HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04686
Datum 12 mei 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 27 november 2023, nummer 22-001434-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat A.M.V. Bandhoe bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat bij de oproeping van de verdachte voor de nadere terechtzitting op 27 november 2023 niet de oproepingstermijn van tien dagen in acht is genomen.
Uit de stukken blijkt dat het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep op 8 november 2023 is aangevangen en vervolgens voor bepaalde tijd is geschorst tot 27 november 2023. De verdachte was op geen van beide terechtzittingen aanwezig.
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 265 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv):
“1. Tussen de dag waarop de dagvaarding aan de verdachte is betekend en die der terechtzitting moet een termijn van ten minste tien dagen verlopen. (...)”
- Artikel 319 lid 1 en 2 Sv:
“1. In alle gevallen waarin het onderzoek wordt onderbroken of voor een bepaalde tijd geschorst, wordt door de voorzitter aan de verdachte, diens raadsman, het slachtoffer, diens vertegenwoordiger op grond van artikel 51e, zesde of zevende lid, of de nabestaande, en aan de tolken, getuigen en deskundigen voor zover zij nog niet op de terechtzitting zijn gehoord, het tijdstip aangezegd, waarop zij bij de hervatting van het onderzoek op de terechtzitting aanwezig moeten zijn. (...) De aanzegging geldt als oproeping.
2. De verdachte, raadsman, het slachtoffer, diens vertegenwoordiger op grond van artikel 51e, zesde of zevende lid, of de nabestaande, getuigen, deskundigen en tolken die bij de in het eerste lid bedoelde aanzegging niet op de terechtzitting aanwezig zijn, worden in het geval van schorsing voor de nadere terechtzitting opnieuw opgeroepen. (...)”
- Artikel 320 lid 1 en 3 Sv:
“1. In alle gevallen waarin het onderzoek voor een onbepaalde tijd is geschorst, worden, zodra de oorzaak der schorsing is vervallen, de verdachte, het slachtoffer, diens vertegenwoordiger op grond van artikel 51e, zesde of zevende lid, of de nabestaande, de getuigen, deskundigen en tolken, voor zover zij nog niet ter terechtzitting zijn gehoord, opnieuw opgeroepen. (...)
3. Met betrekking tot de oproeping van de verdachte is artikel 265 van overeenkomstige toepassing.”
Anders dan het cassatiemiddel tot uitgangspunt neemt, schrijft de wet niet voor dat in het geval het onderzoek op de terechtzitting voor bepaalde tijd wordt geschorst, een termijn moet verlopen van ten minste tien dagen tussen de dag waarop de verdachte voor de nadere terechtzitting wordt opgeroepen en de dag waarop die nadere terechtzitting plaatsvindt.
Het cassatiemiddel faalt.
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van één maand volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 mei 2026.