HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/01362 J
Datum 26 mei 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 3 april 2025, nummer 23-001059-24, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2005,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat R.J. Wortelboer bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat het aan de schuld van de verdachte te wijten is geweest dat een ontploffing teweeg is gebracht.
Het hof heeft overeenkomstig wat subsidiair is tenlastegelegd, ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij op 3 december 2022 te [plaats] aanmerkelijk onvoorzichtig in een treinstel, een stuk illegaal vuurwerk (Cobra 6), heeft opengemaakt en (deels) heeft leeggeschud, waardoor het stuk vuurwerk tot ontsteking is gekomen waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest, dat er in die trein een ontploffing teweeg is gebracht en daardoor gemeen gevaar voor het aanwezige meubilair en/of de goederen van de medereizigers en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de reizigers in het treinstel ontstond.”
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal van bevindingen van 3 december 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pagina’s 16-18).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten (of één of meer van hen):
Op 3 december 2022 kregen wij de opdracht om te gaan naar [plaats] . Aldaar zou een cobra (vuurwerk) ontploft zijn in de trein. Op 3 december 2022, om 02:22 uur, waren wij ter plaatse op het station [plaats] . Wij zagen dat een trein stil stond. Aangekomen bij de trein konden wij de trein betreden. Wij, verbalisanten, roken direct de geur van brand en zagen dat de trein vol rook stond. Wij zagen één man met letsel aan zijn rechterhand. Ook klaagden diverse mensen over piepende oren.
De man die gewond was aan zijn rechterhand bleek te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] -2005 te [geboorteplaats] . Wij, verbalisanten, zagen dat er wonden aan zijn hand zaten. Wij zagen dat de wimpers van [verdachte] verschroeid waren. Ik, [verbalisant 1] , hoorde [verdachte] het volgende zeggen: ‘Toen ik in de trein zat pakte ik het vuurwerk uit mijn zak. Ik wilde dit leeggooien in de prullenbak in de trein. Ineens ontplofte het stuk vuurwerk.’
Wij, verbalisanten, hebben de plaats van de ontploffing gezien. Wij, verbalisanten, zagen dat de zetels en vloer bezaaid lagen met snippers en verkoolde deeltjes. Ook zagen wij een zwart grijze vlek vanuit de vuilnisbak over de gehele ruit en wand doorlopen in de richting van het plafond. Verder zagen wij, verbalisanten, dat de deksel van de stalen cq ijzeren vuilnisbak ontbrak. Ook zagen wij, verbalisanten, diverse bloedspatten en vlekken op de vloer.
2. Een proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict (Station [plaats] ) van 20 januari 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door een bevoegde opsporingsambtenaar (doorgenummerde pagina’s 36-39).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Op 3 december 2022 kwam ik, naar aanleiding van een ontploffing, voor forensisch onderzoek aan op de locatie NS Station [geboorteplaats] . Voorafgaand aan het door mij ingestelde forensische onderzoek, verkreeg ik de volgende informatie: Er zou mogelijk een stuk vuurwerk zijn afgegaan in een treincoupé in de rijdende trein van [plaats] naar [geboorteplaats] . De trein zou na het incident gestald zijn op het NS station [geboorteplaats] .
Bevindingen
In de coupé werd op een zitting van twee stoelen een klep van een prullenbak aangetroffen. Bij onderzoek bleek het de klep te zijn van een prullenbak behorende bij de stoelen waar de klep was aangetroffen. Boven de prullenbak was een ruit. Op de binnenzijde van de ruit was grijskleurige waaiervormige roetvorming te zien. Op de stoelen bij de prullenbak was eveneens grijze roetvorming. In de coupé werden diverse stukjes karton aangetroffen, die ik herkende als afkomstig van vuurwerk. Er werd een stukje aangetroffen voorzien van een gedeelte van een afbeelding van een slangenkop van een Cobra. Ik herkende deze afbeelding als afkomstig van een stuk zwaar illegaal vuurwerk, type Cobra. Verder werd een gedeformeerd blikje aangetroffen. Het blikje was op verschillende punten opengescheurd door druk.
