ECLI:NL:HR:2026:635

ECLI:NL:HR:2026:635

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 14-04-2026
Datum publicatie 10-04-2026
Zaaknummer 24/01557
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2026:142

Samenvatting

Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. flessentrekkerij (art. 326a Sr) en oplichting, meermalen gepleegd (art. 326.1 Sr). Aanhoudingsverzoek 1 dag voorafgaand aan tz. in hoger beroep door raadsman per e-mail gedaan op de grond dat verdachte pas op die dag via raadsman op de hoogte is geraakt van zittingsdatum en dat verdachte niet in gelegenheid is om op zitting te verschijnen omdat hij werkzaam is in buitenland, door hof afgewezen o.g.v. overweging dat raadsman reeds van zitting afwist en dat het aan hem is om met verdachte te communiceren over zittingsdatum. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:1737 en HR:2019:1142 m.b.t. beoordeling van aanhoudingsverzoek en door rechter te maken belangenafweging in situatie dat dagvaarding of oproeping voor tz. in h.b. rechtsgeldig maar niet in persoon is betekend. Raadsman heeft aan aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegd dat verdachte a.g.v. adreswijziging pas 1 dag voor tz. in h.b. via raadsman op de hoogte is geraakt van zittingsdatum en dat verdachte niet in gelegenheid is om op zitting te verschijnen omdat hij werkzaam is in buitenland. Hof heeft niet geoordeeld dat die aan verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is, terwijl hof evenmin blijk heeft gegeven van belangenafweging als hiervoor vermeld. Daaraan doet niet af dat hof bij zijn beslissing in aanmerking heeft genomen dat tijdig afschrift is gezonden naar het bij OM bekende adres van verdachte in buitenland, dat het aan verdachte is om wijziging van zijn adres door te geven en dat het in gegeven omstandigheden aan raadsman, die al van deze zitting afwist, was om met verdachte te communiceren over zittingsdatum. Met uitsluitend benoemen van deze factoren (zonder daarbij andere factoren, zoals procesverloop en gewicht van zaak, te betrekken) heeft hof immers geen afweging gemaakt van alle bij aanhouding van onderzoek op tz. betrokken belangen, waaronder belang van verdachte bij kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht. Hof heeft afwijzing van verzoek tot aanhouding van onderzoek ttz. daarom ontoereikend gemotiveerd. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/01557

Datum 14 april 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 12 april 2024, nummer 22-002538-22, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 april 2024 houdt in dat de verdachte daar niet is verschenen. Het houdt verder in:

“De voorzitter doet mededeling van een email bericht van de raadsman van de verdachte mr. J.C. Sneep, advocaat te Breda, d.d. 11 april 2024, inhoudende het verzoek tot aanhouding. Ter onderbouwing van dit verzoek is aangevoerd dat de verdachte heeft aangegeven geen dagvaarding te hebben ontvangen omdat hij op het bekende adres aan de [a-straat] sinds 21 juni 2023, na een uithuiszetting, niet meer verblijft en daar is uitgeschreven, hij pas op 11 april 2024 door de raadsman op de hoogte is gesteld van de zitting van heden, hij thans werkzaam is in het buitenland en niet in de gelegenheid is om heden in persoon bij de behandeling van de zaak in hoger beroep aanwezig te zijn. Voorts deelt de raadsman van de verdachte in dit email bericht mede dat hij heden niet ter terechtzitting zal verschijnen omdat hij niet uitdrukkelijk gemachtigd is de verdediging te voeren.

De voorzitter doet voorts mededeling van een email van de advocaat-generaal aan de raadsman d.d. 11 april 2024, met bijlagen, waarin de advocaat-generaal op voorhand aangeeft ter terechtzitting van heden zich te verzetten tegen aanhouding van de zitting. Ter onderbouwing heeft de advocaat-generaal aangevoerd – verkort weergegeven – dat uit de stukken blijkt dat de verdachte tijdig en op juiste wijze is opgeroepen.

De raadsman en de advocaat-generaal zijn per email van 11 april 2024 bericht dat het hof heden ter zitting een beslissing zal nemen op het verzoek tot aanhouding van de zaak.

Alle verklaringen zijn zakelijk weergegeven, tenzij anders vermeld.

Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte.

