HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/04538
Datum 24 april 2026
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
[X4] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 oktober 2024, nrs. BK-ARN 22/2250 en 22/2251, op het hoger beroep van belanghebbende tegen uitspraken van de Rechtbank Noord-Nederland (nrs. LEE 20/1618 en LEE 21/966) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2016 en 2017 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente.
1. Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.J. van Dam, heeft een verweerschrift ingediend. De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.
Belanghebbende heeft incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris heeft schriftelijk zijn zienswijze over het incidentele beroep naar voren gebracht.Belanghebbende heeft in het incidentele beroep een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 5 december 2025 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie en ongegrondverklaring van het incidentele beroep in cassatie.Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van de in het incidentele beroep voorgestelde middelen
De in het incidentele beroep voorgestelde middelen kunnen niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel
Het middel slaagt op de gronden die zijn vermeld in onderdeel 5 van het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 24/04536, ECLI:NL:HR:2026:564.
4. Slotsom
Gelet op wat hiervoor in onderdeel 3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Uit de stukken van het geding volgt dat het belastbare loon van belanghebbende inclusief de door het Hof buiten aanmerking gelaten Liechtensteinse socialezekerheidspremies (de Abzüge) voor beide jaren hoger is dan het in de aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (zoals deze luiden na bezwaar) (hierna: de aanslagen) in aanmerking genomen belastbare loon. Nu de aanslagen voor het overige in cassatie niet of, gelet op wat hiervoor in onderdeel 2 is overwogen, tevergeefs zijn bestreden, heeft de Rechtbank de beroepen daarom terecht ongegrond verklaard. De uitspraken van de Rechtbank moeten worden bevestigd.
5. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,
- verklaart het principale beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, en
- bevestigt de uitspraken van de Rechtbank.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026.