ECLI:NL:HR:2026:749

ECLI:NL:HR:2026:749

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 12-05-2026
Datum publicatie 08-05-2026
Zaaknummer 23/04686
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2026:181

Samenvatting

Diefstal d.m.v. verbreking, art. 311.1.5 Sr. Aanwezigheidsrecht. Oproepingstermijn in hoger beroep i.g.v. schorsing van onderzoek ttz. voor bepaalde tijd, art. 319 Sv. Geldt 10-dagentermijn ook i.g.v. schorsing voor bepaalde tijd? Uit stukken blijkt dat onderzoek ttz. in h.b. op 8-11-2023 is aangevangen en vervolgens voor bepaalde tijd is geschorst tot 27-11-2023. Verdachte was op geen van beide tz. aanwezig. Wet schrijft niet voor dat in het geval dat onderzoek ttz. voor bepaalde tijd wordt geschorst, termijn moet verlopen van ten minste 10 dagen tussen dag waarop verdachte voor nadere tz. wordt opgeroepen en dag waarop die nadere tz. plaatsvindt. Volgt verwerping. Samenhang met 23/04687.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/04686

Datum 12 mei 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 27 november 2023, nummer 22-001434-23, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat A.M.V. Bandhoe bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt dat bij de oproeping van de verdachte voor de nadere terechtzitting op 27 november 2023 niet de oproepingstermijn van tien dagen in acht is genomen.

Uit de stukken blijkt dat het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep op 8 november 2023 is aangevangen en vervolgens voor bepaalde tijd is geschorst tot 27 november 2023. De verdachte was op geen van beide terechtzittingen aanwezig.

De volgende bepalingen zijn van belang.

- Artikel 265 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv):

“1. Tussen de dag waarop de dagvaarding aan de verdachte is betekend en die der terechtzitting moet een termijn van ten minste tien dagen verlopen. (...)”

- Artikel 319 lid 1 en 2 Sv:

“1. In alle gevallen waarin het onderzoek wordt onderbroken of voor een bepaalde tijd geschorst, wordt door de voorzitter aan de verdachte, diens raadsman, het slachtoffer, diens vertegenwoordiger op grond van artikel 51e, zesde of zevende lid, of de nabestaande, en aan de tolken, getuigen en deskundigen voor zover zij nog niet op de terechtzitting zijn gehoord, het tijdstip aangezegd, waarop zij bij de hervatting van het onderzoek op de terechtzitting aanwezig moeten zijn. (...) De aanzegging geldt als oproeping.

2. De verdachte, raadsman, het slachtoffer, diens vertegenwoordiger op grond van artikel 51e, zesde of zevende lid, of de nabestaande, getuigen, deskundigen en tolken die bij de in het eerste lid bedoelde aanzegging niet op de terechtzitting aanwezig zijn, worden in het geval van schorsing voor de nadere terechtzitting opnieuw opgeroepen. (...)”

- Artikel 320 lid 1 en 3 Sv:

“1. In alle gevallen waarin het onderzoek voor een onbepaalde tijd is geschorst, worden, zodra de oorzaak der schorsing is vervallen, de verdachte, het slachtoffer, diens vertegenwoordiger op grond van artikel 51e, zesde of zevende lid, of de nabestaande, de getuigen, deskundigen en tolken, voor zover zij nog niet ter terechtzitting zijn gehoord, opnieuw opgeroepen. (...)

3. Met betrekking tot de oproeping van de verdachte is artikel 265 van overeenkomstige toepassing.”

Anders dan het cassatiemiddel tot uitgangspunt neemt, schrijft de wet niet voor dat in het geval het onderzoek op de terechtzitting voor bepaalde tijd wordt geschorst, een termijn moet verlopen van ten minste tien dagen tussen de dag waarop de verdachte voor de nadere terechtzitting wordt opgeroepen en de dag waarop die nadere terechtzitting plaatsvindt.

Het cassatiemiddel faalt.

3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van één maand volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 mei 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand