ECLI:NL:HR:2026:735

ECLI:NL:HR:2026:735

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 01-05-2026
Datum publicatie 30-04-2026
Zaaknummer 25/02550
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHARL:2025:3894
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2026:248

Samenvatting

Immateriële schadevergoeding; Verlenging van de redelijke termijn; Bijzondere omstandigheden; Beschikbaarheid gemachtigde; ECLI:HR:2016:252

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 25/02550

Datum 1 mei 2026

ARREST

in de zaak van

[X] (hierna: belanghebbende)

en

het DAGELIJKS BESTUUR VAN DE BELASTINGSAMENWERKING GEMEENTEN EN HOOGHEEMRAADSCHAP UTRECHT (hierna: het Dagelijks Bestuur)

en

de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)

op het door zowel belanghebbende als het Dagelijks Bestuur ingestelde beroep in cassatie en het door belanghebbende ingestelde incidentele beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 juni 2025, nrs. BK-ARN 24/1406 tot en met 24/1413, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (nrs. UTR 22/826 tot en met 22/829 en 22/834 tot en met 22/837) betreffende ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken en aanslagen gemeentelijke heffingen voor het jaar 2021.

1. Geding in cassatie

Zowel belanghebbende, vertegenwoordigd door D.A.N. Bartels, als het Dagelijks Bestuur, vertegenwoordigd door [P1] en [P2], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Belanghebbende heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 13 maart 2026 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie van het Dagelijks Bestuur.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Uitgangspunten in cassatie

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar van 17 januari 2022 terecht het op 19 mei 2021 ontvangen bezwaarschrift van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

De Rechtbank heeft met betrekking tot het verzoek van belanghebbende tot vergoeding van immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn vastgesteld dat, uitgaande van de standaard redelijke termijn van twee jaar, sprake is van overschrijding van de redelijke termijn met dertien maanden. De Rechtbank heeft echter aanleiding gezien de standaardtermijn van twee jaar te verlengen met een jaar. Aan die beslissing heeft de Rechtbank ten grondslag gelegd dat de gemachtigde van belanghebbende een zeer groot aantal bezwaar- en (hoger)beroepsprocedures heeft lopen bij de Rechtbank, dat hij geen personeel heeft en dat zijn handelwijze, die kan worden toegerekend aan de belanghebbenden, noodzakelijkerwijs leidt tot het oplopen van de duur van de behandeling van de door hem ingestelde beroepen en daarmee tot het overschrijden van de redelijke termijn. Ter nadere motivering verwijst de Rechtbank naar de overwegingen 17 tot en met 23 van haar uitspraak van 20 november 2023. Daarin heeft zij in essentie overwogen dat veel zaken van de gemachtigde niet tijdig op zitting kunnen worden behandeld omdat de hoeveelheid zaken van de gemachtigde en de momenten waarop hij beschikbaar is voor zittingen niet op elkaar aansluiten.

3. De oordelen van het Hof

Voor het Hof was onder meer in geschil of als gevolg van het procesgedrag van de gemachtigde in alle zaken waarin de gemachtigde optreedt, de redelijke termijn generiek dient te worden verlengd van twee naar drie jaar. Het Hof heeft geoordeeld dat het de beslissing van de Rechtbank om de redelijke termijn in deze zaak te verlengen van twee naar drie jaar niet volgt.

Het Hof heeft daartoe allereerst geoordeeld dat verlenging van de redelijke termijn in individuele procedures moet worden gebaseerd op feiten en omstandigheden die zich voordoen in die procedures.

Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat het procesgedrag van een gemachtigde in een procedure een bijzondere omstandigheid kan zijn om de redelijke termijn te verlengen, maar dat dit wel een nadere afweging vergt. De Rechtbank heeft niet gemotiveerd waarom de door het capaciteitsgebrek van de gemachtigde veroorzaakte vertraging uitsluitend is toe te rekenen aan de gemachtigde. Bovendien is dit capaciteitsgebrek onvoldoende motivering voor het generiek vaststellen van een jaar vertraging, aldus het Hof. Het Hof heeft daartoe in de kern overwogen dat de Rechtbank onvoldoende gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden tot het voeren van regie in geval van problemen in de behandeling van de massale zaakstroom die deze gemachtigde, mede als gevolg van onprofessioneel procesgedrag, genereert.