Desgevraagd wordt de advocaat-generaal in de gelegenheid gebracht te reageren op het verzoek van de raadsman:

Ik verzoek u de emailwisseling aan het dossier toe te voegen. Zoals ik reeds in deze mailwisseling bekend heb gemaakt, verzet het Openbaar Ministerie zich tegen aanhouding van de zaak. De verdachte is opgeroepen voor de zitting op het door hem aangegeven GBA-adres in België. Ook zijn raadsman is tijdig op de hoogte gesteld van de datum van de zitting en zij hebben samen ruim de tijd gehad elkaar op de hoogte te stellen. Het is een hele oude zaak en een dergelijke handelwijze is in eerste aanleg ook als strategie gebruikt. In het aanhoudingsverzoek stelt de raadsman dat het adres van zijn cliënt sinds juli 2023 veranderd is. Uit het SKDB blijkt dat de verdachte in februari 2024 nog formeel ingeschreven stond op het bij ons reeds bekende adres in België. De verdachte heeft zich daar dus niet uitgeschreven en ook geen ander adres bij ons bekend gemaakt. Wel heeft de verdachte bij het instellen van het hoger beroep het advocatenkantoor van de raadsman als postadres opgegeven. Het is aan de verdachte om een nieuw adres door te geven en aan zijn raadsman om te zorgen dat de informatie zijn cliënt bereikt. De raadsman is reeds sinds 30 januari 2024 op de hoogte van de zitting en op 21 februari 2024 is aan hem een oproep voor de zitting uitgestuurd. Ik blijf bij het standpunt dat ik tegen aanhouding van de zaak ben.

De voorzitter merkt op:

De dagvaarding is uitgereikt aan het Openbaar Ministerie omdat het een adres in het buitenland betrof, waarna er een afschrift naar het opgegeven adres in [plaats in Belgie] is verstuurd. Er is een afschriftverplichting, waaraan op 9 april 2024 is voldaan.

Desgevraagd verklaart de advocaat-generaal nader:

Er is inderdaad op 9 april 2024 een afschrift verstuurd naar het kantoor van de raadsman. Maar deze was al langere tijd op de hoogte van de zitting.

De voorzitter reageert als volgt:

U bedoelt daarmee te zeggen dat, ondanks dat er aan de afschrifttermijn niet voldaan lijkt te zijn, het belang van de verdachte niet geschaad is omdat het postadres samenvalt met het adres van het advocatenkantoor en de raadsman reeds bekend was met de datum van de zitting?

De advocaat-generaal reageert:

Dat is juist.

Het gerechtshof onderbreekt het onderzoek voor beraad.

Na beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede:

Het hof wijst af het verzoek tot aanhouding. Het hof stelt op grond van de stukken vast, dat de raadsman van de verdachte in januari 2024, en uiterlijk op 22 februari 2024 op de hoogte moet zijn geweest van deze zitting. Het hof constateert dat de afschrift verplichting niet tijdig is nagekomen, maar dat hierbij het belang van de verdachte niet geschaad is. Er is op 22 februari 2024 tijdig een afschrift verstuurd naar het bij het openbaar ministerie bekende adres van de verdachte in het buitenland. Het is de taak van de verdachte om een wijziging van zijn adres door te geven. Nu het hof vaststelt dat de raadsman reeds van de zitting afwist, zijn kantoor als postadres van de verdachte fungeerde en hij reeds op de hoogte was van het kennelijk gewijzigde adres in het buitenland, is het aan de raadsman te communiceren met zijn cliënt over de zittingsdatum.”

