HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/00089 P
Datum 21 april 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 22 december 2023, nummer 22-002565-22, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend is gemotiveerd, omdat uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen niet blijkt dat twee eerdere oogsten hebben plaatsgevonden.
In de strafzaak die met deze ontnemingsprocedure samenhangt, is bewezenverklaard dat de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – hennepteelt. De bewezenverklaring houdt in dat de betrokkene in de periode van 15 november 2016 tot en met 25 april 2017 (in totaal) ongeveer 242 hennepplanten heeft geteeld.
Het hof heeft het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 47.966 en heeft daartoe onder meer overwogen:
“Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Naar het oordeel van het hof is voldoende aannemelijk geworden dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde feit, te weten het telen van hennep.
Het hof heeft zich bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op het ontnemingsrapport, zoals opgemaakt door de politie Rotterdam-Rijnmond. Het hof gaat er, net als de politierechter, vanuit dat twee eerdere oogsten hebben plaatsgevonden. Het hof ziet geen aanleiding om af te wijken van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel zoals omschreven in het ontnemingsrapport.
Gelet op bovenstaande stelt het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 47.966,00.”
Verder houdt het arrest van het hof onder meer in:
“Bewijsmiddelen
1. Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van de districtsrecherche Rijnmond-Oost d.d. 11 mei 2017 onder rapportnummer 2017129358. Dit rapport (met bijlagen) houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (p. 128 - 137):
Vaststelling opbrengst per oogst
• Aangetroffen planten/potten
In de kwekerij stonden minimaal 242 hennepplanten. Dit werd vastgesteld door de planten te tellen.
• Opbrengst hennep per plant
In het rapport van Functioneel Parket Afpakken van 1 juni 2016 is een tabel opgenomen met daarin de opbrengst per hennepplant. Deze opbrengst is afhankelijk van de hoeveelheid hennepplanten op een m2. Hieruit blijkt, dat hoe lager het aantal planten op een m2, hoe hoger de opbrengst per plant. De opbrengst aan hennep per plant van deze kwekerij is volgens de tabel minimaal 28,6 gram (in voordeel verdachte afgerond).
• Opbrengst hennep per oogst
De totale bruto opbrengst aan hennep per oogst bedraagt: 242 planten x 28,6 gram = 6,9212 kilogram
• Financiële opbrengst per oogst
De daadwerkelijke verkoopprijs van de hennep kon niet worden vastgesteld. Volgens het rapport van Functioneel Parket Afpakken bedraagt dit minimaal € 4.070,- per kilogram.
De totale bruto opbrengst per oogst bedraagt minimaal 6,9212 kilogram x € 4070 = € 28.169,28.
Kostenberekening
De in mindering te brengen kosten per oogst voor de in dit onderzoek betrokken hennepkwekerij zijn op basis van het rapport van Functioneel Parket Afpakken, als volgt:
Afschrijvingskosten
Volgens tabel BOOM-rapport
€ 200,00
Hennepstekken
242 * € 3,81
€ 922,02
Variabele kosten
242 * € 3,88
€ 938,96
Huisvestingskosten
€ 2.125,00
Totaal aan kosten
€ 4.185,98
.”
De schatting door het hof van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel is niet zonder meer begrijpelijk. Het hof heeft aan die schatting immers ten grondslag gelegd enerzijds dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit het bewezenverklaarde feit, maar anderzijds dat het gaat om het voordeel uit “twee eerdere oogsten”, terwijl uit het door het hof gebruikte bewijsmiddel niet volgt dat sprake is geweest van twee oogsten ten aanzien waarvan voldoende aanwijzingen bestaan dat het telen van de betreffende planten door de betrokkene heeft plaatsgevonden.
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2026.