HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/01400
Datum 10 april 2026
ARREST
In de zaak van
1. [eiseres 1],
wonende te [woonplaats],
2. [eiser 2],
wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
hierna: [eisers],
advocaten: J. van Weerden en E.J.H. Zandbergen,
tegen
STICHTING WOONBEDRIJF SWS HHVL,
gevestigd te Eindhoven,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: verhuurder,
advocaten: P.A. Fruytier en J.P. Jas.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak 9654068 \ CV EXPL 22-556 van de rechtbank Oost-Brabant van 31 maart 2022, 16 september 2022 en 6 april 2023;
b. de arresten in de zaak 200.328.577/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 15 augustus 2023 en 14 januari 2025.
[eisers] hebben tegen het arrest van het hof van 14 januari 2025 beroep in cassatie ingesteld.
Verhuurder heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor verhuurder toegelicht door haar advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
2. Beoordeling van het middel
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van verhuurder begroot op € 905,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eisers] deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.E. du Perron, als voorzitter, S.J. Schaafsma en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 10 april 2026.