HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/03521
Datum 1 mei 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 september 2024, nr. BRE 23/9564, betreffende een verzoek van belanghebbende om toekenning van een dwangsom wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar tegen een dwangsombesluit.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door T.G. van Laarhoven, heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Uitgangspunten in cassatie
Belanghebbende heeft bij de Inspecteur een verzoek ingediend om ambtshalve vermindering van de aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 2020. Omdat niet tijdig op dat verzoek werd beslist, heeft belanghebbende de Inspecteur in gebreke gesteld. Toen na afloop van de daarbij gestelde termijn nog niet was beslist, heeft belanghebbende de Inspecteur verzocht om de verbeurde dwangsom bij beschikking vast te stellen. Daarop heeft de Inspecteur bij beschikking vastgesteld dat geen dwangsom is verbeurd (hierna: het eerste dwangsombesluit). Tegen deze beschikking heeft belanghebbende bezwaar gemaakt (hierna: het bezwaar).
Belanghebbende heeft de Inspecteur in gebreke gesteld omdat deze niet tijdig had beslist op het bezwaar. De Inspecteur heeft daarna alsnog uitspraak gedaan op het bezwaar. Hij heeft daarbij het bezwaar gegrond verklaard en alsnog een dwangsom vastgesteld wegens niet-tijdig beslissen op het hiervoor in 2.1 vermelde verzoek om ambtshalve vermindering. Bovendien heeft de Inspecteur daarbij beslist dat hij geen dwangsom aan belanghebbende toekent wegens niet-tijdig beslissen op het bezwaar.
Tegen dat laatste besluit heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat het eerste dwangsombesluit geen beschikking op aanvraag is in de zin van artikel 4:17, lid 1, Awb, zodat de Inspecteur niet een dwangsom kan verbeuren wegens het niet-tijdig nemen ervan. Volgens de Rechtbank moet in lijn daarmee worden geoordeeld dat de Inspecteur ook geen dwangsom verbeurt bij het niet-tijdig nemen van een besluit op bezwaar tegen een dwangsombesluit. De Rechtbank wijst erop dat dit vaste rechtspraak is van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State en de Centrale Raad van Beroep, en ziet geen aanleiding daarvan af te wijken.
3. Beoordeling van het middel
Het middel richt zich tegen het oordeel van de Rechtbank dat de Inspecteur geen dwangsom verbeurt bij het niet-tijdig nemen van een besluit op het bezwaar tegen een dwangsombesluit. Het middel faalt, aangezien dat oordeel juist is. In de wettelijke regeling over de dwangsom bij niet-tijdig beslissen in paragraaf 4.1.3.2 van de Awb ligt besloten dat een bestuursorgaan geen dwangsom kan verbeuren wegens het niet-tijdig vaststellen van een beschikking over de verschuldigdheid en de hoogte van een door hem verbeurde dwangsom. Aldus voorkomt de wettelijke regeling een zogenoemde stapeling van dwangsommen. In lijn daarmee moet worden aangenomen dat evenmin een dwangsom wordt verbeurd, en dus evenmin een stapeling van dwangsommen kan optreden, indien niet tijdig wordt beslist op het bezwaar tegen (het uitblijven van) een dwangsombesluit. Het middel voert weliswaar terecht aan dat een uitspraak op bezwaar een besluit op aanvraag is, ook indien het bezwaar is gericht tegen een dwangsombesluit, maar in zoverre bestaat aanleiding een uitzondering aan te nemen op de regel dat de dwangsomregeling in paragraaf 4.1.3.2 van de Awb van toepassing is op iedere beschikking op een aanvraag in de zin van artikel 1:3, lid 3, Awb.
4. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026.