HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/04044
Datum 21 april 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 oktober 2024, nummer 21-005321-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
Namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] heeft de advocaat R. Spoelstra een verweerschrift ingediend.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade ter hoogte van € 5.518,95 in verband met het onder 3 bewezenverklaarde, tot bepaling van deze aanvangsdatum op telkens 21 oktober 2020, tot verwerping van het beroep voor het overige en tot eventuele vernietiging van de opgelegde gevangenisstraf en vermindering daarvan vanwege de overschrijding van de redelijke termijn.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat het toegewezen bedrag van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 3] , [benadeelde 1] en [benadeelde 2] wegens de uit de onder 3 bewezenverklaarde diefstal voortvloeiende materiële schade en de op grond van de schadevergoedingsmaatregel voor dat bedrag opgelegde betalingsverplichting, moeten worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2020.
Ten laste van de verdachte is onder 1 en 3 bewezenverklaard dat:
“1.
hij in maart 2020 te [plaats] [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte die [slachtoffer] met een hand bij de keel vastgepakt en zijn arm om de nek van die [slachtoffer] geslagen en vervolgens – gedurende langere tijd – met kracht de keel dichtgeknepen en dichtgedrukt, waardoor die [slachtoffer] geen lucht kon krijgen;
3.
hij in de periode van 27 april 2020 tot en met 21 oktober 2020 in Nederland, geldbedragen (tot een totale waarde van 5.518,95 euro), die aan de nabestaanden/erfgenamen van [slachtoffer] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.”
De benadeelde partijen hebben schade gevorderd wegens zowel het onder 1 als het onder 3 bewezenverklaarde feit. De schade die wordt gevorderd wegens feit 3 betreft het gestolen geldbedrag van € 5.518,95. Een schriftelijke, namens de benadeelde partijen ingediende vordering houdt in dat daarbij aanspraak wordt gemaakt op de wettelijke rente vanaf de laatste dag van de bewezenverklaarde pleegperiode. Het hof heeft de vorderingen van de benadeelde partijen geheel toegewezen, waarbij de toegewezen materiële schade wegens het onder 3 bewezenverklaarde feit € 5.518,95 bedraagt. Het hof heeft ten aanzien van de schade als gevolg van zowel het onder 1 bewezenverklaarde als het onder 3 bewezenverklaarde, bepaald dat de wettelijke rente aanvangt op 31 maart 2020.
De benadeelde partij kan betaling van de wettelijke rente vorderen over het bedrag dat zij aan schade heeft geleden. In beginsel is de wettelijke rente op grond van artikel 6:83, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek zonder ingebrekestelling verschuldigd vanaf het moment waarop de schade die het gevolg is van de onrechtmatige daad van de verdachte, is ingetreden. (Vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, rechtsoverweging 2.4.1 en 2.5.)
Het hof heeft de vorderingen van de benadeelde partijen voor zover die de materiële schade als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde betreffen, toegewezen tot een bedrag van € 5.518,95, voor dat bedrag de schadevergoedingsmaatregel opgelegd en heeft daarbij bepaald dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2020. Daarmee heeft het hof geoordeeld dat wat betreft de verschuldigdheid van de wettelijke rente de datum van 31 maart 2020 moet worden aangemerkt als de datum waarop deze materiële schade is ingetreden.
In aanmerking genomen dat deze materiële schade is ontstaan uit het onder 3 bewezenverklaarde feit, dat is gepleegd in de periode van 27 april 2020 tot en met 21 oktober 2020, is het oordeel van het hof dat deze materiële schade is ingetreden op 31 maart 2020 niet begrijpelijk.
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen en wat betreft het bedrag van € 5.518,95 de aanvangsdatum van de wettelijke rente bepalen op 21 oktober 2020.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twaalf jaren.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en voor zover de aanvangsdatum van de wettelijke rente over de materiële schade van € 5.518,95 is bepaald op 31 maart 2020;
- vermindert de duur van de opgelegde gevangenisstraf in die zin dat deze elf jaren en elf maanden beloopt;
- bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente over de materiële schade van € 5.518,95 op 21 oktober 2020;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2026.