ECLI:NL:HR:2026:784

ECLI:NL:HR:2026:784

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 22-05-2026
Datum publicatie 21-05-2026
Zaaknummer 24/04574
Rechtsgebied Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHDHA:2024:2007
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2026:117

Samenvatting

Overheidsprivaatrecht (art. 6:162 BW). Burgerlijk procesrecht; behandeling als executiegeschil (art. 438 Rv). Handelt Staat onrechtmatig door het leggen van strafvorderlijk conservatoir 'anderbeslag' ter uitvoering strafrechtelijke ontnemingsmaatregel (art. 94a lid 4 en lid 5 Sv)? Inbreuk op eigendom derde op wiens bankrekening en roerende zaken beslag is gelegd (art. 1 Eerste Protocol EVRM)?

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 24/04574

Datum 22 mei 2026

ARREST

In de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] , Verenigd Koninkrijk,

EISERES tot cassatie,

hierna: [de vrouw] ,

advocaat: Y.E.J. Geradts,

tegen

1. DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid),

zetelende te Den Haag,

VERWEERDER in cassatie,

hierna: de Staat,

advocaat: G.C. Nieuwland,

2. [de man] ,

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

hierna: [de man] ,

niet verschenen.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de vonnissen in de zaak C/09/584089/ HA ZA 19-1210 van de rechtbank Den Haag van 12 mei 2021 en 19 januari 2022;

b. het arrest in de zaak 200.324.570/01 van het gerechtshof Den Haag van 17 september 2024.

[de vrouw] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.

De Staat heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.

Tegen [de man] is verstek verleend.

De zaak is voor de verschenen partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Staat mede door J.W.M. Jansen. De conclusie van de Advocaat-Generaal G. Snijders strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De advocaat van [de vrouw] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2. Uitgangspunten en feiten

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:

(i) [de vrouw] en [de man] zijn in 1980 met elkaar getrouwd onder huwelijkse voorwaarden (met uitsluiting van iedere gemeenschap). In 2006 zijn zij van tafel en bed gescheiden en in 2015 is het huwelijk ontbonden.

(ii) In mei 2004 is het Openbaar Ministerie een opsporingsonderzoek gestart naar [de man] . Hij werd onder meer verdacht van het witwassen van geld. [de man] is in verband met dit onderzoek op 17 juni 2004 aangehouden en verhoord. Eveneens op 17 juni 2004 is de woning van [de man] in [plaats] doorzocht. Op 3 mei 2005 hebben doorzoekingen plaatsgevonden in de woning van [de man] in [plaats] en in de (echtelijke) woning in [plaats] , waar [de vrouw] indertijd woonde en [de man] de weekenden doorbracht.

(iii) [de man] is in 2010 door de rechtbank Haarlem veroordeeld voor (onder meer) het witwassen van geld. Deze veroordeling is in 2012 bevestigd door het gerechtshof Amsterdam. Het cassatieberoep tegen deze uitspraak is in 2014 door de Hoge Raad verworpen, waarmee de veroordeling van [de man] onherroepelijk is geworden.

(iv) Bij arrest van 13 februari 2018 heeft het gerechtshof Amsterdam aan [de man] een ontnemingsmaatregel opgelegd, op grond waarvan [de man] aan de Staat € 24.493.121,78 moet betalen. Het cassatieberoep tegen deze uitspraak is op 12 februari 2019 verworpen, waarmee de ontnemingsmaatregel onherroepelijk is geworden.

(v) Tijdens het strafrechtelijk onderzoek heeft het Openbaar Ministerie op de voet van art. 94a lid 4 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) een zogenoemd conservatoir ‘anderbeslag’ gelegd – respectievelijk door buitenlandse justitiële autoriteiten laten leggen – op bankrekeningen die op naam staan van [de vrouw] . Daarnaast is conservatoir beslag gelegd op een aantal roerende zaken, voornamelijk kunstvoorwerpen, waarvan [de vrouw] stelt, maar de Staat betwist, dat deze haar eigendom zijn.

(vi) De aan [de man] opgelegde ontnemingsmaatregel wordt door het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) namens de Staat in tranches geïncasseerd. Het voornemen bestaat om ook de hiervoor onder (v) genoemde vermogensbestanddelen uit te winnen. De Staat is nog niet tot executie overgegaan.

[de vrouw] vordert in dit geding onder meer een verklaring voor recht dat voortzetting van de gelegde beslagen (zie hiervoor in 2.1 onder (v)) niet gerechtvaardigd is en/of dat het de Staat niet is toegestaan deze beslagen uit te winnen ten behoeve van de ontnemingsvordering ten laste van [de man] , en opheffing van deze beslagen.

