HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/03616
Datum 19 mei 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 september 2024, nummer 23-002637-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat R.A. Bruinsma bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Artikel 4.3.3.4 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden luidt:
“De schriftuur van een advocaat dient de verklaring te bevatten dat hij tot de indiening bepaaldelijk is gevolmachtigd door degene namens wie hij optreedt. Bij verzuim de hiervoor bedoelde verklaring af te leggen, stelt de rolraadsheer de advocaat in de gelegenheid tot het alsnog afleggen van die verklaring binnen een daartoe te stellen termijn.”
De schriftuur bevat niet de verklaring van de raadsman dat hij tot de indiening bepaaldelijk is gevolmachtigd door de verdachte. De raadsman is in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen, maar daarvan is pas na het verstrijken van de daarvoor geboden termijn gebruik gemaakt.
De verdachte heeft dus niet op de voorgeschreven manier bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur met cassatiemiddelen doen indienen (zie artikel 452 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering). Het gevolg daarvan is dat de Hoge Raad het beroep van de verdachte niet in behandeling kan nemen.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 mei 2026.