Het Hof heeft de vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting in eerste aanleg vastgesteld op € 1.500, waarvan € 231 te betalen door de heffingsambtenaar en € 1.269 door de Staat.

4. Beoordeling van het principale en het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende

De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat zowel het principale als het incidentele cassatieberoep van belanghebbende duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om beide beroepen zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).

5. Beoordeling van het principale beroep in cassatie van het Dagelijks Bestuur

De klacht richt zich tegen het oordeel van het Hof dat in deze procedure geen aanleiding bestaat voor een verlenging van de redelijke termijn met een jaar voor de berechting in eerste aanleg. Het eerste onderdeel van de klacht komt op tegen het hiervoor in 3.2 weergegeven oordeel van het Hof. Het betoogt dat het Hof op basis van het algemene (proces)gedrag van belanghebbende (de Hoge Raad begrijpt: de gemachtigde) in al diens zaken, dus ook in deze zaak, tot een generieke verlenging van de redelijke termijn had moeten komen. De Hoge Raad begrijpt de klacht zo dat volgens het Dagelijks Bestuur dus niet ter zake doet of dat gedrag van invloed is geweest op de duur van deze procedure. Het tweede onderdeel van de klacht betoogt dat het Hof met zijn hiervoor in 3.3 weergegeven oordelen ten onrechte een belangenafweging eist van de Rechtbank, dan wel aan die belangenafweging te hoge eisen stelt.

De Hoge Raad stelt het volgende voorop.

Voor de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet en dat in deze termijn de duur van de bezwaarfase is inbegrepen. Deze als uitgangspunt te hanteren termijn van twee jaar geldt behoudens bijzondere omstandigheden, waartoe onder meer kan worden gerekend de invloed van de belanghebbende en diens gemachtigde op de duur van het proces, bijvoorbeeld door het doen van herhaalde verzoeken om verlenging van gestelde termijnen of om uitstel voor (het voldoen aan) uitnodigingen of oproepingen. Van bijzondere omstandigheden is geen sprake indien het gaat om een handelwijze waarvan het daarmee gemoeide tijdsverloop is verdisconteerd in de over het algemeen redelijke termijn van twee jaar. Zo is daarin onder meer verdisconteerd dat het niet ongebruikelijk is dat partijen een termijn wordt gegund voor herstel van eventuele verzuimen in hun bezwaar- of beroepschrift en dat uitstel wordt verleend voor het indienen van nadere stukken. Dat geldt eveneens voor het tijdsverloop dat is gemoeid met een eerste uitstel van de behandeling van de zaak ter zitting. Van een bijzondere omstandigheid is dus sprake in geval van procesgedrag dat tot een zodanige vertraging leidt dat het daarmee gemoeide tijdsverloop niet kan zijn verdisconteerd in de standaardtermijn van twee jaar.

De rechter dient ter beantwoording van de vraag of een bijzondere omstandigheid in de hiervoor bedoelde zin zich in een zaak voordoet, slechts rekening te houden met het procesgedrag in die individuele zaak. Daarbij kan de rechter het procesgedrag van de belanghebbende en de gemachtigde in andere zaken betrekken indien dat gedrag een zaaksoverstijgend karakter heeft. Indien het procesgedrag in een individuele zaak als bijzondere omstandigheid kan worden aangemerkt, rechtvaardigt dit in de regel een verlenging van de redelijke termijn. Een nadere afweging tegenover andere omstandigheden of belangen is daarvoor niet vereist.

Indien een hiervoor in 5.2.1 bedoelde bijzondere omstandigheid zich voordoet, rechtvaardigt dit een verlenging van de redelijke termijn voor zover die verlenging in een redelijke verhouding staat tot het vertragende procesgedrag van de belanghebbende en zijn gemachtigde. Daarbij mag de rechter, indien die verhouding niet precies valt te bepalen, in de regel uitgaan van een schatting, wat betekent dat het bepalen van een termijnverlenging met een zekere ruwheid gepaard mag gaan.

Het voorgaande laat onverlet dat de rechter, ook indien een dergelijke bijzondere omstandigheid zich voordoet, de voortgang van de individuele zaak dient te bewaken. Dat gaat echter niet zo ver dat een verlenging van de redelijke termijn als hiervoor in 5.2.3 bedoeld geheel of ten dele achterwege zou moeten blijven indien de rechter in een geval als dit nalaat op het specifieke procesgedrag van de gemachtigde afgestemde regie te voeren, zoals door het Hof omschreven in rechtsoverweging 4.26 van zijn uitspraak.

