HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/00808
Datum 26 mei 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 5 maart 2024, nummer 20-000492-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat P. van de Kerkhof bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof ‘s-Hertogenbosch, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over de bewezenverklaring van het tenlastegelegde voor zover het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte “van een geldbedrag van in totaal 32.100,00 euro de vindplaats heeft verhuld”.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:
“op 15 november 2022 te [plaats] van een geldbedrag van in totaal 32.100,00 euro
- de vindplaats heeft verhuld en
- dit voorhanden heeft gehad
terwijl hij, verdachte, wist dat dat voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.”
De bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het proces-verbaal van verdenking d.d. 16 november 2022 (pagina’s 6-7 van het politiedossier), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 1] :
[verdachte] ( [bijnaam verdachte] ), geboren [geboortedatum] 1988 is de zoon van [vader verdachte] , geboren [geboortedatum] 1967. Beiden wonen op het woonwagenkamp aan de [a-straat] in [plaats] .
Op 15 november (het hof begrijpt: 2022) heb ik een gesprek met [vader verdachte] (het hof begrijpt [vader verdachte] ) gehad. Na het gesprek werd ik door hem teruggebeld. Ik hoorde dat [vader verdachte] mij vertelde: “Jullie zijn eerder dit jaar bij [bijnaam verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) binnen op zoek geweest naar een vuurwapen maar dat hebben jullie niet gevonden. [bijnaam verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) heeft dat wapen op het plafond van de woning op [a-straat 1] liggen. Naast dat wapen ligt geld dat hij verdiend heeft met die rotzooi.”
2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 november 2022 (pagina’s 10-11 van het politiedossier), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 2] :
Op 15 november 2022 verklaarde [vader verdachte] aan de politie dat er een vuurwapen en contant geld zou liggen achter een plafondplaat van de woonwagen aan de [a-straat 1] in [plaats] . In de woonwagen was [betrokkene 1] woonachtig. Op 15 november 2022 werd de woonwagen aan de [a-straat 1] in [plaats] betreden. Achter een plafondplaat in de slaapkamer werden drie verstopte stapels met contant geld aangetroffen. De totale waarde van de stapels contant geld bleek 32.100,- euro.
3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 november 2022, (pagina 12 van het politiedossier), voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 1] :
Op dinsdag 15 november 2022 waren wij, verbalisanten, doende met de doorzoeking aan de [a-straat 1] in [plaats] . Tijdens de doorzoeking werd een groot geldbedrag aangetroffen. Later bleek het te gaan om 32.100,- euro te gaan. Ik, [verbalisant 3] , sprak [betrokkene 1] . Haar werd gevraagd van wie het geld was, waarna ze aangaf dat dit van [bijnaam verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) was.
4. Een kennisgeving van inbeslagneming, rapporteur [verbalisant 3] (pagina’s 14-15 van het politiedossier), voor zover inhoudende:
Inbeslagneming
Plaats: [a-straat 1] , [postcode] [plaats] .
Datum: 15 november 2022.
Omstandigheden: Aangetroffen achter het plafond in de slaapkamer.
Volgnummer 1
Object: Geld (biljetten)
Aantal: 600 stuks
Totale hoeveelheid: 32.100 euro.
Bijzonderheden (coupures, toevoeging hof): 3x 500/ 93x 100/ 406x 50 en 100x 10.
5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 14 februari 2023, voor zover inhoudende als verklaring van de [verdachte] :
Ik vond de woning van [betrokkene 1] wel veilig. Ik heb in haar woning een plaat uit het plafond getrokken en het geld daar neergelegd.”
Artikel 420bis lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt:
“Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie:
a. hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij weet dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf;
b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf.”
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ‘verbergen’ en ‘verhullen’ als bedoeld in artikel 420bis lid 1, aanhef en onder a, Sr, betrekking hebben op gedragingen die erop zijn gericht het zicht op – onder andere – de vindplaats van voorwerpen te bemoeilijken. Die gedragingen moeten tevens geschikt zijn om dat doel te bereiken. (Vgl. HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:236 rechtsoverwegingen 2.7-2.8 en HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:462.)
Uit de bewijsvoering van het hof blijkt dat de verdachte een contant geldbedrag van in totaal € 32.100 in de woning van een derde heeft ondergebracht, door het daar in de slaapkamer achter een plafondplaat te plaatsen. Gelet op het op deze manier bemoeilijken van het zicht op de vindplaats van het geld is de bewezenverklaring wat betreft het ‘verhullen van de vindplaats’ toereikend gemotiveerd.
Het cassatiemiddel faalt in zoverre.
3. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;
- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat de taakstraf 114 uren beloopt, subsidiair 57 dagen hechtenis;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 mei 2026.