Gevaarzetting
Ten tijde van het afgaan van de explosie was de coupé van de trein vol met personen. Deze zaten op de stoelen of stonden in de coupé bij elkaar. Door de explosie is er in de afgesloten coupé een drukgolf vrijgekomen die samen met hitte en vuurverschijnselen ervoor kunnen zorgen dat het nabij gelegen blikje samen met vuurwerkresten door de coupé wordt geslingerd. Door de explosie kan/kon (zwaar) lichamelijk letsel ontstaan bij de personen die in de coupé aanwezig waren. Tevens was er door de explosie gemeen gevaar voor goederen ontstaan in de coupé.
Samenvatting
Gezien het aantreffen van grijze roetvorming in de vorm van een waaier boven de prullenbak en op de binnenzijde van de ruit kan gesteld worden dat de explosie in of nabij de prullenbak had plaatsgevonden. Door het aantreffen van kleine deeltjes papier afkomstig van vuurwerk kan gesteld worden dat de explosie was veroorzaakt door vuurwerk.
3. Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut ‘Explosievenonderzoek naar aanleiding van een ontploffing in een treincoupé in [plaats] op 3 december 2022’ van 27 februari 2025, opgemaakt door dr. ir. [deskundige] .
Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Op 3 december 2022 heeft een ontploffing plaatsgevonden in een treincoupé. Eerder NFI-onderzoek heeft uitgewezen dat:
De ontploffing aan de bovenkant van een prullenbak bij een raam plaatsvond;
Het ontplofte explosief een COBRA vuurwerkartikel met flitspoeder is geweest;
Er niet meer dan enkele grammen flitspoeder is ontploft.
In dit rapport is aanvullend NFI-onderzoek beschreven dat tot doel had om diverse technische aspecten in deze zaak uit te diepen en om inzicht te verschaffen in de wijze van ontsteken van het vuurwerk. Op voorhand zijn drie hypotheses opgegeven. Hypothese 1 beschrijft wat er volgens de verdachte is gebeurd. Hypotheses 2 en 3 zijn naar voren gebracht door het Openbaar Ministerie:
Hypothese 1: De ontploffing is veroorzaakt doordat onbedoeld een vonk van elektrostatische ontlading het flitspoeder in de beschadigde COBRA heeft bereikt en ontstoken. Hierbij geldt dat de oorzaak van de beschadiging onbekend is en de COBRA zich in beschadigde toestand in de trui van de verdachte bevond, voordat hij hem eruit pakte om weg te gooien.
Hypothese 2: De ontploffing is veroorzaakt doordat de verdachte de lont van de COBRA heeft aangestoken.
Hypothese 3: De ontploffing is veroorzaakt doordat de verdachte de COBRA zelf heeft opengemaakt en deels leeggeschud in de prullenbak, waarbij de wrijving tussen koker en flitspoeder onbedoeld tot ontsteking heeft geleid.
NFI-onderzoek heeft uitgewezen dat alle hypotheses op voorhand technisch gezien mogelijk zijn. Schadebeeld en de aan- of afwezigheid van gemorst flitspoeder zoals zichtbaar op foto’s van de plaats delict zijn als bewijs gebruikt om tegen de hypotheses af te wegen.
De bewijskracht zal worden bepaald voor de (combinatie van de) onderzoeksresultaten ten aanzien:
Het zichtbare schadebeeld in de coupé.
Het zichtbare schadebeeld van de rechter jasmouw van de verdachte.
De uiterlijke kenmerken van de witte trui en de spijkerbroek van de verdachte.
De uiterlijke kenmerken van de vloer en de stoelen nabij de ontploffing.
Kennis over het specifieke COBRA vuurwerkartikel dat ontploft is, is daarbij zeer relevant. Daarom is de bewijskracht voor drie groepen COBRA vuurwerkartikelen apart getoetst. In alle gevallen is aangenomen dat tussen het tijdstip van de ontploffing en het tijdstip van het nemen van de foto’s, niemand bij de twee stoelen naast de ontploffing heeft schoongemaakt.
Groep A. COBRA met oorspronkelijk 2 gram flitspoeder
Om onder Hypotheses 1 en 3 te kunnen passen moet een vuurwerkartikel meer dan twee gram flitspoeder bevatten. Hypotheses 1 en 3 vallen dus bij voorbaat af voor Groep A en alleen Hypothese 2 blijft als mogelijke ontstekingswijze over.
Groep B. COBRA met oorspronkelijk meer dan 2 en minder dan 10 gram flitspoeder
Voor deze groep zijn alleen Hypotheses 1 en 3 mogelijk. Hypothese 2 kan direct uitgesloten worden voor Groep B, omdat het waargenomen schadebeeld hiervoor te beperkt is. Voor de overgebleven set van hypotheses geldt: Het niet aantreffen van zichtbaar flitspoeder op de trui en broek van de verdachte en ook niet op de stoel en de vloer tussen de verdachte en de plek van de ontploffing is iets waarschijnlijker wanneer Hypothese 3 waar is dan wanneer Hypothese 1 waar is.
Groep C. COBRA met oorspronkelijk meer dan 10 gram flitspoeder
Voor deze groep zijn om dezelfde reden als bij Groep B alleen Hypotheses 1 en 3 mogelijk. Voor deze set van hypotheses geldt: Het niet aantreffen van zichtbaar flitspoeder op de trui en broek van de verdachte en ook niet op de stoel en de vloer tussen de verdachte en de plek van de ontploffing is waarschijnlijker wanneer Hypothese 3 waar is dan wanneer Hypothese 1 waar is.
Dit NFI-onderzoek heeft enkele aanwijzingen opgeleverd (snippermatch en toetsing verklaring verdachte) dat het vuurwerkartikel een ‘Super COBRA 6’ geweest kan zijn. De ‘Super COBRA 6’ valt in Groep C.
4. De eigen waarneming van het hof gedaan op de terechtzitting in hoger beroep van 20 maart 2025.
Deze eigen waarneming houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Op foto 10 op pagina 26 van het politiedossier is te zien dat de verdachte een trui draagt die strak om zijn buik zit.
5. Een proces-verbaal verhoor getuige van 8 januari 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pagina 157).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 8 januari 2023 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [getuige] :
[verdachte] [het hof begrijpt: de verdachte] haalde die cobra uit zijn zak van zijn trui en zei: “kijk eens wat wij bij ons hebben”.
6. Een proces-verbaal van aangifte van [aangever] van 13 december 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door een bevoegde opsporingsambtenaar (doorgenummerde pagina’s 111-113).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 13 december 2022 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [aangever] :
Op 3 december 2022 ben ik in de trein naar [geboorteplaats] gestapt. Schuin voor mij zat een groepje jongens. Ik zag een van de jongens iets uit zijn zak halen. Ik zag dat die jongen een cobra in zijn rechterhand had. Ik zag namelijk een zwarte staaf in zijn hand met groene letters erop met de naam Cobra en het getal 6 erop. Ik zag dat hij daar iets van afhaalde. Op het moment dat ik mij omdraaide zag ik een felle witte flits en kreeg ik een enorme pijn in mijn oren, ik voelde een soort lichte druk. Ik zag dat de coupé helemaal vol rook stond.
7. Een proces-verbaal verhoor minderjarige verdachte van 25 januari 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pagina’s 163-171).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 25 januari 2023 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van verdachte:
V= Heb jij die avond/nacht in [plaats] iemand met vuurwerk gezien?
A= Ja. [betrokkene 1] had een pakje cobra’s bij zich.
V= Wat voor cobra’s waren dat?
A= Cobra 6.
Telefoonvormig qua lengte, zwart, Cobra logo erop, de tekst en een zes.
V= Hoe liet je hem zien aan [getuige] [het hof begrijpt: [getuige] ]?
A= Ik haalde hem [het hof begrijpt: de Cobra] uit mijn vest.”
Het hof heeft verder overwogen:
“Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde bepleit. Hij heeft daartoe, samengevat, aangevoerd dat de verdachte heeft verklaard dat hij de Cobra uit de buidel/zak van zijn hoodie haalde en dat deze, vermoedelijk als gevolg van statische elektriciteit, spontaan ontplofte toen hij deze weg wilde weggooien. Nergens uit blijkt dat de verdachte het stuk vuurwerk zou hebben aangestoken. Evenmin is aannemelijk dat de verdachte de Cobra heeft leeggeschud. Volgens het NFI-rapport van 27 februari 2025 zou dat zonder gereedschap niet mogelijk zijn geweest of zou dit tenminste één tot enkele minuten hebben geduurd. Het is wel aannemelijk dat het stuk vuurwerk beschadigd was, omdat de verdachte heeft verklaard dat de buidel/zak van zijn trui van binnen zwart was en dat hij denkt dat dat kruit was. Daarom kan het mede gelet op het voornoemde NFI-rapport niet worden uitgesloten dat de Cobra spontaan tot ontploffing is gekomen als gevolg van elektrostatische ontlading die is ontstaan door wrijving in de buidel/zak van zijn hoodie. Opzet op de ontploffing kan niet worden bewezen, omdat de verdachte niet de bedoeling heeft gehad de Cobra tot ontploffing te brengen. Er is evenmin sprake van schuld. De verdachte heeft geen invloed gehad op het ontstaan van de ontploffing. Hij heeft enkel het stuk vuurwerk willen weggooien, aldus de raadsman.
Oordeel van het hof
Op 3 december 2022 had de verdachte in een trein, die ter hoogte van het station [plaats] reed, een stuk vuurwerk, te weten een Cobra, bij zich. Dit stuk vuurwerk is op enig moment ontploft. Hierdoor is schade ontstaan aan het in het treinstel aanwezige meubilair en hebben diverse medereizigers letsel opgelopen. Het hof gaat net als de rechtbank ervan uit dat de verdachte wist dat hij de Cobra bij zich had toen hij de trein instapte. Het hof acht het (zeer) onaannemelijk dat, zoals de verdachte heeft verklaard, een bekende van hem, ene [betrokkene 1] , de Cobra ongemerkt in de buidel/zak van zijn hoodie gedaan zou hebben. Te meer, omdat de hoodie, zo is te zien op een foto in het dossier, strak om zijn buik zat en de Cobra, zo heeft de verdachte verklaard, de lengte had van een telefoon. Daar komt bij dat [getuige] heeft verklaard dat de verdachte de Cobra uit zijn zak van zijn trui haalde en zei: “kijk eens wat wij bij ons hebben”. Daarnaast heeft getuige [aangever] verklaard dat de verdachte in de trein de Cobra vast had in zijn rechterhand.
Het hof gaat er verder van uit dat het ging om een Cobra 6 en dat de verdachte ook hiervan op de hoogte was. De verdachte heeft verklaard dat hij eerder die avond of nacht voornoemde [betrokkene 1] had gezien met een pakje Cobra’s 6. Getuige [aangever] heeft in de trein gezien dat de verdachte in zijn hand een zwarte staaf vasthad met daarop groene letters met de naam Cobra en het getal 6. Het NFI heeft in het meest recente rapport van 27 februari 2025 de in het treinstel aangetroffen kartonsnippers onderzocht. Deze snippers vertonen overeenkomsten met een Super Cobra 6.
