ECLI:NL:HR:2026:661

ECLI:NL:HR:2026:661

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 21-04-2026
Datum publicatie 16-04-2026
Zaaknummer 24/04428
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHSHE:2024:4201
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2026:150

Samenvatting

Poging tot grooming van 15-jarige (kinder)oppas door 41-jarige verdachte, art. 248e (oud) Sr. Bewijsklacht poging, begin van uitvoering a.b.i. art. 45.1 Sr. Kan uit bewijsvoering begin van uitvoering van grooming worden afgeleid? Ook poging tot misdrijf van art. 248e (oud) Sr is strafbaar (vgl. HR:2019:1736). HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2021:388 en HR:2023:479 m.b.t. vereisten voor strafbare poging. Hof heeft vastgesteld dat verdachte seksueel getinte berichten heeft gestuurd aan toen 15-jarige aangeefster die af en toe bij hem thuis op zijn kinderen paste. Hij was op de hoogte van leeftijd van aangeefster en heeft haar geappt seks met haar te willen. Verdachte heeft geprobeerd aangeefster te bewegen bij hem langs te komen om seks te hebben maar zij is niet op dat voorstel ingegaan. Gelet op aard en inhoud van de aan aangeefster verstuurde berichten heeft hof geoordeeld dat verdachte daarmee concreet voorstel tot ontmoeting heeft gedaan met oogmerk ontuchtige handelingen met minderjarige aangeefster te plegen, wat begin van uitvoering vormt van delict grooming. Dat oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij is van belang dat berichten die verdachte heeft verstuurd, zoals weergegeven in bewijsmiddelen, zich niet beperken tot seksuele toespelingen, maar ook concreet aansturen op ontmoeting die erop gericht is ontuchtige handelingen in praktijk te brengen. Volgt verwerping.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/04428

Datum 21 april 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 2 december 2024, nummer 20-003328-23, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Boksem bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van de tenlastegelegde poging tot ‘grooming’ zoals bedoeld in artikel 248e (oud) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Het voert daartoe aan dat uit de bewijsvoering niet een begin van uitvoering van dat misdrijf kan worden afgeleid.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:

“op 14 maart 2022 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door middel van een geautomatiseerd werk en met gebruikmaking van een communicatiedienst, te weten WhatsApp, een persoon, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2006, van wie hij wist dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, een ontmoeting voor te stellen met het oogmerk ontuchtige handelingen met die [slachtoffer] te plegen en daartoe enige handeling te ondernemen gericht op het verwezenlijken van die ontmoeting, die [slachtoffer] de volgende berichten heeft gestuurd:

- “Jij bent nog geen 18, 18 is de grens dat je mag doen watje wilt, ik zou graag dingen met je doen die niet illegaal zijn, dus hebben we een probleem van 2 jaar” en

- “Liefde Bedrijven Etc” en

- “Ik denk dat het top wordt. Maar het is op het randje en risico.” en

- “Kom gewoon een keer langs dan krijg je een gevoel” en

- “Kom nou maar” en

- “Ik bedoel dat als we samen zijn het tot top ervaringen leidt” en

- “Ik wil gewoon sex met je... hoop dat je het niet erg vindt”,

terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet voltooid.”

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1 . Een proces-verbaal van aangifte d.d. 20 april 2022 (dossierpagina’s 12 tot en met 16), voor zover inhoudende als verklaring (...) van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2006:

(dossierpagina 13)

Waarvan wil je aangifte doen?

- Dat hij seksuele appjes naar mij heeft gestuurd.

Tegen wie doe je deze aangifte?

- Tegen [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ). Hij woont op de [a-straat 1] in [plaats] .

Wanneer is dit gebeurd?

- In februari of maart 2022.

Nu wil ik jou uitnodigen om ons zoveel mogelijk in je eigen woorden te vertellen over wat er is gebeurd.

- Hij appte over het oppassen. Hij schreef ook dat het strafbaar zou zijn als hij iets met jongere meiden zou doen. Hij zou dan de pineut zijn. Hij schreef in elk geval ook nog dat hij seks met mij wilde.

(dossierpagina 14)

- Hij heeft gevraagd hoe oud ik was. Ik heb hem toen mijn leeftijd, 15 jaar, gezegd.

(dossierpagina 14/15)

Wat was volgens jou de bedoeling van zijn berichtjes?

- Dat ik naar hem zou komen.

(dossierpagina 15)

Waarom?