De rechtbank heeft het geschil uit praktisch en proceseconomisch oogpunt als een executiegeschil behandeld en de vorderingen van [de vrouw] afgewezen.

Ook het hof heeft de zaak behandeld alsof het een executiegeschil betreft. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:

“4.5 Het hof zal eerst grief 1 bespreken, die neerkomt op het volgende. Vóór 1 september 2003 heeft [de man] het schilderij ‘Portret de Jeanne’ van Renoir aan [de vrouw] geschonken. Toen was beslag onder een derde ter verzekering van een ontnemingsvordering niet mogelijk. In de periode van 1 september 2003 tot 1 juli 2011 heeft [de man] diverse vermogensbestanddelen aan [de vrouw] overgedragen. In die tijd was beslag onder een derde voor een ontnemingsvordering alleen mogelijk indien het ging om een beslag op uit misdrijf afkomstig vermogen. Op 1 juli 2011 is art. 94a leden 4 en 5 Sv in de huidige vorm ingevoerd. Het is in strijd met art. 1 Eerste Protocol EVRM en art. 17 Handvest EU om de vermogensbestanddelen die [de vrouw] vóór 1 juli 2011 van [de man] heeft verkregen te toetsen aan die bepalingen zoals deze na 1 juli 2011 kwamen te luiden, want daarmee wordt haar recht op eigendom met terugwerkende kracht aangetast. De rechtbank had moeten toetsen aan de tot 1 juli 2011 geldende bepalingen door na te gaan of de beslagen vermogensbestanddelen een criminele oorsprong hadden.

Het hof zal de grief toetsen aan art. 1 Eerste Protocol EVRM (art. 1 EP), aangezien niet blijkt dat de Staat met zijn verhaal op [de vrouw] het recht van de Unie ten uitvoer brengt (art. 51 lid 1 Handvest EU). Overigens bestaan tussen art. 1 EP en art. 17 Handvest EU geen wezenlijke verschillen (vgl. art. 52 lid 3 Handvest EU).

Grief 1 treft geen doel. Het is vaste rechtspraak dat wijzigingen in het strafprocesrecht onmiddellijke werking hebben. Afgezien daarvan is bij de wijziging van art. 94a Sv in 2011 geen overgangsregeling vastgesteld in die zin dat deze bepaling in haar nieuwe versie niet van toepassing zou zijn op vermogensverschuivingen die vóór deze wetswijziging hadden plaatsgevonden. [de vrouw] betwist dit op zichzelf niet. Zij voert echter aan dat toepassing van art. 94a leden 4 en 5 Sv in haar geval tot gevolg zou hebben dat haar eigendomsrecht met terugwerkende kracht – en dus in strijd met art. 1 EP – wordt aangetast. Dit betoog faalt echter. Het enkele feit dat nieuwe regelgeving het gebruik van reeds bestaande eigendom beperkt of aantast levert op zichzelf geen strijd met art. 1 EP op. Alleen indien de nieuwe wetgeving specifiek tot doel zou hebben het geschil tussen [de vrouw] en de Staat te beïnvloeden zou zich een ongeoorloofde inbreuk op art. 1 EP kunnen voordoen.

EHRM 8 november 2005, nr. 4251/02, Saliba t. Malta, par. 39-40

EHRM 6 oktober 2005, nr. 11810/03, Maurice t. Frankrijk par. 89

Een dergelijk doel is echter niet gesteld of gebleken.

In de zaak Maurice tegen Frankrijk oordeelde het EHRM dat de ouders van een gehandicapt kind een bestaande “asset” werd ontnomen, aangezien zij op grond van bestaande jurisprudentie een vordering op het ziekenhuis hadden, die hen door de nieuwe wetgeving werd ontnomen. In dit verband wijst het hof op het volgende. Art. 94a lid 4 Sv stelt de eis dat [de vrouw] wist of redelijkerwijze kon vermoeden dat bepaalde vermogensbestanddelen aan haar zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel het verhaal hierop te frustreren. Indien aan dit laatste vereiste is voldaan, het hof zal hierna onderzoeken of dat het geval is, wist of behoorde [de vrouw] te weten dat zij medewerking verleende aan het onttrekken van vermogensbestanddelen aan het verhaal door crediteuren op [de man] . [de vrouw] had moeten begrijpen dat met dat doel aan haar overgedragen vermogen geen veilig bezit was en mogelijk bloot zou staan aan (verhaals)acties van crediteuren van [de man] . Anders dan in het geval van Maurice tegen Frankrijk kon [de vrouw] dan ook niet de legitieme verwachting hebben gehad dat op deze vermogensbestanddelen nooit verhaal zou worden genomen.