De vraag die vervolgens voorligt, is hoe de Cobra is ontploft. Het NFI heeft in het laatstgenoemde rapport naar aanleiding van het dossier en de verklaring van de verdachte drie hypotheses nader onderzocht:
1. De ontploffing is veroorzaakt doordat onbedoeld een vonk van elektrostatische ontlading het flitspoeder in de beschadigde Cobra heeft bereikt en ontstoken. Hierbij geldt dat de oorzaak van de beschadiging onbekend is en de Cobra zich in beschadigde toestand in de trui van de verdachte bevond, voordat hij hem eruit pakte om weg te gooien.
2. De ontploffing is veroorzaakt doordat de verdachte de lont van de Cobra heeft aangestoken.
3. De ontploffing is veroorzaakt doordat de verdachte de Cobra zelf heeft opengemaakt en deels leeggeschud in de prullenbak, waarbij de wrijving tussen koker en flitspoeder onbedoeld tot ontsteking heeft geleid.
NFI-onderzoek heeft uitgewezen dat alle hypotheses op voorhand technisch gezien mogelijk zijn. Het NFI heeft voor het bepalen van de bewijskracht van de onderzoeksresultaten rekening gehouden met het zichtbare schadebeeld in de coupé, het zichtbare schadebeeld van de rechter jasmouw van de verdachte, de uiterlijke kenmerken van de witte trui en de spijkerbroek van de verdachte en de uiterlijke kenmerken van de vloer en de stoelen nabij de ontploffing. De bewijskracht van de onderzoeksresultaten is voor drie groepen Cobra vuurwerkartikelen met verschillende hoeveelheden flitspoeder apart getoetst. Het NFI komt per groep tot de volgende conclusies:
Groep A, Cobra met oorspronkelijk twee gram flitspoeder
Om onder hypothese 1 en 3 te kunnen passen, moet een vuurwerkartikel meer dan twee gram flitspoeder bevatten. Deze hypotheses vallen daarom af. Als het ontplofte vuurwerkartikel uit groep A komt, blijft alleen hypothese 2 als mogelijke ontstekingswijze over.
Groep B, Cobra met oorspronkelijk meer dan 2 en minder dan 10 gram flitspoeder
Om onder hypothese 2 te kunnen passen, moet een artikel twee gram - en niet meer - flitspoeder bevatten. Hypothese 2 valt voor groep B daarom af. Het niet aantreffen van zichtbaar flitspoeder op de trui en broek van de verdachte en ook niet op de stoel en de vloer tussen de verdachte en de plek van de ontploffing is iets waarschijnlijker wanneer hypothese 3 waar is dan wanneer hypothese 1 waar is.
Groep C, Cobra met oorspronkelijk meer dan 10 gram flitspoeder
Hypothese 2 valt om dezelfde reden als bij groep B af. Het niet aantreffen van zichtbaar flitspoeder op de trui en broek van de verdachte en ook niet op de stoel en de vloer tussen de verdachte en de plek van de ontploffing is waarschijnlijker wanneer hypothese 3 waar is dan wanneer hypothese 1 waar is.
De Super Cobra 6 valt in groep C. Mede gelet hierop en ook overigens is het hof met de advocaat- generaal en de raadsman van oordeel dat het dossier onvoldoende steun biedt voor het scenario dat de verdachte de Cobra zou hebben aangestoken. Hypothese 2, zoals door het NFI in het voornoemde rapport is beschreven, valt daarom af als mogelijke ontstekingswijze.
Blijven over de hypotheses 1 en 3.