- Hij schreef dat hij seks met mij wilde. Ik neem dan ook aan dat hij dat (het hof begrijpt: de avond van 14 maart 2022 waarop de hierna onder bewijsmiddel 2 vermelde WhatsApp berichten zien) van plan was. Hij vroeg ook of ik dat niet erg vond. Hij heeft (het hof begrijpt: de avond van 14 maart 2022 waarop de hierna onder bewijsmiddel 2 vermelde WhatsAppberichten zien) gestuurd dat ik moest komen. Voor mij was het duidelijk dat hij seks met mij wilde.

2. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 mei 2022 (dossierpagina’s 18 en 19), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant] :

(pagina 18)

De bij aangeefster [slachtoffer] in gebruik zijnde telefoon, merk Apple, type IPhone SE werd onderzocht. Van de inhoud werd een digitale kopie vervaardigd. Door mij werd een onderzoek ingesteld aan de WhatsApp-messages op deze digitale kopie.

Bij dit proces-verbaal zijn vijf bijlagen gevoegd.

3. Een geschrift, te weten (als bijlage 2 bij het hiervoor onder 2 vermelde bewijsmiddel, betreffende) een weergave van een WhatsApp-conversatie tussen de verdachte en [slachtoffer] op (onder meer) 14 maart 2022 (dossierpagina 21 tot en met 23), voor zover inhoudende:

(pagina 30)

From: [telefoonnummer 1] [verdachte] (het hof begrijpt hier en hierna steeds: [verdachte] )

Hoe oud ben je nu eigenlijk?

14-3-2022 21:54:49

(pagina 31)

From: [telefoonnummer 2] (owner) (het hof begrijpt hier en hierna steeds: aangeefster [slachtoffer] )

To: [telefoonnummer 1] [verdachte]

Bijna 16

14-3-2022 21:55:52

From: [telefoonnummer 1] [verdachte]

Wow!

14-3-2022 56:31

(pagina 44)

From: [telefoonnummer 1] [verdachte]

Jezus [slachtoffer]

14-3-2022 22:38:52

From: [telefoonnummer 1] [verdachte]

Oké ik zal het duidelijk maken.

14-3-2022 22:39:14

From: [telefoonnummer 1] [verdachte]

Jij bent nog geen 18

14-3-2022 22:39:22

(pagina 45)

From: [telefoonnummer 1] [verdachte]

Ik zou graag dingen doen met je

14-3-2022 22:40:52

(pagina 46)

From: [telefoonnummer 2] (owner)

To: [telefoonnummer 1] [verdachte]

Zo als?

14-3-2022 22:42:21

(pagina 47)

From: [telefoonnummer 1] [verdachte]

Liefde

14-3-2022 22:43:14

From: [telefoonnummer 1] [verdachte]

Bedrijven

14-3-2022 22:43:29

From: [telefoonnummer 1] [verdachte]

Etc

14-3-2022 22:43:57

(pagina 48)

From: [telefoonnummer 1] [verdachte]

Ik denk dat het top wordt

14-3-2022 22:45:52

(pagina 49)

From: [telefoonnummer 1] [verdachte]

Heb je het ooit gedaan?

14-3-2022 22:47:07

(pagina 61)

From: [telefoonnummer 1] [verdachte]

Kom gewoon een keer langs dan krijg je een gevoel

14-3-2022 23:22:19

(pagina 64)

From: [telefoonnummer 1] [verdachte]

Kom nou maar

14-3-2022 23:32:38

From: [telefoonnummer 1] [verdachte]

Ik bedoel dat als we samen zijn het tot top ervaringen leidt

14-3-2022 23:35:57

(pagina 65)

From: [telefoonnummer 1] [verdachte]

Ik wil gewoon sex met je....hoop dat je het niet erg vindt

14-3-2022 39:58.

4. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 18 november 2024, voor zover inhoudende:

Het klopt dat ik op 14 maart 2022 de door uw hof voorgehouden WhatsApp-berichten heb gestuurd naar [slachtoffer] . Ik kan begrijpen dat de berichten op [slachtoffer] zijn overgekomen dat ik seks met haar wilde.

5. Een proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting in eerste aanleg bij de rechtbank Oost-Brabant van 23 november 2023, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte ter terechtzitting:

Op het moment dat ik deze berichten (het hof begrijpt: de op 14 maart 2022 aan [slachtoffer] gestuurde Whats-Appberichten) verzond, bevond ik mij in mijn woning aan de [a-straat 1] in [plaats] .”

Het hof heeft over de bewezenverklaring verder overwogen:

“Juridisch kader ‘grooming’

Tot 1 juli 2024 stelde artikel 248e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) ‘grooming’ strafbaar. Deze bepaling gold als omzetting van artikel 23 van het Verdrag van Lanzarote (Trb. 2008, 58; Stb. 2009, 543). Thans is het delict opgenomen in artikel 251, eerste lid, sub c, Sr. De strafbepaling strekt ertoe het in de digitale wereld vatbaar maken van een minderjarige voor seksueel misbruik in de fysieke wereld strafbaar te stellen, zodat de focus ligt op de communicatiefase.

Van grooming als bedoeld in artikel 248e Sr is sprake indien er middels een geautomatiseerd werk aan iemand beneden de leeftijd van 16 jaren een ontmoeting wordt voorgesteld met het oogmerk ontuchtige handelingen met die persoon te plegen, zulks indien hij enige handeling onderneemt gericht op het verwezenlijken van die ontmoeting. Constitutief vereiste voor de bewezenverklaring van grooming is een voorstel tot een ontmoeting en een daaraan verbonden uitvoeringshandeling.

Het oogmerk van de dader moet (ook) zijn gericht op onder meer het plegen van ontuchtige handelingen (vgl. Kamerstukken II 2008/09, 31810, 3, p. 9). De dader moet blijk geven van de wil het ‘digitale misbruik’ te willen omzetten in fysiek misbruik (vgl. Kamerstukken II 2008/09, 31810, 5, p. 2). Het doen van een voorstel dient te gebeuren met een bepaald oogmerk tot het plegen van ontucht (vgl. Kamerstukken II 2008/09, 31810, 5, p. 2). Vereist is dat de communicatiefase, waarbij de dader het kind verleidt tot het delen van intimiteiten en op die wijze het kind in de digitale wereld vatbaar maakt voor seksueel misbruik in de fysieke wereld, uitmondt in een voorstel voor een ontmoeting en het verrichten van een handeling gericht op het realiseren van die ontmoeting.

Blijkens de Memorie van Toelichting dient het oogmerk van de dader zich te kenmerken door een zekere vastheid, welke vastheid dient te blijken uit zijn uiterlijk waarneembare gedrag, zoals het bijvoorbeeld doen van een voorstel voor een ontmoeting, strekkende tot het verrichten/ondergaan van een seksuele handeling, welk voorstel moet zijn gevolgd door een handeling gericht op het realiseren van die ontmoeting (vgl. Kamerstukken II 2008/09, 31810, 3, p. 4 en 7). Artikel 23 van het Verdrag van Lanzarote spreekt van een ‘intentional proposal (...) for the purpose of (...)’ en ‘material acts leading to a meeting’.

Blijkens de Memorie van Toelichting kan van een poging tot grooming sprake zijn indien de communicatie heeft geleid tot het voorstel voor een ontmoeting maar geen handeling is ondernomen gericht op het verwezenlijken van die ontmoeting, bijvoorbeeld wanneer de minderjarige niet ingaat op het voorstel voor een ontmoeting met het oogmerk ontuchtige handelingen te verrichten. In dat geval vormt het doen van het voorstel tot een ontmoeting met het oogmerk ontuchtige handelingen te plegen een begin van uitvoering van het delict grooming (Kamerstukken II 2015/16, 34372, nr. 3, p. 91.)

Naar het oordeel van het hof is het in het geval van een poging - mede gelet op de aard en het karakter van de strafbaarstelling - niet vereist dat de tijd en plaats van de ontmoeting geconcretiseerd zijn. Voor een voltooid delict is echter wel een ‘uitvoeringshandeling’ vereist die deze concreetheid behelst en daarmee geacht kan worden te zijn gericht op het realiseren van de ontmoeting. Die concreetheid vergt dan een voldoende mate van bepaaldheid om te kunnen komen tot een afspraak. De vraag of er sprake is van zo een ‘uitvoeringshandeling’ moet worden uitgelegd in de geest van de bepaling en wel zo dat het oogmerk van de dader concrete vormen aanneemt in materiële zin (vgl. Kamerstukken II 2008/09, 31 810, 7, p. 7-8).

Feitelijke vaststellingen

Uit de bewijsvoering leidt het hof af dat de verdachte op 14 maart 2022 de toentertijd 15-jarige [slachtoffer] seksueel getinte berichten heeft gestuurd. [slachtoffer] paste bij tijd en wijle op de kinderen van de verdachte, bij hem thuis. Uit de bewijsvoering volgt dat de verdachte bekend was met haar leeftijd en in zijn berichten aan [slachtoffer] mededeelt seks met haar te willen. Blijkens de redactie van zijn berichten in het licht van de context van het gesprek heeft de verdachte [slachtoffer] getracht te bewegen om bij hem langs te komen, teneinde seks te hebben met haar. [slachtoffer] is niet ingegaan op dit voorstel.

Oordeel hof

Blijkens de feitelijke vaststellingen van het hof heeft de verdachte [slachtoffer] berichten gestuurd, inhoudende dat hij seks met haar wilde hebben en sturend van aard, luidend dat zij ‘nou maar’ moest komen. Naar het oordeel van het hof volgt hieruit echter niet zonder meer dat daarmee een (voor een bewezenverklaring van grooming noodzakelijke) materiële handeling is verricht gericht op het realiseren van die ontmoeting, nu tijd en plaats noch de verwezenlijking van zo’n afspraak met voldoende zekerheid uit de bewijsmiddelen zijn af te leiden. Het vorenstaande maakt naar het oordeel van het hof dat de verdachte van het primair tenlastegelegde vrijgesproken dient te worden, zoals de rechtbank ook heeft gedaan.

Evenwel is er naar het oordeel van het hof - evenals de rechtbank van oordeel was - sprake van een poging tot grooming, nu de verdachte met het sturen van de berichten naar [slachtoffer] , gelet op de inhoud en strekking daarvan, een concreet voorstel tot een ontmoeting met het oogmerk ontuchtige handelingen met het minderjarige slachtoffer heeft gedaan, welk voorstel een begin van uitvoering is van het delict grooming.

In het vorenstaande ligt de weerlegging besloten van het verweer dat de door de verdachte gestuurde berichten aan [slachtoffer] een onvoldoende concreet voorstel vormen om het geheel aan te merken als poging tot grooming. Het hof verwerpt mitsdien dit verweer.”

De tenlastelegging en bewezenverklaring zijn toegesneden op artikel 248e (oud) Sr. Deze bepaling luidde ten tijde van het bewezenverklaarde:

“Hij die door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst aan een persoon die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt of iemand die zich, al dan niet met een technisch hulpmiddel, waaronder een virtuele creatie van een persoon die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, voordoet als een persoon die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt een ontmoeting voorstelt met het oogmerk ontuchtige handelingen met een persoon die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt te plegen of een afbeelding van een seksuele gedraging waarbij een persoon die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt is betrokken te vervaardigen, wordt, indien hij enige handeling onderneemt tot het verwezenlijken van die ontmoeting, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of een geldboete van de vierde categorie.”

Ook poging tot het misdrijf van artikel 248e (oud) Sr is strafbaar (vgl. HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1736, rechtsoverweging 3.4 en 3.5).

Voor een strafbare poging is vereist dat er gedragingen zijn verricht die kunnen worden beschouwd als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf. Dat is het geval bij gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf. De vraag of sprake is van zulke gedragingen, laat zich niet in algemene zin beantwoorden. Het komt aan op een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Algemene regels kunnen daarvoor niet worden gegeven.Een belangrijke beoordelingsfactor is daarbij hoe dicht de vastgestelde gedragingen bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf lagen, bijvoorbeeld in tijd en/of plaats, en hoe concreet deze daarop waren gericht. Daarmee wordt ook afbakening van de poging ten opzichte van de strafbare voorbereiding bevorderd. Verder kan het bij poging gaan om een samenstel van gedragingen, met inbegrip van die van eventuele deelnemers. De aard van het misdrijf kan van belang zijn, maar niet noodzakelijk is dat al een bestanddeel van het misdrijf is vervuld. (Vgl. HR 30 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:388 en HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:479).

Het hof heeft het volgende vastgesteld. De verdachte heeft op 14 maart 2022 seksueel getinte berichten gestuurd aan de toen 15-jarige aangeefster die af en toe bij hem thuis op zijn kinderen paste. Hij was op de hoogte van de leeftijd van de aangeefster en heeft haar geappt seks met haar te willen. De verdachte heeft geprobeerd de aangeefster te bewegen bij hem langs te komen om seks te hebben, maar zij is niet op dat voorstel ingegaan. Gelet op de aard en inhoud van de aan de aangeefster verstuurde berichten heeft het hof geoordeeld dat de verdachte daarmee een concreet voorstel tot een ontmoeting heeft gedaan met het oogmerk ontuchtige handelingen met de minderjarige aangeefster te plegen, dat een begin van uitvoering vormt van het delict grooming.

Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij is van belang dat de berichten die de verdachte heeft verstuurd, zoals weergegeven in de bewijsmiddelen, zich niet beperken tot seksuele toespelingen, maar ook concreet aansturen op een ontmoeting die erop gericht is de ontuchtige handelingen in de praktijk te brengen.

Het cassatiemiddel faalt.

3. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?