[de vrouw] voert verder aan dat vrijwel haar hele vermogen onder beslag ligt, zij zelf geen verdachte is of is geweest, en dat zij niets te maken had met de zakelijke bezigheden van [de man] . Bovendien houdt het aan haar geschonken vermogen geen enkel verband met de feiten waarvoor [de man] is vervolgd, deze waren ruim vóór die feiten verworven, aldus [de vrouw] . Deze stellingen, wat daar verder ook van zij, verhinderen niet dat de rechter het onderhavige geschil moet beoordelen aan de hand van art. 94a Sv zoals het thans luidt.

(…)

Het voorgaande leidt het hof tot de conclusie dat de vermogensoverdrachten van [de man] aan [de vrouw] niet werkelijk tot doel hadden te voorzien in het levensonderhoud van [de vrouw] na de echtscheiding, maar kennelijk waren ingegeven door het oogmerk van frustratie van verhaal. De door [de man] aan [de vrouw] overgedragen vermogensbestanddelen bleven immers in de praktijk tot zijn beschikking staan, want [de vrouw] bleek bereid een groot deel van het aan haar overgedragen vermogen voor hem of zijn vennootschappen aan te wenden, zonder dat zij enige reële verwachting kon hebben dat zij hiervan ooit iets zou terugzien. Desondanks blijkt niet dat [de vrouw] zich toen enige zorgen maakte over de manier waarop zij in de toekomst in haar levensonderhoud zou kunnen voorzien. Dat laatste had wel voor de hand gelegen indien het hier werkelijk ging om vermogen dat aan haar was toegekend om in haar toekomstig levensonderhoud te voorzien. Het handelen van [de vrouw] valt alleen te verklaren als wordt aangenomen dat zij vanaf de aanvang wist dat de aan haar door [de man] ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen niet waren bedoeld voor haarzelf, en alleen maar bij haar werden gestald voor toekomstige aanwending voor [de man] en zijn vennootschappen. [de vrouw] voert nog aan dat [de man] zeer vermogend was en dat zij dus niet hoefde te vermoeden dat hij het verhaal van de ontnemingsvordering zou willen frustreren. Dat iemand een vordering kan betalen betekent echter niet dat hij die ook wil betalen. Heel goed denkbaar is dat [de man] vermogen heeft overgedragen om het verhaal van een vordering te frustreren, ook al zou hij die wel kunnen betalen.

Het hof is dan ook van oordeel dat [de vrouw] wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat de desbetreffende vermogensbestanddelen aan haar zijn overgedragen met het kennelijke doel het verhaal hierop te frustreren. [de vrouw] moet er redelijkerwijs sinds 2006 van op de hoogte zijn geweest dat [de man] verdacht werd en zou worden vervolgd. Dat [de man] op 17 juni 2004 was aangehouden en verhoord, en dat in de woning aan (...), waar [de vrouw] toen woonde, op 3 mei 2005 een doorzoeking plaatsvond, kan haar niet zijn ontgaan. Hiervoor is ook overwogen dat [de vrouw] niet werkelijk kan hebben gemeend dat [de man] € 2,6 miljoen aan haar overmaakte om in haar levensonderhoud na de echtscheiding te voorzien, omdat de in dergelijke gevallen gebruikelijke vastlegging en onderbouwing ontbrak. [de vrouw] had er kennelijk ook geen enkele moeite mee om op verzoek van [de man] een groot deel van die gelden voor hem en zijn vennootschappen aan te wenden, soms zonder enige documentatie, vaker in de vorm van ‘leningen’, maar steeds zonder enige zekerheid of rentebetalingen en zonder een reëel vooruitzicht dat zij deze gelden ooit zou terugkrijgen. Daar komt bij dat [de vrouw] de herkomst van de opbrengst van het huis aan (...) heeft trachten te verhullen, door aan haar bank op te geven dat het bedrag van £ 3,45 miljoen was verkregen uit erfenis en dat “die Liegenschaft” (het onroerend goed) familiebezit was. Dit was niet juist en hieruit blijkt dat [de vrouw] geen open kaart speelde als het ging om de herkomst van dit onderdeel van het aan haar overgedragen vermogen. Dat [de vrouw] te goeder trouw was is dus niet juist. Ook indien dit anders zou zijn maakt dat voor de toepassing van art. 94a lid 4 Sv geen verschil, omdat het er niet slechts om gaat wat [de vrouw] wist maar ook om wat zij redelijkerwijs kon vermoeden en in dit geval kon [de vrouw] redelijkerwijs vermoeden dat [de man] vermogen aan haar overdroeg om verhaal daarop te frustreren.”

3. Beoordeling van het middel

Het gaat in deze zaak om de beoordeling van de rechtmatigheid van het door de Staat op de voet van art. 94a lid 4 Sv gelegde conservatoir ‘anderbeslag’ als ware het een executiegeschil in de zin van art. 438 Rv.

