HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/03823
Datum 19 mei 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 september 2023, nummer 23-000284-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat H. Polat bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De stukken houden onder meer het volgende in.
- Op 22 mei 2023 heeft de raadsman van de verdachte een e-mail gestuurd aan de strafgriffie van het hof. Deze e-mail houdt onder meer in:
“In opgemelde strafzaak is de (pro forma)rolzitting d.d. 24 (de Hoge Raad begrijpt: 23) mei 2023 om 11:30 uur. Langs deze weg bericht ik u dat cliënt, [verdachte] niet ter zitting aanwezig zal zijn. Helaas kan ik zelf ook niet ter zitting aanwezig zijn om u de redenen van hoger beroep in deze zaak mede te delen.”
- De zaak is in hoger beroep voor de eerste maal behandeld op 23 mei 2023. Op die terechtzitting zijn de verdachte en zijn raadsman niet verschenen. Het onderzoek is vervolgens voor bepaalde tijd geschorst tot 12 september 2023.
- Het onderzoek is hervat op de terechtzitting van 12 september 2023. De verdachte en zijn raadsman zijn daar niet verschenen. Het arrest is op dezelfde dag uitgesproken.
- Namens de verdachte is op 4 oktober 2023 beroep in cassatie ingesteld.
Artikel 432 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) luidt:
“1. Het beroep in cassatie moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:
a. de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend;
b. de verdachte op de terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen;
c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was;
d. de dagvaarding of oproeping binnen zes weken nadat door de verdachte hoger beroep is ingesteld, rechtsgeldig aan de verdachte is betekend met inachtneming van artikel 36g en in hoger beroep geen onvoorwaardelijke straf of maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming van langere duur meebrengt dan zes maanden.
2. In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet cassatie worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat het vonnis of arrest de verdachte bekend is.
3. Indien het onderzoek op de terechtzitting voor onbepaalde tijd is geschorst en de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting niet in persoon is gedaan of betekend, is de termijn bedoeld in het tweede lid van toepassing, tenzij
de verdachte op de nadere terechtzitting is verschenen of
zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was.
Indien een van deze twee uitzonderingen zich voordoet, is de termijn genoemd in de aanhef van het eerste lid van toepassing.”
Artikel 432 Sv bepaalt binnen welke termijn beroep in cassatie moet worden ingesteld. De hoofdregel is dat dit moet gebeuren binnen veertien dagen na de einduitspraak. Die hoofdregel vindt toepassing als zich een van de omstandigheden voordoet die in artikel 432 lid 1 Sv worden genoemd. De termijn van veertien dagen na de einduitspraak geldt ook als op de terechtzitting een gemachtigde raadsman als bedoeld in artikel 279 lid 1 Sv is verschenen (vgl. HR 11 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9649, rechtsoverweging 3.3 en HR 3 oktober ECLI:NL:HR:2023:1363, rechtsoverweging 2.3).
In het geval het onderzoek op de terechtzitting wordt geschorst, is daarnaast het volgende van belang.
Als zich een van de onder 2.3 bedoelde omstandigheden voordoet waarna het onderzoek op de terechtzitting, ongeacht of de verdachte en/of zijn raadsman op die zitting aanwezig waren, wordt geschorst voor bepaalde tijd, blijft gelden dat de termijn voor het instellen van beroep in cassatie loopt tot en met veertien dagen na de einduitspraak. Dat is ook het geval als, na die schorsing voor bepaalde tijd, de verdachte en/of zijn raadsman niet op de nadere terechtzitting aanwezig zijn. (Vgl. HR 11 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6232 en HR 3 oktober ECLI:NL:HR:2023:1363, rechtsoverweging 2.3.)
Als zich een van de onder 2.3 bedoelde omstandigheden voordoet waarna het onderzoek op de terechtzitting, ongeacht of de verdachte en/of zijn raadsman op die zitting aanwezig waren, wordt geschorst voor onbepaalde tijd, geldt op grond van artikel 432 lid 3 Sv niet zonder meer dat de termijn voor het instellen van beroep in cassatie loopt tot en met veertien dagen na de einduitspraak. Dat is slechts het geval als a) de verdachte bij de hervatting van het onderzoek op de nadere terechtzitting is verschenen, ofb) zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was, of c) bij de hervatting van het onderzoek op de terechtzitting een gemachtigde raadsman als bedoeld in artikel 279 lid 1 Sv is verschenen (vgl. HR 9 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AG3022, rechtsoverweging 3.9.2 en HR 3 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1363, rechtsoverweging 2.3).
Uit wat hiervoor onder 2.1 is weergegeven blijkt dat op de terechtzitting van 23 mei 2023 de verdachte en zijn raadsman niet aanwezig waren. Gelet op de inhoud van de e-mail die de raadsman van de verdachte de dag voor die terechtzitting aan de strafgriffie van het hof heeft verzonden, moet het er in cassatie voor worden gehouden dat de verdachte tevoren met de dag van die terechtzitting bekend was. Op 23 mei 2023 is het onderzoek op de terechtzitting voor bepaalde tijd geschorst tot 12 september 2023. Het onderzoek is hervat op de terechtzitting van 12 september 2023 en op die dag is ook het arrest uitgesproken. Dit brengt mee dat het cassatieberoep had moeten worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak van het hof van 12 september 2023. Het beroep is ingesteld op 4 oktober 2023. Om die reden kan de Hoge Raad het cassatieberoep van de verdachte niet in behandeling nemen.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 mei 2026.