Een verzoek tot aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting (hierna: aanhoudingsverzoek) kan op de terechtzitting worden gedaan door de verdachte of door zijn raadsman die daartoe door de verdachte op grond van artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is gemachtigd. Ook de raadsman die niet is gemachtigd tot het voeren van de verdediging van de verdachte die op de terechtzitting niet is verschenen, kan daar een aanhoudingsverzoek doen voor zover dat verzoek wordt gedaan met het oog op het effectueren van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of om de in artikel 279 lid 1 Sv bedoelde machtiging alsnog te verkrijgen. Op grond van artikel 329 en 330 Sv wordt beslist op het verzoek nadat het openbaar ministerie daarover is gehoord.De verdachte of zijn raadsman moet concreet de omstandigheid aanvoeren die aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag ligt.Als zo’n omstandigheid niet wordt aangevoerd, mag de rechter het verzoek om die reden afwijzen.In de regel mag van de verdachte of zijn raadsman worden gevergd dat hij (alsnog) de gegevens verstrekt die de rechter met het oog op de te nemen beslissing noodzakelijk acht. Als de rechter de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet zonder meer aannemelijk acht, kan hij gevolgen verbinden aan de omstandigheid dat het verzoek onvoldoende met bewijsstukken is onderbouwd en/of niet (voldoende) aan de door hem gevraagde aanvulling is voldaan.Voor het oordeel dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is, volstaat echter niet steeds de vaststelling dat die omstandigheid onvoldoende is onderbouwd. Het is immers mede afhankelijk van de aard van de aangevoerde reden – in het bijzonder of het gaat om een omstandigheid die zich onverwacht aandient, bijvoorbeeld in verband met ziekte van de verdachte – of, voordat wordt beslist op het verzoek, gelegenheid moet worden geboden het verzoek nader toe te lichten en/of op een later moment (alsnog) bewijsstukken over te leggen. De rechter kan echter het bieden van die gelegenheid en het nemen van een beslissing over de aannemelijkheid van de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, achterwege laten op grond van zijn oordeel dat wat is aangevoerd – als dat juist zou zijn – in de hierna weer te geven belangenafweging niet tot toewijzing van het verzoek leidt.Nadat in voorkomende gevallen gelegenheid is geboden voor een nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek al – dat wil zeggen: zonder tot die belangenafweging over te gaan – afwijzen op de grond dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is.Wanneer zich niet het geval voordoet dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is geoordeeld, moet de rechter een afweging maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in artikel 6 lid 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde aanwezigheidsrecht – waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid op de terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen – en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van deze afweging, waarbij de aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegde omstandigheden moeten worden betrokken, moet de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk geven in de motivering van zijn beslissing.(Vgl. in iets andere bewoordingen HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1737).

Bij die belangenafweging kan betekenis toekomen aan de omstandigheid dat de dagvaarding of de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep op rechtsgeldige wijze, zij het niet in persoon, is betekend. Zoals tot uitdrukking is gebracht in HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rechtsoverwegingen 3.36-3.37, mag dan immers van de verdachte die hoger beroep instelt en prijs stelt op berechting op tegenspraak, worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat de appeldagvaarding hem niet bereikt of de inhoud daarvan hem niet bekend wordt. Tot die maatregelen kan in elk geval worden gerekend dat de verdachte zich bereikbaar houdt voor zijn raadsman – die uit eigen hoofde een afschrift van de appeldagvaarding ontvangt als hij zich in hoger beroep heeft gesteld – opdat de verdachte in voorkomende gevallen (ook) langs die weg van het tijdstip van behandeling van zijn zaak op de hoogte komt. Het kennelijk niet treffen door de verdachte van dergelijke in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen kan de rechter in hoger beroep – naast andere factoren die daarvoor van belang kunnen zijn, zoals het procesverloop en het gewicht van de zaak – in de vereiste belangenafweging betrekken. (Vgl. HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1142.)

De raadsman heeft aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegd dat de verdachte als gevolg van een adreswijziging pas één dag voor de terechtzitting in hoger beroep via de raadsman op de hoogte is geraakt van de zittingsdatum, en dat de verdachte niet in de gelegenheid is om op de zitting te verschijnen omdat hij werkzaam is in het buitenland. Het hof heeft niet geoordeeld dat die aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is, terwijl het hof evenmin blijk heeft gegeven van de belangenafweging als onder 2.3.1 en 2.3.2 vermeld. Daaraan doet niet af dat het hof bij zijn beslissing in aanmerking heeft genomen dat, kort gezegd, tijdig een afschrift is gezonden naar het bij het openbaar ministerie bekende adres van de verdachte in het buitenland, dat het aan de verdachte is om een wijziging van zijn adres door te geven en dat het in de gegeven omstandigheden aan de raadsman, die al van deze zitting afwist, was om met de verdachte te communiceren over de zittingsdatum. Met het uitsluitend benoemen van deze factoren – zonder daarbij andere factoren, zoals het procesverloop en het gewicht van de zaak, te betrekken – heeft het hof immers geen afweging gemaakt van alle bij aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting betrokken belangen, waaronder het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht. Het hof heeft de afwijzing van het verzoek tot aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting daarom ontoereikend gemotiveerd.

Het cassatiemiddel slaagt.

3.Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 april 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?