Onderdeel 1 van het middel klaagt onder meer dat het hof heeft miskend dat toepassing van art. 94a lid 4 en 5 Sv in strijd is met art. 1 Eerste Protocol EVRM (hierna: EP). Daartoe betoogt het onderdeel dat de vermogensbestanddelen van [de vrouw] waarop de Staat ‘anderbeslag’ heeft gelegd, door haar zijn verkregen voordat art. 94a lid 4 en 5 Sv (in de huidige vorm) is ingevoerd. De inperking van het eigendomsrecht van [de vrouw] is daarom volgens het onderdeel niet ‘lawful’ en er is ook geen sprake van een ‘fair balance’, omdat door het ‘met terugwerkende kracht’ toepassen van art. 94a lid 4 en 5 Sv het eigen vermogen van [de vrouw] wordt uitgewonnen. In ieder geval is het oordeel van het hof op dit punt onvoldoende gemotiveerd in het licht van hetgeen [de vrouw] daarover heeft aangevoerd, aldus het onderdeel.

Art. 94a lid 4 Sv bepaalt, kort gezegd, dat voorwerpen die toebehoren aan een ander dan de verdachte, in beslag genomen kunnen worden indien voldoende aanwijzingen bestaan dat deze voorwerpen geheel of ten dele aan die ander zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning ervan te bemoeilijken of te verhinderen, en die ander dit wist of redelijkerwijze kon vermoeden.

Art. 94a lid 5 Sv bepaalt dat in het geval, bedoeld in het vierde lid, tevens andere aan die ander toebehorende voorwerpen in beslag kunnen worden genomen, tot ten hoogste de waarde van de in het vierde lid bedoelde voorwerpen.

Art. 1 EP beschermt het ongestoorde genot van eigendom. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM moet een inmenging in het recht op ongestoord genot van eigendom ‘lawful’ zijn (dat wil zeggen dat daarvoor een voldoende toegankelijke, precieze en qua toepassing en gevolgen voldoende voorzienbare basis in het recht bestaat), terwijl de inmenging gericht moet zijn op legitieme doelstellingen in het algemeen belang (‘legitimate aim’) en deze niet disproportioneel mag zijn; er moet een ‘fair balance’ zijn tussen het algemeen belang enerzijds en de bescherming van individuele rechten anderzijds, in welk kader de wetgever een ‘wide margin of appreciation’ toekomt. Of voldaan is aan de eis dat de basis in het recht voldoende voorzienbaar is wat betreft toepassing en gevolgen, moet worden beoordeeld naar het moment van de inmenging. Wat de ‘fair balance’ betreft, is onder meer van belang dat als – zoals bij art. 94a Sv – de doelstelling van de wet is, kort gezegd, het mogelijk maken van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, de inmenging ook eigendom van derden kan betreffen, mits “these [assets] have been obtained unlawfully or the third party otherwise lacks bona fide status”.

Het hof heeft overwogen (rov. 4.7) dat het enkele feit dat nieuwe regelgeving het gebruik van al bestaande eigendom beperkt of aantast, op zichzelf geen strijd met art. 1 EP oplevert. Dat strookt met hetgeen hiervoor in 3.4 is overwogen over het moment waarnaar moet worden beoordeeld of de hiervoor bedoelde basis in het recht voldoende voorzienbaar is in haar toepassing en gevolgen. Het hof heeft verder overwogen (rov. 4.8) dat art. 94a lid 4 Sv de eis stelt dat [de vrouw] wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat bepaalde vermogensbestanddelen aan haar zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel het verhaal hierop te frustreren, aan welke eis het hof vervolgens heeft getoetst. De uitkomst daarvan is (rov. 4.18-4.19) dat [de vrouw] wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat [de man] vermogensbestanddelen aan haar heeft overgedragen met het kennelijke doel het verhaal hierop te frustreren, en dat [de vrouw] vanaf de aanvang wist dat de aan haar door [de man] ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen niet waren bedoeld voor haarzelf, en alleen maar bij haar werden gestald voor toekomstige aanwending door [de man] en zijn vennootschappen. Mede tegen de achtergrond van wat hiervoor in 3.4, slot, is overwogen over het vereiste van een ‘fair balance’, getuigt het oordeel van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het is toereikend gemotiveerd. De hiervoor in 3.2 weergegeven klachten falen derhalve.

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4. Beslissing

De Hoge Raad:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt [de vrouw] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 873,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [de vrouw] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan en aan de zijde van [de man] begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de president G. de Groot als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, T. Kooijmans en F. Damsteegt, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 22 mei 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand