HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/02291
Datum 29 mei 2026
ARREST
In de zaak van
[Erfgenaam], in hoedanigheid van vereffenaar en enig erfgenaam in de nalatenschap van [erflater],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
hierna: Erfgenaam,
advocaat: A.C. de Bakker,
tegen
[Legataris],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: Legataris,
advocaten: M. van Tiel en M.J. van Basten Batenburg.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/01/371557 / HA ZA 21-380 van de rechtbank Oost-Brabant van 1 september 2021 en 13 juli 2022;
b. de arresten in de zaak 200.318.444/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 26 maart 2024 en 25 maart 2025.
Erfgenaam heeft tegen de arresten van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Legataris heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor Legataris toegelicht door haar advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van Erfgenaam heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van het middel
De Hoge Raad heeft de klachten over de arresten van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de arresten. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt Erfgenaam in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Legataris begroot op € 905,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Erfgenaam deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de president G. de Groot als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, A.E.B. ter Heide en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 29 mei 2026.