadres aannemelijk is, rechtvaardigt dat het vermoeden van ontvangst van het e-mailbericht door de geadresseerde. Het ligt vervolgens op de weg van de geadresseerde om dit vermoeden te ontzenuwen. Daartoe is niet vereist dat hij aannemelijk maakt dat hij het e-mailbericht niet heeft ontvangen. Het is voldoende dat op grond van wat hij aanvoert de ontvangst van het e-mailbericht redelijkerwijs moet worden betwijfeld. Daartoe zal het bestuursorgaan ten minste blijk ervan moeten geven dat het heeft onderzocht of het e-mailbericht van de belanghebbende op de dag van verzending van het e-mailbericht, het in artikel 2:17, lid 2, (oud) Awb (thans: artikel 2:20 Awb) bedoelde systeem van het bestuursorgaan heeft bereikt.
Indien de geadresseerde erin slaagt het hiervoor in 3.2.4 vermelde vermoeden te ontzenuwen, zal de ontvangst slechts aannemelijk kunnen worden geoordeeld indien de verzender daarvan nader bewijs levert.
Indien de ontvangst niet aannemelijk wordt, ligt het op de weg van verzender – in voorkomend geval – aannemelijk te maken dat dit het gevolg is van aan de geadresseerde toe te rekenen omstandigheden.
Voor zover de klachten inhouden dat de hiervoor in 2.1 en 2.2 vermelde oordelen van de Rechtbank blijk geven van een onjuiste verdeling van de bewijslast, zijn zij, gelet op wat hiervoor in 3.2.4 tot en met 3.2.6 is overwogen, terecht voorgesteld. Tot cassatie kan dit echter niet leiden. Het oordeel van de Rechtbank moet in het licht van de verdere motivering van haar uitspraak zo worden begrepen dat de ontvangst van het per e-mail verzonden bezwaarschrift redelijkerwijs moet worden betwijfeld op grond van wat de heffingsambtenaar, onder meer ter zitting van de Rechtbank (zie hiervoor in 2.2), heeft aangevoerd. In dit oordeel ligt besloten dat belanghebbende, uitgaande van een juiste bewijslastverdeling als hiervoor in 3.2.4 en 3.2.5 bedoeld, niet het van hem gevergde bewijs heeft geleverd. Aldus opgevat, geeft dit oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
4. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.