Gelet op wat hiervoor in 5.2.2 is overwogen, miskent het hiervoor in 5.1 weergegeven eerste klachtonderdeel dat het aan belanghebbende toe te rekenen algemene procesgedrag van de gemachtigde slechts in aanmerking mag worden genomen bij de beoordeling of er grond is voor verlenging van de redelijke termijn in een bepaalde zaak, als dat gedrag ook daadwerkelijk van invloed is geweest op de behandelduur van die zaak. Anders dan het klachtonderdeel aanvoert, dient de grond voor verlenging dus per individuele zaak te worden beoordeeld. Het eerste klachtonderdeel faalt daarom.

Het hiervoor in 5.1 weergegeven tweede klachtonderdeel slaagt evenwel. Door ervan uit te gaan dat een vertraging van de procedure die het gevolg is van onvoldoende beschikbaarheid van de gemachtigde niet zonder meer is aan te merken als een aan belanghebbende toerekenbare bijzondere omstandigheid die verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigt, heeft het Hof blijk gegeven van een te strenge maatstaf. Gelet op wat hiervoor in 5.2.2 is overwogen, geldt, anders dan het Hof heeft geoordeeld, voor het aannemen van zo’n bijzondere omstandigheid niet de voorwaarde dat de vertraging van de procedure uitsluitend aan het procesgedrag van de belanghebbende en zijn gemachtigde in die procedure is te wijten. Ook het oordeel van het Hof dat voor de beoordeling of sprake is van zo’n bijzondere omstandigheid een nadere afweging is vereist, is onjuist. Indien vaststaat dat de vertraging in het proces is veroorzaakt door capaciteitsgebrek bij de gemachtigde, is die omstandigheid aan te merken als een bijzondere omstandigheid die verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigt.

6. Slotsom

Gelet op wat hiervoor in 5.4 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

Uit de gedingstukken kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat niet is bestreden dat in deze zaak vertraging is opgetreden omdat de gemachtigde wegens gebrek aan capaciteit niet voldoende beschikbaar is voor zittingen. Uit de gedingstukken kan verder geen andere conclusie worden getrokken dan dat de omvang van de door de Rechtbank op grond daarvan bepaalde verlenging van de redelijke termijn met een jaar in hoger beroep evenmin is bestreden, zodat de redelijke termijn op drie jaren moet worden gesteld. Dit betekent dat de redelijke termijn voor de berechting in eerste aanleg met een maand is overschreden. De vergoeding van immateriële schade bedraagt in dat geval € 500.

Gegeven de door het Hof gehanteerde verhouding in de toerekening van de te vergoeden immateriële schade aan de heffingsambtenaar respectievelijk de Staat van 231/1.500 (zie hiervoor in 3.4), die door partijen niet is bestreden, komt van de hiervoor in 6.2 vermelde vergoeding € 77 voor rekening van de heffingsambtenaar.

Uit wat hiervoor in 6.2 en 6.3 is overwogen, volgt dat van de te vergoeden immateriële schade van in totaal € 500 een bedrag van € 77 toerekenbaar is aan de heffingsambtenaar en € 423 aan de Staat. Aangezien het Hof de Staat heeft veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.269 en de Staat geen beroep in cassatie heeft ingesteld, zal de Hoge Raad de door het Hof gegeven beslissing over de vergoeding van immateriële schade door de Staat in stand laten. Aangezien belanghebbende daarmee een hoger bedrag aan schadevergoeding verkrijgt dan het hiervoor in 6.2 genoemde bedrag van € 500, zal de Hoge Raad de daarnaast door de heffingsambtenaar te vergoeden schade op nihil stellen.

7. Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

8. Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart het principale en het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende niet-ontvankelijk,

- verklaart het beroep in cassatie van het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Hoogheemraadschap Utrecht gegrond,

- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar uitsluitend voor zover deze betrekking heeft op de veroordeling van de heffingsambtenaar tot vergoeding van immateriële schade, en

- stelt het door de heffingsambtenaar te vergoeden bedrag aan immateriële schade vast op nihil.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.T. Boerlage als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NLF 2026/0878 NDFR Nieuws 2026/689 Viditax (FutD) 2026050101
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand