HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/01836
Datum 10 april 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: J.A.J. Leeman,
tegen
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT NOORD-HOLLAND,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/15/361521 / FA RK 25-501 van de rechtbank Noord-Holland van 14 februari 2025.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.M. Coenraad strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 14 februari 2025 en tot terugwijzing.
2. Uitgangspunten en feiten
In deze zaak heeft de officier van justitie verzocht een zorgmachtiging te verlenen ten aanzien van betrokkene voor de duur van zes maanden.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft in eerste instantie plaatsgevonden op het woonadres van betrokkene. Na aanbellen werd de deur niet opengedaan. Daarna is de mondelinge behandeling voortgezet op het kantoor van het FACT IJmuiden.
Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling vermeldt, voor zover van belang, het volgende:
“De advocaat vertelt dat hij in de afgelopen week contact met betrokkene heeft gehad. Betrokkene geeft aan dat zij met rust gelaten wil worden. Zij voelt zich niet gehoord. De advocaat geeft aan dat betrokkene op de hoogte is van de zitting. Zij heeft vanochtend een emailbericht aan de advocaat gestuurd waarin zij haar mening kenbaar maakt. De advocaat maakt uit het emailbericht op dat betrokkene naar het buitenland is vertrokken.
(Het emailbericht van betrokkene van 14 februari 2025 is aan het proces-verbaal gehecht).”
Het hiervoor in 2.3 bedoelde e-mailbericht van betrokkene van 14 februari 2025 vermeldt, voor zover van belang, het volgende:
“Vanaf 13 februari 2025 ben ik niet meer woonachtig in Nederland.
Verleden jaar heb ik besloten mijn leven op te bouwen in het buitenland. Mijn aanwezigheid in Nederland was de afgelopen maanden tijdelijk om o.a. administratieve zaken af te handelen.
(…)
Nu zegt u op huisbezoek te komen met een rechter. Weer ben ik niet geïnformeerd, weer gaat het om op dwingende wijze toegang verkrijgen tot mijn woning en persoonlijke levenssfeer, zonder reden en op aangetoonde valse beweringen over mijn persoon.
Het is voor mij moeilijk door de harde echo/galm in de woning, en het gedrag van deze buren, de woning te verhuren tijdens mijn verblijf in het buitenland. Dat is vervelend en gaat wederom ten koste van mij. Daarom is wonen en werken in het buitenland voor mij verleden jaar al een betere oplossing gebleken. Ik heb er erg veel zin in.
Dat u meld dat er een huisbezoek rechter komt terwijl ik niet geïnformeerd ben, weer niet weet -zoals eerder bij twee andere personen innaugustus- wie er in mijn huis zijn (geweest) is schokkend en lijkt mij geen normale gang van zaken.
(…)
De hele gang van zaken is zeer verontrustend.
Vanaf 13 februari 2025 ben ik niet meer woonachtig in Nederland.”
De rechtbank heeft een zorgmachtiging verleend voor de duur van zes maanden. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen:
“Betrokkene is niet ter zitting verschenen.
De advocaat heeft ter zitting aangegeven dat hij in de afgelopen week contact met betrokkene heeft gehad. Betrokkene geeft aan dat zij met rust gelaten wil worden. Zij voelt zich niet gehoord. De advocaat geeft aan dat betrokkene op de hoogte is van de zitting. Zij heeft vanochtend een emailbericht aan de advocaat gestuurd waarin zij haar mening kenbaar maakt. De advocaat maakt uit het emailbericht op dat betrokkene naar het buitenland is vertrokken.
De casemanager geeft aan dat er meerdere pogingen zijn ondernomen om contact met betrokkene te krijgen, maar dat is niet gelukt. De casemanager geeft aan dat er grote zorgen over betrokkene zijn.
De rechter concludeert dat betrokkene de zorg afhoudt, maar wel op de hoogte is van deze zitting. Zij heeft voorafgaand aan deze zitting een emailbericht met haar mening naar de advocaat gestuurd. De rechtbank heeft kennis genomen van het emailbericht van betrokkene en heeft dit emailbericht in het dossier gevoegd.
De rechtbank maakt uit het emailbericht van betrokkene op dat zij momenteel in het buitenland zou verblijven. De vraag is of dat echt zo is. De rechtbank concludeert wel dat betrokkene niet aanwezig is in haar woning te [woonplaats]. Verder is het de rechtbank gebleken dat betrokkene ook niet heeft willen spreken met de onafhankelijk psychiater welke de medische verklaring heeft opgesteld.
De rechtbank stelt vast dat betrokkene op de hoogte was van de zitting en er kennelijk voor heeft gekozen om niet ter zitting aanwezig te zijn. Zij heeft haar standpunt kenbaar gemaakt middels een email-bericht. De behandeling van het verzoek wordt dan ook voortgezet.”
3. Beoordeling van het middel
Onderdeel 1 van het middel richt zich tegen de beslissing van de rechtbank om de mondelinge behandeling buiten de aanwezigheid van betrokkene te doen plaatsvinden. Het onderdeel klaagt onder meer dat de rechtbank, gelet op de e-mail van betrokkene van 14 februari 2025 aan haar advocaat (zie hiervoor in 2.4), nader onderzoek had moeten doen naar de vraag of betrokkene in het buitenland verbleef. Ook had de rechtbank nader onderzoek moeten doen om voldoende zekerheid te krijgen dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen, aldus het onderdeel.
Art. 6:1 lid 1 Wvggz bepaalt dat de rechter de betrokkene hoort na ontvangst van het verzoekschrift voor een zorgmachtiging, tenzij de rechter vaststelt dat de betrokkene niet in staat is of niet bereid is zich te doen horen. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad gaat het hier om meer dan hetgeen reeds voortvloeit uit het fundamentele beginsel van een behoorlijke rechtspleging dat iedere partij de gelegenheid moet krijgen om haar standpunt naar voren te brengen voordat de rechter een beslissing neemt. Ook dient zoveel mogelijk gewaarborgd te zijn dat aan iemand niet verplichte zorg kan worden opgelegd zonder dat hij zelf door de rechter wordt gehoord. Het is tegen deze achtergrond dat de onderzoeksplicht van de rechter naar de bereidheid van de betrokkene om zich te doen horen en de motivering van zijn vaststelling dat die bereidheid niet aanwezig was, moeten worden beoordeeld.
Dit brengt mee dat de rechter die van oordeel is dat deze bereidheid ontbrak, dit in zijn beschikking dient vast te stellen en de gronden dient te vermelden waarop dat oordeel berust. Niet noodzakelijk is evenwel dat de rechter vaststelt dat de betrokkene heeft verklaard voormelde bereidheid te missen. Voldoende is dat dit naar het oordeel van de rechter kan worden afgeleid uit de wijze waarop de betrokkene zich heeft gedragen.
De rechtbank heeft haar beslissing om de behandeling van het verzoek voort te zetten buiten aanwezigheid van betrokkene erop gebaseerd dat betrokkene op de hoogte was van de zitting en kennelijk ervoor heeft gekozen om niet ter zitting aanwezig te zijn, en dat zij haar standpunt kenbaar heeft gemaakt in een e-mailbericht. In het licht van hetgeen hiervoor in 3.1.2 is overwogen zijn deze omstandigheden ontoereikend om te kunnen oordelen dat de bereidheid van betrokkene om zich te doen horen, bijvoorbeeld op een andere plaats dan in haar woning of telefonisch, ontbrak.
Met betrekking tot de e-mail van 14 februari 2025, waarin betrokkene schrijft dat zij vanaf 13 februari 2025 niet meer woonachtig is in Nederland (zie hiervoor in 2.4), kon de rechtbank niet volstaan met de overweging dat ‘de vraag is of dit echt zo is’. Gelet op art. 6:1 lid 3, tweede volzin, Wvggz – waarin is bepaald dat indien de betrokkene niet in Nederland verblijft, de behandeling van het verzoek door de rechtbank wordt aangehouden totdat de betrokkene in Nederland kan worden gehoord – diende de rechtbank nader onderzoek te doen naar de vraag of betrokkene ten tijde van de behandeling van het verzoek daadwerkelijk in het buitenland verbleef.
Uit het voorgaande volgt dat de hiervoor in 3.1.1 weergegeven klachten terecht zijn voorgesteld.
De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 14 februari 2025;
- wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren H.M. Wattendorff, als voorzitter, F.R. Salomons en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 10 april 2026.