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de Cobra heeft opengemaakt en (deels) heeft leeggeschud in de prullenbak, waarbij de wrijving tussen de koker en het flitspoeder tot een ontsteking heeft geleid, zoals door het NFI beschreven onder hypothese 3. Daarbij gaat het hof, naast de resultaten van het voornoemde NFl-rapport, waaruit volgt dat voor een groep C Cobra hypothese 3 waarschijnlijker is dan hypothese 1, uit van de volgende feiten en omstandigheden. Een van de verbalisanten heeft in een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal beschreven dat hij direct na het incident ter plaatse was en de verdachte hoorde zeggen: ‘Toen ik in de trein zat pakte ik het vuurwerk uit mijn zak. Ik wilde dit leeggooien in de prullenbak in de trein. Ineens ontplofte het stuk vuurwerk.’, een opvallende en specifieke uitspraak. Daarnaast heeft getuige [aangever] verklaard dat hij zag dat de verdachte een Cobra in zijn rechterhand had en dat hij zag dat de verdachte daar iets van afhaalde. Daarmee gaat het hof voorbij aan de verklaring van de verdachte – dat hij tegen de verbalisant in plaats van ‘leeggooien’ ‘weggooien’ had gezegd en dat hij niet iets van de Cobra heeft afgehaald. Dat het openen van een Cobra moeizaam gaat, zoals ook volgt uit voornoemd NFl-rapport, brengt het hof evenmin tot een ander oordeel, nu van een onmogelijkheid geen sprake is en de verdachte de Cobra al enige tijd in zijn bezit had hetgeen hem de mogelijkheid en de tijd gaf om de kunststof dop van de Cobra te verwijderen.
Tot slot is de vraag of de verdachte opzettelijk heeft gehandeld of dat de ontploffing aan zijn schuld is te wijten. Het hof acht met de advocaat-generaal en de raadsman niet bewezen dat de verdachte opzettelijk heeft gehandeld, zodat hij van het primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Het handelen van de verdachte moet wel worden aangemerkt als aanmerkelijk onvoorzichtig, zodat het aan zijn schuld te wijten is geweest dat een ontploffing is teweeg gebracht. Immers is de verdachte met een Cobra 6 een volle trein ingestapt, nadat hij die avond en nacht een aanzienlijke hoeveelheid alcohol gedronken had. Hij heeft de Cobra in de trein laten zien aan zijn vrienden en heeft de Cobra opengemaakt en (deels) leeggeschud in de prullenbak, waarna de Cobra tot ontploffing is gekomen. Het subsidiair ten laste gelegde is daarmee wettig en overtuigend bewezen.”
De tenlastelegging is toegesneden op artikel 158 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Daarom moet worden aangenomen dat het in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende begrip ‘schuld’ is gebruikt in de betekenis die dat begrip heeft in die bepaling.
Artikel 158 Sr luidt:
“Hij aan wiens schuld brand, ontploffing of overstroming te wijten is, wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie, indien daardoor gemeen gevaar voor goederen ontstaat;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie, indien daardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander ontstaat;
3°. met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie, indien het feit iemands dood ten gevolge heeft.”
In het algemeen geldt dat onder ‘schuld’ als delictsbestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan die bestaat in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Of daarvan sprake is, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid. (Vgl. HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1398, rechtsoverweging 2.6.1 en 2.6.2.)
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte, na het drinken van een aanzienlijke hoeveelheid alcohol, in een volle trein is gestapt met een Cobra 6, waarna hij deze Cobra heeft opengemaakt en (deels) heeft leeggeschud in een prullenbak, als gevolg waarvan de Cobra tot ontploffing is gekomen waardoor diverse medereizigers letsel hebben opgelopen en schade is ontstaan aan het treinmeubilair. Het op die vaststellingen gebaseerde oordeel van het hof dat het handelen van de verdachte moet worden aangemerkt als verwijtbaar aanmerkelijk onvoorzichtig, is – mede in aanmerking genomen dat een Cobra 6 illegaal zwaar vuurwerk is – niet onbegrijpelijk. In dat oordeel van het hof ligt verder besloten dat de verdachte de ontploffing als gevolg van zijn handelen heeft kunnen en moeten voorzien. Ook dat oordeel is niet onbegrijpelijk.
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 mei 2026.